RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/076415-26
Datum uitspraak : 23 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan het [adres] [woonplaats] ,
verblijvende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. S. Striekwold, advocaat in Doetinchem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 13 maart 2026 te Wageningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meer explosieven en/of vuurwerk(bommen) en/of brandende goederen af te laten gaan en/of neer te leggen bij de voordeur en/of gevel van [bedrijf] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan- gemeen gevaar voor de in het café bevindende meubels/inventaris en/of zich rondom het café bevindende goederen, te weten een of meer (tuin)stoelen,terrasmeubels, aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners en/of aanwezigen van/bij aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen en/of overige weggebruikers en/of voorbijgangers, te duchten was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Voor het onderdeel levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft hij tot vrijspraak gerekwireerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onderdeel levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Beoordeling door de rechtbank
Met uitzondering van het tenlastegelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
Levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, het tenlastegelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen. In het dossier bevindt zich geen, althans onvoldoende informatie over (de kracht van) het middel waarmee de explosie is veroorzaakt om iets te kunnen zeggen over de aanmerkelijke kans op levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op of omstreeks 13 maart 2026 te Wageningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meer explosieven en/of vuurwerk(bommen) en/of brandende goederen af te laten gaan en/of neer te leggen bij de voordeur en/of gevel van [bedrijf] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan- gemeen gevaar voor de in het café bevindende meubels/inventaris en/of zich rondom het café bevindende goederen, te weten een of meer (tuin)stoelen,terrasmeubels, aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners en/of aanwezigen van/bij aangrenzende/omliggende woningen en/of gebouwen en/of overige weggebruikers en/of voorbijgangers, te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie volgt het advies van de reclassering dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast en heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft hij gevorderd om de leerstraf SoCool van 40 uur en een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen jeugddetentie op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte tegen de van buiten komende vragen geen weerstand durfde te bieden vanwege bedreigingen, hetgeen haar verwijtbaarheid vermindert. Verzocht is het jeugdstrafrecht toe te passen en aan haar een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest van 15 dagen. Daarnaast is verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Bij een café in Wageningen heeft zij een zogenaamde cobra 6 met een fles benzine geplaatst en aangestoken in opdracht van een onbekend gebleven persoon. De ontploffing heeft zij gefilmd en aan de opdrachtgever verstuurd. Door de medeverdachte werd zij naar Wageningen en terug vervoerd. Via een groepschat werden beiden geïnstrueerd en hielden zij de opdrachtgever op de hoogte. De explosie heeft schade veroorzaakt aan de deur en hal van het café. Naast die schade heeft de explosie angst, stress en ongerief veroorzaakt bij de eigenaar van het café en de bewoners rondom het café. Een explosie op de openbare weg in het centrum van de stad brengt daarbij ook meer in het algemeen grote gevoelens van onveiligheid met zich en zorgt voor onrust in de maatschappij. Hoewel de motieven voor het teweegbrengen van de explosie niet volledig duidelijk zijn geworden, lijkt het er sterk op dat er die nacht sprake was van een bedreiging aan het adres van de zoon van de eigenaar van het café. Verdachte stelt dat zij onder druk is overgegaan tot het bewezenverklaarde feit maar daarvan is niets gebleken en dat acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk.
Reclasseringsadvies
In het reclasseringsadvies van 25 augustus 2026 staat vermeld dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Daarbij lijkt er sprake te zijn van beïnvloedbaarheid, een gebrek aan weerbaarheid en het onvoldoende overzien van de gevolgen van haar daden op zowel de korte als de lange termijn. Gelet op de leeftijd van verdachte, de sociale situatie ten tijde van het bewezenverklaarde, de pedagogische invloeden en de handelingsvaardigheden, adviseert de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht.
Verder staat in het rapport vermeld dat er risicofactoren worden gezien binnen verschillende leefgebieden waaronder huisvesting, dagbesteding en het psychosociale functioneren van verdachte. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Er wordt meerwaarde gezien in een reclasseringstoezicht met daarbij bijzondere voorwaarden. Het huidige schorsingstoezicht verloopt goed en verdachte lijkt gebaat te zijn bij de begeleiding die zij krijgt vanuit de William Schrikker Stichting. Dit wordt ook het meest passend geacht door de reclassering, gezien de aanwezige problematiek.
Gelet op de risicofactoren en het gebrek aan overkoepelende stabiliteit acht de reclassering het noodzakelijk dat het toezicht door de (jeugd)reclassering wordt voorgezet. Zij adviseert als bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte zal meewerken aan toezicht met een meldplicht, dat zij zal meewerken aan een gedragsinterventie die is gericht op cognitieve vaardigheden, dat zij zal verblijven in een begeleid wonen instelling of maatschappelijke opvang, dat zij geen contact zal opnemen met de medeverdachte en dat zij zal meewerken aan dagbesteding en hulpverlening.
