ECLI:NL:RBGEL:2026:7336

ECLI:NL:RBGEL:2026:7336

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 21/2362
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

OB. In geschil is of het pensioenfonds kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat de deelnemers beleggingsrisico dragen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2026

in de zaak tussen

Stichting Pensioenfonds voor Huisartsen, uit Utrecht, belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 maart 2021.

Belanghebbende heeft € 170.599 aan omzetbelasting op aangifte voldaan voor het derde kwartaal 2011.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Bij brief van 23 december 2022 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij de zaak aanhoudt totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft geantwoord op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen in beroepen van andere belanghebbenden.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 5 september 2024, zaaknummers C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688 (het BPL-arrest). Beide partijen hebben hiervan gebruik gemaakt.

Belanghebbende heeft op 8 mei 2026 een nader stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door [gemachtigde 2] [gemachtigde 3] en [persoon 2] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] en [persoon 10] .

Feiten

1. Belanghebbende is een beroepspensioenfonds ingesteld op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Haar statutaire doel is te voorzien in een pensioen voor huisartsen en hun nagelaten betrekkingen volgens in een pensioenreglement te stellen regels en werkend volgens een in een Actuariële- en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) omschreven beleid. De deelnemer in belanghebbende is iedere huisarts die voldoet aan de vereisten van deelnemerschap zoals omschreven in het pensioenreglement.

2. Belanghebbende heeft een pensioenreglement vastgesteld. In het pensioenreglement van 1 januari 2010, die ook van toepassing is op het in geschil zijnde tijdvak, is onder meer het volgende opgenomen.

3. De deelnemer is iedere arts die als huisarts een praktijk in Nederland uitoefent, in Nederland woont en de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. Geen deelnemer is de huisarts die in een kalenderjaar zijn beroep uitsluitend uitoefent in dienstverband met een organisatie waarbij is voorzien in een specifieke pensioenregeling.

4. De deelnemer is verplicht premies te betalen. De premie is vastgesteld op € 2.150,42 per kwartaal voor de deelnemer met partner en € 1.582,47 per kwartaal voor de deelnemer zonder partner. Bij een bruto-beroepsinkomen van minder dan € 73.000 wordt de premie op basis van een staffel verlaagd.

5. De (gewezen) deelnemer heeft aanspraak op een ouderdomspensioen, een partnerpensioen en een wezenpensioen. De gewezen partner van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde heeft aanspraak op een bijzonder partnerpensioen of een aanspraak op een eigen ouderdomspensioen. Daarnaast maakt de deelnemer aanspraak op gehele of gedeeltelijke premieovername bij arbeidsongeschiktheid.

6. Voor ieder kalenderkwartaal waarover de premie verschuldigd is geweest, bedraagt het ouderdomspensioen € 86,37 per jaar (het normpensioen). Het bedrag wordt volgens een staffel verminderd als het bruto-beroepsinkomen minder dan € 73.000 is. Het partnerpensioen bedraagt in beginsel 70% van het ouderdomspensioen dat had kunnen worden opgebouwd, het wezenpensioen bedraagt in beginsel 14% van het ouderdomspensioen dat had kunnen worden opgebouwd.

7. Ieder jaar worden de aanspraken op de normpensioenen en de ingegane normpensioenen vermenigvuldigd met een aanpassingscoëfficiënt. De toe te passen aanpassingscoëfficiënt is afhankelijk van de ontwikkeling van indexcijfers van brutolonen, gepubliceerd door het CBS. Het bestuur stelt de aanpassingscoëfficiënt vast. Het bestuur kan van het indexcijfer afwijken als de ontwikkeling van het beroepsinkomen van huisartsen ten opzichte van de brutolonen waarop het indexcijfer is gebaseerd daartoe aanleiding geeft. Het bestuur moet dan de algemene vergadering van de beroepsvereniging voor huisartsen horen.

8. Een verlaging van de aanpassingscoëfficiënt leidt niet tot een verlaging van het gedeelte van de aanspraken op de normpensioenen, die betrekking hebben op reeds verstreken kalenderkwartalen. Indien toepassing van de gewijzigde aanpassingscoëfficiënt op de pensioenen tot gevolg zou hebben dat een wijziging in de reële netto pensioeninkomsten optreedt, welke niet in dezelfde mate of nagenoeg dezelfde mate geldt voor de lonen waarop het indexcijfer betrekking heeft, zal door het bestuur in overleg met de actuaris een zodanige correctie op de gewijzigde aanpassingscoëfficiënt worden toegepast dat het verschil in effect zoveel mogelijk wordt ondervangen.

