RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de Raad
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/389
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
(gemachtigde: [persoon] ).
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van de Raad om een eerder toegekende vergoeding voor rechtsbijstand in te trekken. Eiser is het hiermee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat hij zonder goede reden niet eerst bezwaar heeft gemaakt bij de Raad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft in een eerdere bestuursrechtelijke procedure rechtsbijstand ontvangen van zijn gemachtigde. Hiervoor is door de Raad een vergoeding toegekend op grond van de Wet op de rechtsbijstand. Het advocatenkantoor waar de gemachtigde werkzaam is, heeft met de Raad een High Trustconvenant gesloten waarin overeengekomen is dat de toevoegingsaanvragen en declaraties steekproefsgewijs achteraf worden gecontroleerd.
Met het besluit van 6 maart 2025 heeft de Raad naar aanleiding van een steekproef een eerder ten behoeve van eiser verstrekte vergoeding ingetrokken.
De gemachtigde heeft persoonlijk bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 maart 2025.
Met het bestreden besluit van 29 september 2025 heeft de Raad dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en hen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank legt hierna uit waarom zij het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaart.
Eiser is het niet eens met de intrekking van de vergoeding. Hij vindt dat de Raad zijn eerdere bestuursrechtelijke procedure niet als eenvoudig had mogen aanmerken, met de hiervoor genoemde uitkomst tot gevolg. Eiser vindt ook dat de Raad hiermee in strijd handelt met de doelstellingen van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Ook handelt de Raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel, door aan andere advocaten in vergelijkbare gevallen wel reguliere toevoegingen te verstrekken.
De Raad vindt dat alleen de gemachtigde is aan te merken als belanghebbende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt namelijk dat bij een besluit tot vaststelling van de vergoeding uitsluitend de rechtsbijstandverlener een rechtstreeks belang heeft. Eiser is dus geen belanghebbende, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Inhoudelijk is wat eiser aanvoert voor de Raad geen aanleiding om terug te komen op het bestreden besluit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het belang van de rechtzoekende niet rechtstreeks is betrokken bij een besluit waarbij de hoogte van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding is vastgesteld. Eiser is dus niet aan te merken als belanghebbende, zoals de Raad terecht stelt. De Raad heeft dan ook gelijk dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat alleen een belanghebbende beroep kan instellen bij de bestuursrechter.
En zelfs als eiser als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt, dan zou zijn beroep om nog een andere reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Eiser heeft namelijk niet zelf bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 maart 2025. In dat geval is het voor hem niet mogelijk om beroep in te stellen tegen de beslissing op (het door zijn gemachtigde persoonlijk gemaakte) bezwaar. Dat wordt niet anders doordat het in de bezwaarfase ging over een ten behoeve van eiser eerder verstrekte en vervolgens ingetrokken vergoeding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.