RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/076417-26
Datum uitspraak : 23 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
raadsman: mr. M.P. Kloppenburg, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2026 te Wageningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meer explosieven en/of vuurwerk(bommen) en/of brandende goederen af te laten gaan en/of neer te leggen bij de voordeur en/of gevel van [bedrijf] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan - gemeen gevaar voor de in het café bevindende meubels/inventaris en/of zich rondom het café bevindende goederen, te weten een of meer (tuin)stoelen, terrasmeubels, aangrenzende/ omliggende woningen en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners en/of aanwezigen van/bij aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen en/of overige weggebruikers en/of voorbijgangers, te duchten was;
subsidiair [medeverdachte] , op of omstreeks 13 maart 2026 te Wageningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meer explosieven en/of vuurwerk(bommen) en/of brandende goederen af te laten gaan en/of neer te leggen bij de voordeur en/of gevel van [bedrijf] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan- gemeen gevaar voor de in het café bevindende meubels/inventaris en/of zich rondom het café bevindende goederen, te weten een of meer (tuin)stoelen, terrasmeubels, aangrenzende/ omliggende woningen/gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners en/of aanwezigen van/bij aangrenzende/ omliggende woningen/ gebouwen en/of overige weggebruikers en/of voorbijgangers, te duchten wasbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 13 maart 2026 te Rotterdam en/of Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door- voorafgaand aan en/of na de explosie contact te hebben en/of leggen met die [medeverdachte] en/of met een onbekend gebleven derde,- met zijn voertuig die [medeverdachte] in Rotterdam op te halen en/of af te zetten op de Walstraat te Wageningen, althans in de nabije omgeving waar voornoemde explosie heeft plaatsgevonden,- in de nabije omgeving waar voornoemde explosie heeft plaatsgevonden op die [medeverdachte] te wachten en/of (vervolgens) na de explosie die [medeverdachte] te vervoeren en/of- voorafgaand aan en/of na voornoemde explosie het (vlucht) voertuig te besturen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Voor het onderdeel levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft hij tot vrijspraak gerekwireerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek omdat er geen sprake van was een redelijk vermoeden van overtreding van de Wet Wapens en Munitie en het voertuig van verdachte daarom onrechtmatig is doorzocht. Het geschonden belang is de privacy van verdachte. Het onherstelbare vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering.
De raadsman heeft verder bepleit dat het primair tenlastegelegde medeplegen en het levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Er is hooguit sprake van de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid.
Beoordeling door de rechtbank
Vormverzuim?
Alhoewel de verdediging heeft aangegeven dat het gestelde vormverzuim strafvermindering tot gevolg dient te hebben, zal de rechtbank dit verweer omwille van de leesbaarheid hier behandelen.
De rechtbank is van oordeel dat door verdachte ondubbelzinnig toestemming is gegeven tot doorzoeking van zijn auto. Dat de vraag door de verbalisant mogelijk op een enigszins dwingende manier is gesteld, doet daar niet aan af. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim. Het verweer wordt verworpen.
De bewijsmiddelen
Op 13 maart 2026 heeft een ontploffing plaatsgevonden bij [bedrijf] aan [adres] in Wageningen. De eigenaar, [aangever] , heeft aangifte gedaan van vernieling van de voordeur van het café. De voordeur en de hal waren beschadigd door de ontploffing. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bekend dat zij deze ontploffing heeft veroorzaakt. Ze had de opdracht gekregen om een tas op te halen waarin een fles benzine zat met een klein flesje en zij herkende de C6 Cobra. Met deze tas is zij bij verdachte in de auto gestapt en zijn zij naar Wageningen gereden. Toen zij bij het café aankwam legde zij beide flessen neer en stak het kleine flesje aan. Daarna heeft zij de ontploffing gefilmd. Vervolgens is zij terug gerend naar de auto van verdachte en zijn zij teruggereden. Het filmpje moest zij delen in Signal-groepsapp met daarin een aantal andere personen.
