uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026
in de zaak tussen
[bedrijf] uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Ede, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het college van 18 februari 2025. Met dat besluit heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster zijn besluit van 12 september 2024, waarbij het Woo-verzoek van verzoekster over de openbaarmaking van documenten met betrekking tot de afkoppeling van regenwater van de openbare verhindering en daken in Bennekom-Oost over de periode januari 2010 tot 17 juli 2024 buiten behandeling is gesteld, heroverwogen en dat besluit in stand gelaten. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat het college bepaalde documenten met betrekking tot de afkoppeling alsnog heeft overgelegd aan verzoekster.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het niet bereid is de proceskosten te vergoeden. Het is van mening dat het niet is tegemoetgekomen aan het beroep, maar dat de intrekking van het beroep uitsluitend het gevolg is geweest van gevoerde gesprekken en de daarbij toelichtende informatie. Het college ziet wel aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan het beroep is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener van het beroep dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan het beroep van verzoekster is tegemoetgekomen.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 18 februari 2025, waarbij het college is gebleven bij de beslissing om het Woo-verzoek van verzoekster buiten behandeling te stellen wegens misbruik. Nadat de rechtbank het beroep van verzoekster had doorgestuurd naar het college heeft het college nadere informatie verstrekt aan de rechtbank. Hierin is onder meer vermeld dat op 26 maart 2026 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen het college en verzoekster over het Woo-verzoek en de informatiebehoefte van verzoekster. Daarna heeft nog een tweede gesprek plaatsgevonden op 26 maart 2026, waarna op 2 april 2026 informatie is verstrekt aan verzoekster. Uit een e-mailbericht van 2 april 2026 volgt dat een medewerker van de gemeente Ede via een link enkele bestanden heeft toegestuurd aan verzoeker die zien op het afkoppelen in Bennekom-Oost. Onder meer is hierin genoemd een rapport [x] , wat volgens deze medewerker door verzoekster is aangeduid als ‘risicoanalyse’. De rechtbank stelt vast dat verzoekster in haar Woo-verzoek onder meer gevraagd heeft om een risicoanalyse. Nu voor de rechtbank vast staat dat het college documenten heeft gestuurd aan verzoekster over het afkoppelen in Bennekom-Oost, waaronder in ieder geval een document waar eiseres in haar verzoek om heeft gevraagd, is het college geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep.
5. De rechtbank betrekt hierbij nog dat uit de hiervoor genoemde brief van het college volgt dat in de gesprekken met verzoekster de afspraak is gemaakt dat het beroepschrift zou worden ingetrokken indien het college zou voorzien in de gespecificeerde informatiebehoefte en dat zou worden voorgesteld om aanvullende afspraken te maken over een eventuele vergoeding van proceskosten in bezwaar en griffierechten. De mogelijkheid dat dit resultaat zonder de beroepsprocedure misschien ook zou kunnen zijn bewerkstelligd, zoals het college in zijn reactie heeft vermeld, doet daar niets van af. De rechtbank veroordeelt het college dan ook in de door verzoekster redelijkerwijs gemaakte proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het college vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Dit betekent dat verzoekster een vergoeding van haar proceskosten krijgt. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. De kosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezwaar worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Hoewel formeel hiervan niet is gebleken, is er naar het oordeel van de rechtbank materieel wel sprake van; er is ten slotte anders dan in het besluit van 12 september 2024 is beslist een aantal documenten over afkoppelen in Bennekom-Oost verstrekt. De rechtbank veroordeelt het college dan ook in de kosten van de bezwaarprocedure. Deze vergoeding bedraagt € 666 omdat de gemachtigde van verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend. Dit betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 1.600 bedragen.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
7. Omdat het college aan het beroep van verzoekster is tegemoetgekomen, is het college verplicht het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.