9. Belanghebbende probeert ieder jaar de (opgebouwde) pensioenen te verhogen.

Daarbij wordt in principe de ontwikkeling van het CBS-cijfer van de cao-lonen bij

de rijksoverheid gevolgd. Hiervan kan het pensioenfonds afwijken indien de ontwikkeling

van het bruto-beroepsinkomen van huisartsen daartoe aanleiding geeft. Het bestuur

beslist jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden

verhoogd. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening heeft het pensioenfonds

gelden gereserveerd. De jaarlijkse toevoeging aan deze reserve wordt door het bestuur

bepaald.

10. De verzekering van de normpensioenen geeft recht op een aandeel in de door het pensioenfonds op de verzekering gemaakte winst. Het aandeel in de winst wordt uitsluitend gebruikt voor een verhoging van alle ingegane en niet ingegane normpensioenen. Op de toegepaste verhogingen met de aanpassingscoëfficiënt worden in mindering gebracht de als gevolg van de winstdeling toegepaste verhogingen van de verzekerde normpensioenen.

11. Het bestuur kan voorziene verhogingen van pensioenen door toepassing van de nieuwe aanpassingscoëfficiënt (geheel of gedeeltelijk) achterwege laten als de beschikbare en verwachte middelen ontoereikend zijn.

12. De pensioenaanspraken en pensioenen kunnen uitsluitend worden verminderd indien:

- de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;

- het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en

- alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet om uiterlijk binnen een jaar te voldoen aan artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

13. De ABTN 2009 beschrijft de actuariële en bedrijfstechnische werkwijze van belanghebbende. In de ABTN 2009 is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Het pensioensysteem betreft een "uitkeringsregeling" die uitgaat van het zogenaamde

inkoopbedrag normpensioen dat is afgeleid van het norminkomen.

Het norminkomen is vastgesteld aan de hand van de ambtelijke maatman, ingeschaald in

het maximum van de BBRA-schaal 14 met twee periodieken (schalensystematiek van de

rijksoverheid).

(…)

De pensioenregeling kent een voorwaardelijke toeslag. Er bestaat geen recht op toeslag en

de financiële positie van het fonds is voor het bestuur maatgevend of en in welke mate een

verhoging van de pensioenaanspraken en -rechten (toeslag) wordt toegekend.

(…)

Binnen de context van de voorwaardelijkheid stelt het pensioenfonds zich ten doel

welvaartsvaste pensioenen te verzekeren. Dat wil zeggen dat als de inkomens stijgen, de

pensioenen in beginsel ook stijgen.

(…)

Om de inkomensontwikkeling te kunnen volgen stelt het bestuur jaarlijks de

aanpassingscoëfficiënt vast. Deze aanpassingscoëfficiënt is gebaseerd op de CBS

indexcijfers cao-lonen overheid (cao-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen) en

de ontwikkeling van het bruto beroepsinkomen van huisartsen. Bij aanvang van de regeling is als uitgangspunt gekozen voor een verhoging op basis van een aanpassingscoëfficiënt gerelateerd aan de ontwikkeling van de ambtenarensalarissen.

Een deel van de pensioenpremie wordt gereserveerd, met als doel om, in beginsel, in staat

te zijn de pensioenen te verhogen bij een stijging van de aanpassingscoëfficiënt.

(…)

Wanneer de aanpassingscoëfficiënt niet stijgt, worden de pensioenen in beginsel niet

verhoogd. Dit heeft tot gevolg dat reserves die voor de verhoging van de pensioenen

gevormd zijn toenemen als de rendementen meer bedragen dan de gehanteerde

rekenrente.

Als er sprake is van verbreking van het financieel evenwicht in gunstige zin, en kan het

bestuur tot een extra verhoging van de pensioenen besluiten.

Ook een verbreking van het financieel evenwicht in ongunstige zin is denkbaar, als de

ondergrens wordt overschreden. In dat geval zal het bestuur maatregelen nemen, die

leiden tot verhoging van de premie en/of verlaging van de pensioenen.