Verdachte heeft verklaard dat aan hem op 12 maart 2026 was gevraagd om een ritje naar Wageningen te doen en dat hij daar € 400,- voor zou krijgen. Vooraf had verdachte voor een enkeltje naar Wageningen een bedrag van € 80,- in gedachte. In de avond werd hij in een Signal-groepsapp toegevoegd. Hij moest iemand heen en weer brengen en die persoon moest iets plakken. Tijdens de autorit kwam hij erachter dat het om een C6 Cobra ging en toen gingen er wel alarmbellen bij verdachte af.
In de telefoons van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is een groepschat aangetroffen met daarin vier gebruikers met de gebruikersnamen: ‘ [account 1] ’ (onbekend gebleven persoon), ‘ [account 2] ’ (onbekend gebleven persoon), ‘ [account 3] ’ (zijnde medeverdachte, hierna: [medeverdachte] ), ‘ [account 4] ’ (zijnde verdachte). Onder meer zijn de volgende berichten tussen hen verstuurd op 13 maart 2026:
De politie heeft beschreven dat zich direct boven het [bedrijf] studentenwoningen bevinden, net als naast het café. Aan de overzijde van het café bevindt zich een parkeerplaats die op donderdagavond over het algemeen vol staat. Het dichtstbijzijnde voertuig stond ten tijde van de ontploffing op ongeveer 3 meter van de voordeur van het café geparkeerd.
Gemeen gevaar voor goederen
De rechtbank is van oordeel dat door het teweegbrengen van de ontploffing gemeen gevaar voor goederen is te duchten was. In ieder geval de deur en de hal van het café zijn daadwerkelijk beschadigd geraakt.
Levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging het tenlastegelegde levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen. In het dossier bevindt zich geen althans onvoldoende informatie over (de kracht van) het middel waarmee de explosie is veroorzaakt om iets te kunnen zeggen over de aanmerkelijke kans op levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
Medeplegen
Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van - kort gezegd - het teweeg brengen van een ontploffing en als dat niet kan worden bewezen, dan luidt de beschuldiging (subsidiair) dat hij medeplichtig is aan het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing. De rechtbank dient dus allereerst vast te stellen of sprake is van enige rol van verdachte om die vervolgens te kwalificeren.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte is door een ander, een onbekend gebleven persoon, verzocht om iemand (medeverdachte [medeverdachte] ) op te halen en te brengen naar Wageningen voor een geld bedrag dat veel hoger was dan verdachte normaal zou hebben gerekend. Hij wist op dat moment niet precies wat hij ging doen. Nadat hij was toegevoegd aan een groepschat kreeg hij het plan te horen: er moest iets ‘geplakt’ worden door degene die hij moest vervoeren. In de groepschat ontvingen zij het adres waar ze naar toe moesten. Daarna heeft verdachte medeverdachte [medeverdachte] opgehaald. Tijdens de rit kreeg hij van de medeverdachte te horen dat er een C6 (Cobra 6) geplakt moest gaan worden. Na de ontploffing is hij samen met de medeverdachte vertrokken en teruggereden naar Rotterdam. Gedurende de uitvoering van het delict heeft verdachte de opdrachtgever meerdere malen in de groepschat op de hoogte gehouden: hij heeft bevestigd dat ze samen zijn, hij heeft laten weten hoe laat ze zijn vertrokken en hij heeft laten weten dat de medeverdachte op weg is (om de Cobra 6 te plaatsen). De vraag is vervolgens of deze rol van verdachte als die van een medepleger of die van een medeplichtige moet worden aangeduid.
Van medeplegen is sprake indien verdachte en zijn medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. Bewuste nauwe samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang daarvan, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Van medeplichtigheid is sprake indien verdachte het door een ander begane misdrijf bevorderd en/of vergemakkelijkt heeft.