De op te leggen straf
Gezien het advies van de reclassering zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank de oplegging van een (onvoorwaardelijke) jeugddetentie voor langere duur passend en geboden. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest van 15 dagen geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het is maatschappelijk niet uit te leggen dat een verdachte, die in opdracht of op verzoek van een ander een vuurwerkbom laat exploderen bij een pand op de openbare weg, waarbij in dit geval slechts gevaar is veroorzaakt voor goederen maar waar het vele malen slechter had kunnen uitpakken, een zeer beperkte jeugddetentie krijgt opgelegd. Het gemak waarmee jonge verdachten overgaan tot zeer ernstige feiten, zoals in dit geval, baart de rechtbank ernstig zorgen en door het opleggen van navolgende straf wil zij dan ook een signaal doen uitgaan. Zoals gezegd, de rechtbank vindt het niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van druk of dwang, zodat op die grond geen lagere straf zal worden opgelegd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van 11 maanden opleggen, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. Verder zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opleggen dat verdachte moet meewerken aan diagnostiek of persoonlijkheidsonderzoek en aan een eventuele behandeling die daaruit voortvloeit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hier baat bij kan hebben.
Ook zal de rechtbank de geadviseerde training So-Cool en wel als leerstraf voor de duur van 40 uren opleggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, zoals de reclassering heeft verzocht.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 15.278,80 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 577,41 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van [benadeelde] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering (tot materiële schade én smartengeld) moet worden verklaard omdat geen sprake is van rechtstreekse schade en een nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot smartengeld van de benadeelde partij [aangever] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Verder vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en is hij van oordeel dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade moet worden verklaard omdat de onderbouwing ervan summier is en onvoldoende geverifieerd. Daarnaast zijn diverse posten betwistbaar. De behandeling van de vordering levert derhalve een onevenredige belasting voor het strafproces op.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde] en [aangever] dienen te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen moet worden verklaard. Het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit wordt betwist.
De verdediging heeft subsidiair gesteld
De beoordeling door de rechtbank
De vordering van [benadeelde]
In het licht van de gemotiveerde betwisting is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment onvoldoende onderbouwd om te kunnen beoordelen of sprake is van rechtstreekse schade op grond waarvan [benadeelde] kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering. Een nader debat op deze punten levert een wat de rechtbank betreft een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vordering van [aangever]
Materiele schade
De benadeelde heeft een bedrag van € 14.673,80 exclusief btw aan winstderving en een bedrag van € 605,- inclusief btw voor het opstellen van de schadeberekening gevorderd. In het licht van de gemotiveerde betwisting is zowel het causaal verband als de gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij tot een nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte samen met anderen midden in de nacht opzettelijk een explosie/bomaanslag heeft veroorzaakt bij het café van benadeelde. Deze explosie vond niet plaats in de eigen woning van benadeelde en evenmin was hij aanwezig in het café. Wel was het een sluitstuk van eerdere aanslagen, aangezien voorafgaand aan deze explosie een aanslag werd gepleegd bij de woning van benadeelde en bij de vriendin van zijn zoon. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een bedreiging aan het adres van de zoon van benadeelde, hoewel het motief van de dader/opdrachtgever niet geheel duidelijk is geworden. De explosie op 13 maart 2026 (het bewezenverklaarde feit) heeft bij benadeelde een schok teweeggebracht. Hij ervaart door de explosie reële gevoelens van angst en hij kampt met slapeloosheid, hypervigilantie en vermijdingsgedrag. Er is een fundamenteel gevoel van veiligheid weggeslagen door de explosie. Blijkens een e-mail van de huisarts is er bij benadeelde PTSS geconstateerd waarvoor hij psychologische behandeling ondergaat bij [instelling] in Ede. Dat de PTSS (geestelijk letsel) een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit is in het licht van de gemotiveerde betwisting echter onvoldoende onderbouwd.
Gelet op de aard en de evidente ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer wel is aangetast in zijn persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 onder b BW.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal op basis van wat op dit moment door of namens benadeelde is onderbouwd, gebleken en vastgesteld, het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- worden vastgesteld.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat een nadere onderbouwing en zo nodig bewijslevering van nadere (psychische) gevolgen en immateriële schade tot een hoger schadebedrag zou kunnen leiden, maar dat deze nadere onderbouwing en bewijslevering een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf het ontstaan van de schade (13 maart 2026) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en het gebrek aan een inkomen zal de rechtbank geen gijzeling opleggen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en haar medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover haar medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 11 maanden;
- verdachte zich zal melden bij jeugdreclassering Willem Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling jeugdreclassering (adres: Paasheuvelweg 9 (1105 BE Amsterdam; tel: 088-5260000), binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoekt of heeft met [medeverdachte] , geboren [geboortedag] 2003 (medeverdachte);
- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk of het volgen van een opleiding en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht;
- verdachte meewerkt aan diagnostiek en/of persoonlijkheidsonderzoek en de behandeling die de jeugdreclassering op basis daarvan noodzakelijk acht;
stelt als overige voorwaarden dat:
- verdachte haar medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- verdachte haar medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
een werkstraf in de vorm van een leerstraf voor de duur van 40 uur, te weten de training So-Cool Regulier met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]
veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade en smartengeld.