(…)

Op basis van een drietal grondslagen (beleggingsopbrengsten, levenskansen en

administratiekosten) kan winst of verlies worden gemaakt op het beschikbaar vermogen

van de normpensioenen. In geval van winst komt deze winst ten goede aan de deelnemer

door een winstdelingsregeling. Zowel het pensioenfonds als de

verzekeringsmaatschappijen waar het normpensioen in het verleden is ondergebracht

kennen een (eigen) jaarlijkse winstdeling.

(…)

Jaarlijks worden de pensioenen aangepast met een percentage dat gebaseerd is op de

stijging van de aanpassingscoëfficiënt plus de extra verhoging (of eventueel verlaging). De

winstdeling van het normpensioen is een onderdeel van de totale aanpassing van het

pensioen. Bij de berekening van de aanpassing van het totale pensioen wordt in eerste

instantie uitgegaan van de fictie dat het normpensioen altijd is ondergebracht bij het

pensioenfonds (de aanpassing van het normpensioen wordt standaardwinstdeling

genoemd).

(…)”

14. In het jaarverslag 2018 van belanghebbende is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

De toeslagverlening is niet direct afgeleid van het beleggingsresultaat in enig jaar, maar wordt gefinancierd vanuit de bestemmingsreserve. Het is afhankelijk van de financiële positie van het fonds.

(…)

De SPH-pensioenregeling is een uitkeringsregeling in de vorm van vaste bedragen. Deelnemers bouwen jaarlijks een vast bedrag op, het normpensioen. Het bedrag wordt jaarlijks verhoogd met de opbouwcoëfficiënt. De opbouwcoëfficiënt volgt in principe de maximale fiscale pensioengrondslag en is in 2020 bepaald op 2,28%.

(…)

De regeling bestaat uit twee delen. Een redelijk zeker deel is het normpensioen, een minder zeker deel is de voorwaardelijke toeslag. Het redelijk zekere deel is kleiner dan bij andere

pensioenfondsen. Het onzekere deel is groter dan bij andere pensioenfondsen. Een deel van de betaalde premies wordt gereserveerd in een buffer, waaruit de voorwaardelijke toeslagen worden gefinancierd. Er wordt alleen een toeslag gegeven als de financiële positie van het fonds dat toelaat.

(…)

We streven ernaar de al opgebouwde aanspraken jaarlijks te verhogen. Deze verhoging is voorwaardelijk. Hierbij volgen we in principe de ontwikkeling van het CBS-cijfer van de cao-lonen van de overheid. Als de financiële positie van het fonds en andere omgevingsfactoren dat toelaten, kan daarnaast een extra verhoging worden toegekend van maximaal 2,25%. In 2020 is de inkomensontwikkeling vastgesteld op 2,83%, namelijk het CBS cijfer van de cao-lonen van de overheid. Gezien de financiële positie van het fonds is besloten de totale verhoging vast te stellen op 1,41%. (…)”

15. In de jaren 2011 tot en met heden heeft belanghebbende diensten ingekocht van

buitenlandse vermogensbeheerders. Belanghebbende heeft ter zake hiervan in het derde kwartaal 2011 met toepassing van de verleggingsregeling € 117.022 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

16. In geschil is of belanghebbende € 117.022 te veel aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan over het derde kwartaal 2011. Daarvoor is van belang of de vermogensbeheerdiensten die door buitenlandse vermogensbeheerders aan belanghebbende zijn verricht, zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat sprake is van het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens dan wel het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

17. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds en in het bijzonder of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of belanghebbende moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die door de Nederlandse staat wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de deelnemers beleggingsrisico lopen. Uit het BPL-arrest volgt dat de nationale rechter dient vast te stellen of in de rangschikking van alle factoren die het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen bepalen, de factor beleggingsresultaten op de eerste plaats komt. Daarbij is de financiering een relevant criterium. In het referentiepensioen is het beleggingsresultaat al een belangrijke factor, zo niet de belangrijkste factor. Belanghebbende heeft een deskundigenrapport laten opstellen. In het deskundigenrapport zijn de conclusies van berekeningen aan de hand van duizenden scenario’s opgenomen, waaruit volgt dat de pensioenuitkeringen voor 58% uit beleggingsrendement bestaan en dat beleggingsresultaten leiden tot stijging of daling van de pensioenaanspraken en -uitkeringen en dat het bedrag van de pensioenuitkering hierdoor met een factor 7 kan afwijken. De pensioenuitkering is daarom meer afhankelijk van het beleggingsrendement en de behaalde beleggingsresultaten werken volledig door in de hoogte van de pensioenuitkeringen. Belanghebbende stelt zich ook op het standpunt dat belanghebbende vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van belanghebbende, vergelijkbaar is met een pensioenfonds dat een individuele defined contribution pensioenregeling (een DC-pensioenregeling) uitvoert. Een DC-pensioenregeling is op grond van een brief van de staatssecretaris van Financiën van 19 september 2014 aan de Tweede Kamer aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Beide pensioenregelingen voorzien in het opbouwen en uiteindelijk uitkeren van een pensioen, op basis van de ingelegde premie en de daarmee behaalde beleggingsresultaten, waaraan bepaalde waarborgen en risico’s verbonden zijn. Belanghebbende wijst op onderdelen 4.3 en 4.4 van het deskundigenrapport.

19. De inspecteur stelt zich op het tegenovergestelde standpunt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt (i) dat toeslagen en kortingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, (ii) dat deze ertoe hebben geleid dat dienstjaren en arbeidsinkomen niet langer de belangrijkste factor zouden zijn voor de bepaling van de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en pensioenuitkeringen én (iii) dat de belangrijkste factor voor de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en -uitkeringen de beleggingsresultaten zouden zijn (geworden). De wijze van financiering is geen criterium waar aan moet worden getoetst. Een deelnemer in belanghebbende heeft juridisch en financieel een heel ander product in handen dan een deelnemer in een DC-pensioenregeling. De regelingen zijn daarom niet vergelijkbaar.

20. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Opmerking vooraf

21. Belanghebbende maakte in 2011 onderdeel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Partijen zij het erover eens dat (i) de fiscale eenheid is ontbonden na indiening het bezwaarschrift tegen de voldoening van omzetbelasting voor het derde kwartaal 2011, en vóór de uitspraak op bezwaar op 26 maart 2021 en dat (ii) de aangifte op naam van de fiscale eenheid is ingediend en de omzetbelasting op naam van de fiscale eenheid is voldaan.

22. De gemachtigde van belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend namens belanghebbende, mede onder vermelding van het btw-nummer van de fiscale eenheid. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op naam van de fiscale eenheid en het bezwaarschrift kennelijk zodanig opgevat dat het is ingediend namens de fiscale eenheid. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken.

23. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of belanghebbende gerechtigd was om beroep in te stellen.

24. Het staat vast dat het geschil in deze zaak gaat over op aangifte voldane omzetbelasting voor door belanghebbende afgenomen diensten van buitenlandse vermogensbeheerders. Belanghebbende heeft, als voormalig onderdeel van de fiscale eenheid, daarom een belang bij het instellen van het beroep. Op grond van een analoge toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, moet belanghebbende daarom als beroepsgerechtigde worden aangemerkt. Omdat ook aan de overige ontvankelijkheidseisen is voldaan, is het beroep ontvankelijk.

Rechtskader

25. Artikel 11, eerste lid, aanhef en letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) luidt als volgt:

1 Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

(…)

i. de volgende leveringen en diensten:

(…)

3° het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens;

(…)

26. Artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn luidt als volgt:

1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

(…)

g) het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten;

(…)

27. Uit rechtspraak van het HvJ kan worden opgemaakt dat fondsen die instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in de zin van de Icbe-richtlijn vormen, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn.

28. Uit dezelfde rechtspraak van het HvJ volgt ook dat indien een fonds geen icbe is, maar dezelfde kenmerken als een icbe vertoont, en dus dezelfde handelingen verricht of op zijn minst zodanig vergelijkbaar is met een icbe dat zij ermee concurreert, zij als een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet worden aangemerkt. Een pensioenfonds kan als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt, indien:

Deze voorwaarden zijn ontleend aan artikel 1, tweede lid, van de icbe-richtlijn.

29. In het BPL-arrest heeft het HvJ het volgende voor recht verklaard:

1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.

2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.