De rol van verdachte ging verder dan het enkel bevorderen en/of vergemakkelijken van het teweeg brengen van een ontploffing. Verdachte heeft voorafgaand aan de ontploffing een sleutelrol gespeeld door de medeverdachte met de auto te brengen naar de plaats delict. Toen verdachte weet kreeg van de plannen om een Cobra te plakken en aan te steken bij de deur van een café, heeft hij zich niet teruggetrokken noch heeft hij medeverdachte proberen te overtuigen om het niet te doen. Op meerdere momenten heeft verdachte zich kunnen onttrekken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte heeft daarnaast een actieve rol gespeeld door de opdrachtgever op de hoogte te houden van hun vorderingen onderweg, waaronder het feit dat de medeverdachte op weg was om de ontploffing teweeg te brengen. Verdachte heeft ten slotte in de auto gewacht tot de medeverdachte de ontploffing teweeg had gebracht en vervolgens zijn beiden weggereden.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Er is sprake van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen op 13 maart 2026 in Wageningen. Daarmee is verdachte schuldig aan het primair ten laste gelegde feit.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2026 te Wageningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meer explosieven en/of vuurwerk(bommen) en/of brandende goederen af te laten gaan en/of neer te leggen bij de voordeur en/of gevel van [bedrijf] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan - gemeen gevaar voor de in het café bevindende meubels/inventaris en/of zich rondom het café bevindende goederen, te weten een of meer (tuin)stoelen, terrasmeubels, aangrenzende/ omliggende woningen en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners en/of aanwezigen van/bij aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen en/of overige weggebruikers en/of voorbijgangers, te duchten was;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het geringe aandeel van verdachte bij het delict, zijn jonge leeftijd en de omstandigheid dat de reclassering aanknopingspunten ziet voor het toepassen van het jeugdstrafrecht en verdachte (dus) ontvankelijk zou zijn voor pedagogische beïnvloeding. De raadsman acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering passend.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Bij een café in Wageningen heeft de mededader van verdachte een zogenaamde cobra 6 met een fles benzine geplaatst en aangestoken in opdracht van een onbekend gebleven persoon. Door de verdachte werd de mededader naar Wageningen en terug vervoerd. Via een groepschat werden beiden geïnstrueerd en hielden zij de opdrachtgever op de hoogte. De explosie heeft schade veroorzaakt aan de deur en hal van het café. Naast die schade heeft de explosie angst, stress en ongerief veroorzaakt bij de eigenaar van het café en de bewoners rondom het café. Een explosie op de openbare weg in het centrum van de stad brengt daarbij ook meer in het algemeen grote gevoelens van onveiligheid met zich en zorgt voor onrust in de maatschappij. Hoewel de motieven voor het teweegbrengen van de explosie niet volledig duidelijk zijn geworden, lijkt het er sterk op dat er die nacht sprake was van een bedreiging aan het adres van de zoon van de eigenaar van het café.
Strafblad
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 6 juli 2026 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.
Reclasseringsadvies
In het reclasseringsadvies van 28 augustus 2026 staat vermeld dat verdachte een belast verleden kent en dat er problemen zijn op diverse leefgebieden waarvan sommige een (belangrijke) rol hebben gespeeld in de totstandkoming van het delict. De financiële situatie van verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding worden als direct delict gerelateerde criminogene factoren beschouwd. Het risico op herhaling wordt ingeschat op gemiddeld-hoog.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijk straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan diagnostiek en een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer in deze zaak en zijn gezinsleden, een locatieverbod voor de gemeente Wageningen en/of Rhenen met elektronische monitoring, een locatiegebod voor het verblijfadres van verdachte met elektronische monitoring, meewerken aan dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
De op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opleggen waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 15.278,80 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 577,41 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van [benadeelde] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering (tot materiële schade én smartengeld) moet worden verklaard omdat geen sprake is van rechtstreekse schade en een nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot smartengeld van de benadeelde partij [aangever] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Verder vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en is hij van oordeel dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade moet worden verklaard omdat de onderbouwing ervan summier is en onvoldoende geverifieerd. Daarnaast zijn diverse posten betwistbaar. De behandeling van de vordering levert derhalve een onevenredige belasting voor het strafproces op.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit wordt betwist. Volgens de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat [benadeelde] het beoogde doelwit van de aanslag was.
