RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de minister van Financiën, de minister
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/369
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en
(gemachtigde: mr. H. Polat).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om een schuld van haar over te nemen, wat de minister gedeeltelijk heeft geweigerd. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke weigering van de minister om de schuld over te nemen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag gedeeltelijk mocht afwijzen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de door eiseres gestelde schuld bestaat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de Sociale Banken Nederland, een uitvoeringsorganisatie van de minister, gevraagd om de overname van een diverse schulden bij verschillende schuldeisers.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 februari 2024 gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 14.130,69 en voor het overige afgewezen.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eisers heeft de minister aanvullend een bedrag van € 1.000 aan schuld overgenomen. Voor het overige is hij bij zijn eerdere besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en hen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben de rechtbank laten weten het daarmee eens te zijn. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank legt hierna uit waarom zij het beroep van eiseres ongegrond verklaart.
Onder voorwaarden kunnen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Een schuld moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
de schuld is ontstaan na 31 december 2005, en
de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar, en
de schuld niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Eiseres stelt in beroep alleen nog ter discussie dat de minister ten onrechte heeft besloten om haar schuld bij [x] gerechtsdeurwaarders niet over te nemen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit alleen wat dit onderdeel betreft beoordelen.
Eiseres vindt dat haar schuld door de minister moet worden overgenomen. De (na bezwaar gehandhaafde) weigering van de minister is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres vindt het onterecht dat de minister haar schuld niet overneemt, enkel omdat de schuldeiser niet reageert op informatieverzoeken van de minister. De contactpogingen van de minister – een schriftelijk verzoek aan de schuldeiser en een telefonische contactpoging – vindt eiseres onvoldoende. Verder is tijdens de hoorzitting in bezwaar door de minister toegezegd dat nader onderzoek zal worden gedaan. Dat is volgens eiseres ten onrechte nagelaten, omdat niet is gebleken dat de minister (nogmaals) contact heeft gezocht met de schuldeiser.
De minister blijft erbij dat hij de schuld van eiseres niet hoeft over te nemen. Al in het besluit van 21 februari 2024 staat dat er onvoldoende gegevens zijn om het bestaan, de omvang en de opeisbaarheid van de schuld te beoordelen. Eiseres heeft slechts een naam van de schuldeiser en een klantnummer verstrekt, maar verder geen controleerbare stukken die nodig zijn om de opgegeven schuld verder te beoordelen (zoals een factuur of een openstaand bedrag). De minister heeft twee keer schriftelijk met de schuldeiser contact gezocht. Hierop is niet door de schuldeiser gereageerd. Toen de minister telefonisch contact zocht, bleek het opgegeven telefoonnummer niet meer in gebruik. Een van de twee naamgevers van het gerechtsdeurwaarderskantoor blijkt met pensioen te zijn en het kantoor lijkt niet meer te bestaan. Op het adres van het kantoor staat inmiddels een belastingadvieskantoor ingeschreven. De minister vindt dat hij in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de schuld van eiseres niet overneemt en dat hij die beslissing ook zorgvuldig heeft voorbereid.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eiseres dient bij de minister een aanvraag in om haar schuld over te nemen. Als aanvrager is zij verplicht om gegevens en stukken aan de minister te geven die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Het moet dan wel gaan om gegevens en stukken waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daarnaast staat dat de minister zorgvuldig onderzoek moet doen voordat hij een besluit neemt, en dat hij zijn besluit goed moet motiveren.
De rechtbank vindt dat de minister het bestreden besluit zorgvuldig heeft voorbereid en goed heeft gemotiveerd. Eiseres stelt dat zij een schuld heeft bij [x] gerechtsdeurwaarders, maar heeft daar – anders dan een klantnummer – verder geen gegevens over verstrekt. Het is daardoor niet aannemelijk geworden of er überhaupt een schuld bestaat en wat het bedrag van de schuld zou zijn. Ook is niet aannemelijk geworden dat aan de overige (in overweging 3.1. genoemde) wettelijke criteria is voldaan om de schuld over te nemen. De minister heeft zelf nog een onderzoek ingesteld. Daaruit lijkt naar voren te komen dat de door eiseres genoemde schuldeiser niet meer bestaat. Eiseres heeft geen informatie verstrekt waaruit het tegendeel kan blijken. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken niet in welk onderzoek de minister nog meer had moeten doen. De rechtbank vindt verder dat de minister goed heeft gemotiveerd waarom hij de schuld van eiseres niet overneemt, voor zover die schuld (nog) bestaat.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.