Beleggingsrisico

30. Gelet op de rechtsoverwegingen 44 tot en met 47 van het BPL-arrest is het, om te bepalen of de deelnemers in belanghebbende het beleggingsrisico dragen, noodzakelijk om vast te stellen dat het ontvangen pensioen afhankelijk is van de beleggingen van belanghebbende in een zodanige mate dat dit vergelijkbaar is met de mate waarin het rendement van een deelnemer bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen. Een dergelijke afhankelijkheid moet tot uiting komen in de hoogte van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen die de deelnemers in belanghebbende ontvangen. Om te bepalen of dat laatste het geval is, moet worden vastgesteld of de resultaten van de beleggingen van het pensioenfonds een aanzienlijke invloed hebben op het bedrag van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen. Dat is het geval indien het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen dat op grond van de pensioenovereenkomst verschuldigd is, niet is gegarandeerd, maar in de eerste plaats, in positieve of in negatieve zin, afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen van dat fonds.

31. Het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen wordt vastgesteld op basis van het pensioenreglement van belanghebbende. Het jaarlijks uit te keren pensioen is op basis van het pensioenreglement vastgesteld op een normpensioen vermenigvuldigd met een aanpassingscoëfficiënt. Het normpensioen is afgeleid van de rijksambtenarensalarissen. De aanpassingscoëfficiënt is afhankelijk van de ontwikkeling van indexcijfers van brutolonen volgens de cao-rijksoverheid die volgt uit de cijfers van het CBS. Het bestuur van belanghebbende beslist of de pensioenaanspraken en pensioenen met de aanpassingscoëfficiënt worden verhoogd, waarbij de financiële positie van belanghebbende maatgevend is. Ook wordt een deel van de premie gereserveerd om in de toekomst de pensioenen te verhogen als de aanpassingscoëfficiënt stijgt. Deze reserves nemen toe als de aanpassingscoëfficiënt niet stijgt, maar de rendementen meer bedragen dan de rekenrente. Hieruit volgt dat de beleggingsrendementen van belanghebbende geen rol spelen bij het normpensioen en te indirect, te zeer gedempt en daardoor te zeer beperkt een rol spelen bij het vaststellen van de toeslagen op basis van de aanpassingscoëfficiënt.

32. Belanghebbende past ook een winstdelingsregeling toe. Op basis van een drietal grondslagen (beleggingsopbrengsten, levenskansen en administratiekosten) kan winst of verlies worden gemaakt op het beschikbaar vermogen van de normpensioenen. Het beleggingsrendement van belanghebbende speelt bij de winstdeling dus wel een rol, maar is niet de enige factor. Daar komt bij dat een eventuele winstdeling eerst in mindering wordt gebracht op de aanpassingscoëfficiënt; het effect van de winstdelingsregeling wordt dus gedempt. De invloed van het beleggingsrendement van belanghebbende op de aanpassing van het normpensioen is daarom indirect en beperkt.

33. Kortingen zijn slechts aan de orde indien de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt, indien het belanghebbende niet binnen redelijke termijn is gelukt dit te veranderen en indien alle overige sturingsmiddelen zijn ingezet en geen verbetering hebben gebracht. Bij het vaststellen van de technische voorzieningen spelen de rekenrente, verwachte marktontwikkelingen en verzekeringstechnische grondslagen (waaronder het langlevenrisico) een belangrijke rol. De werkelijke rendementen op de beleggingen van belanghebbende spelen daarbij echter geen rol.

34. Bij het bepalen van het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen spelen de werkelijke beleggingsrendementen die belanghebbende behaalt dus in zeer beperkte mate een rol. De mate van afhankelijkheid van de beleggingsresultaten is daarmee niet vergelijkbaar met de mate waarin het rendement bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van het beleggingsresultaat.

35. Het deskundigenrapport dat belanghebbende overgelegd leidt niet tot een ander oordeel.

36. De rechtbank stelt bij de beoordeling van dat rapport voorop dat de inspecteur de berekeningen daarin onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de daarin opgenomen berekeningen op zichzelf juist zijn.