Subsidiair heeft de verdediging betwist dat de benadeelde inkomstenderving heeft gehad omdat hij de opdrachtovereenkomst al had en de werkzaamheden op een andere dag kan hebben verricht.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard ten aanzien van de gevorderde materiële schade, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en niet verifieerbaar is. De vordering is te ingewikkeld voor het strafproces. Ook een schatting is daarom niet aangewezen. Voor wat betreft het smartengeld moet er rekening mee gehouden worden dat benadeelde partij niet zelf aanwezig was ten tijde van de ontploffing, zodat een bedrag van € 2.000,- meer passend is.
De beoordeling door de rechtbank
De vordering van [benadeelde]
In het licht van de gemotiveerde betwisting, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van rechtstreekse schade op grond waarvan [benadeelde] kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vordering van [aangever]
Materiele schade
De benadeelde heeft een bedrag van € 14.673,80 exclusief btw aan winstderving gevorderd en een bedrag van € 605,- inclusief btw voor het opstellen van de schadeberekening gevorderd. In het licht van de gemotiveerde betwisting, is de vordering op dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij tot een nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte samen met anderen midden in de nacht opzettelijk een explosie/bomaanslag heeft veroorzaakt bij het café van benadeelde. Deze explosie vond niet plaats in de eigen woning van benadeelde en evenmin was hij aanwezig in het café. Wel was het een sluitstuk van eerdere aanslagen, aangezien voorafgaand aan deze explosie een aanslag werd gepleegd bij de woning van benadeelde en bij de vriendin van zijn zoon. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een bedreiging aan het adres van de zoon van benadeelde, hoewel het motief van de dader/opdrachtgever niet geheel duidelijk is geworden. De explosie op 13 maart 2026 (het bewezenverklaarde feit) heeft bij benadeelde een schok teweeg gebracht. Hij ervaart door de explosie reële gevoelens van angst en hij kamt met slapeloosheid, hypervigilantie en vermijdingsgedrag. Er is een fundamenteel gevoel van veiligheid weggeslagen door de explosie. Blijkens een e-mail van de huisarts is er bij benadeelde PTSS geconstateerd waarvoor hij psychologische behandeling ondergaat bij [instelling] in Ede. Dat de PTSS (geestelijk letsel) een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit is in het licht van de gemotiveerde betwisting echter onvoldoende onderbouwd.
Gelet op de aard en de evidente ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer wel is aangetast in zijn persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 onder b BW.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal op basis van wat op dit moment door of namens benadeelde is onderbouwd, gebleken en vastgesteld, het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- worden vastgesteld.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat een nadere onderbouwing en zo nodig bewijslevering van nadere (psychische) gevolgen en immateriële schade tot een hoger schadebedrag zou kunnen leiden, maar dat deze nadere onderbouwing en bewijslevering een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf het ontstaan van de schade (13 maart 2026) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconisstraat 2 te Rotterdam.
- verdachte meewerkt aan psychodiagnostisch onderzoek door forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Hij verleent hieraan zijn volledige medewerking. Ook zal hij meewerken aan een ambulante behandeling gericht op het aanleren van meer passende cognitieve vaardigheden. Verdachte zal zich dan houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
o [aangever] (geboortedatum: [geboortedag] 1965);
o [benadeelde] (geboortedatum: [geboortedag] 2002);
o [persoon 1] (geboortedatum: [geboortedag] 2003);
o [persoon 2] (geboortedatum [geboortedag] 1979);
o [medeverdachte] (geboortedatum [geboortedag] 2006);
zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de gemeente Wageningen en/of Rhenen, zolang het openbaar ministerie dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in (een bepaald deel van) het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. De aansluiting vindt plaats in de penitentiaire inrichting;
- verdachte gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient verdachte op alle dagen 8 uur op het verblijfadres te zijn. De reclassering kan tijdens de proeftijd de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. De aansluiting vindt plaats in de penitentiaire inrichting;
- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van, door de reclassering verifieerbaar, betaald- of vrijwilligers werk en/of opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
o meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
o meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]
veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade en smartengeld.