37. Uit het deskundigenrapport volgt dat bij doorrekening van 2.000 scenario’s de uitkomst is dat de pensioenuitkeringen gemiddeld voor 58% worden gefinancierd uit beleggingsrendement en het overige deel uit premies. Hiermee is echter niet vastgesteld op grond van welke variabelen een individueel pensioen berekend wordt. De rechtbank leidt uit het BPL-arrest af, in het bijzonder rechtsoverwegingen 47 en 50, dat op grond van het pensioenreglement moet worden beoordeeld hoe het pensioen berekend wordt. Het is dus van belang om vast te stellen welke rechten deelnemers hebben bij deelname in belanghebbende. Die rechten zijn vastgelegd in het pensioenreglement. Zoals hiervoor geoordeeld (punten 30. tot en met 32.) volgt uit de rechten die zijn vastgelegd in het pensioenreglement dat het beleggingsrendement van belanghebbende bij het bepalen van het bedrag aan pensioenrechten of pensioen een te indirecte en te zeer beperkte rol speelt.

38. In het deskundigenrapport is berekend welke invloed de indexatie en korting gemiddeld genomen hebben op de (procentuele) afwijking ten opzichte van het normpensioen. Weliswaar blijkt uit het rapport dat pensioenaanspraken en uitkeringen voor een belangrijk deel worden betaald uit beleggingsresultaten, zodat er vanuit financieringsperspectief zeker een belangrijk verband bestaat, maar op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat de toeslagen op grond van de aanpassingscoëfficiënt, de winstdeling en de korting, op basis van het pensioenreglement, in de eerste plaats afhankelijk zijn van het beleggingsrendement. Zoals hiervoor is geoordeeld volgt uit het pensioenreglement dat de toeslagen op grond van de aanpassingscoëfficiënt en de korting niet afhangen van de werkelijke beleggingsresultaten van belanghebbende. Het beleggingsrendement van belanghebbende is bij de winstdelingsregeling weliswaar een factor die in aanmerking wordt genomen. Maar uit het deskundigenrapport volgt niet op welke wijze en in welke mate het beleggingsrendement van belanghebbende via de winstdelingsregeling van invloed is op het bedrag van de pensioenaanspraken en rechten. De winstdelingsregeling is in het deskundigenrapport helemaal niet afzonderlijk vermeld.

39. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de deelnemers in belanghebbende geen beleggingsrisico lopen in de zin van de vrijstellingsbepaling. In zoverre kan belanghebbende niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt.

Vergelijking met een DC-pensioenregeling

40. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 19 september 2014 aan de Tweede Kamer zijn standpunt gegeven over de toepassing van de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet OB bij pensioenfondsen. De staatssecretaris stelt zich in de brief op het standpunt dat een DC-pensioenregeling een gemeenschappelijk beleggingsfonds is. De staatssecretaris baseert zijn standpunt in wezen op de aanname dat bij een individuele DC-pensioenregeling de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Daarnaast kunnen bepaalde collectieve DC-pensioenregelingen ook als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt, namelijk als de pensioenaanspraken op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd als bij individuele DC-pensioenregelingen.

41. Het ligt op de weg van belanghebbende om de relevante feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die kunnen leiden tot een oordeel dat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds.

42. Belanghebbende heeft geen concrete feiten gesteld over de juridische en financiële positie van deelnemers in één of meerdere andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt. Belanghebbende heeft wel gesteld dat de verschillende regelingen met elkaar concurreren doordat ze vanuit juridisch en financieel oogpunt dezelfde eigenschappen hebben, dat deze regelingen voor de deelnemer in dezelfde behoeften voorzien en dat tussen beide regelingen geen verschillen bestaan die de keuze van de gemiddelde pensioendeelnemer aanmerkelijk beïnvloeden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur zijn deze (blote) stellingen onvoldoende om tot het oordeel te komen dat belanghebbende (bezien vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer) vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

Tussenconclusie

43. Omdat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een icbe en ook niet vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt, is belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds.

44. Omdat belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, is de vrijstelling niet van toepassing op de diensten van de buitenlandse vermogensbeheerders. Belanghebbende heeft terecht omzetbelasting voldaan voor deze diensten. Belanghebbende heeft over het derde kwartaal 2011 daarom niet te veel omzetbelasting op aangifte voldaan en heeft geen recht op een teruggaaf.

Conclusie en gevolgen

45. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf krijgt. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. R.W.J. van der Struijk, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026100715
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand