RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2026
[eiser] uit [woonplaats] , eiser,
Samenvatting
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5333
in de zaak tussen
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de uitkering van eiser op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en van de toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Eiser is het er niet mee eens dat het UWV zijn Wajong-uitkering en toeslag over de beoordelingsperiode heeft herzien en de over die periode teveel uitbetaalde uitkering en toeslag heeft teruggevorderd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van zijn Wajong-uitkering en toeslag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten om eisers Wajong-uitkering en toeslag over de beoordelingsperiode te herzien en de over die periode teveel uitbetaalde uitkering en toeslag terug te vorderen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden, die hebben geleid tot de bestreden besluitvorming. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Nadat de afdeling Handhaving Inspectie van het UWV onderzoek had gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte Wajong-uitkering en toeslag en van de bevindingen en resultaten uit dat onderzoek rapport had opgesteld, heeft het UWV de navolgende besluiten genomen:
Verder heeft het UWV eiser bij brief van 14 maart 2024 geïnformeerd dat mogelijk proces-verbaal wordt opgemaakt. Bij de beslissing op bezwaar van 26 juni 2024 (het bestreden besluit 1) heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard en is hij bij deze besluiten gebleven. Het bezwaar van eiser tegen de brief van 14 maart 2024 heeft het UWV niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
In het kader van het vooronderzoek heeft de rechtbank het UWV bij brief van 17 maart 2026 vragen gesteld. Bij brieven van 13 mei en 30 juni 2026 heeft het UWV gereageerd op de constatering van de rechtbank dat de bankafschriften (eindigend op nummer [nummer 1] ) over de periode van 1 januari 2019 tot en met 17 juni 2020 niet in het dossier zaten. Daarnaast heeft het UWV op 30 juni 2026 het bestreden besluit 1 gewijzigd en eisers Wajong-uitkering en de toeslag herzien over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023 en een bedrag van € 27.789,45 bruto aan betaalde uitkering en toeslag van eiser teruggevorderd (het bestreden besluit 2).
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1973. Hij ontvangt sinds 12 oktober 1997 een uitkering op grond van de Wajong naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ook ontving eiser van 12 oktober 2019 tot en met 3 december 2022 een toeslag op grond van de TW.
Op 25 april 2022 is een interne melding gedaan, die het volgende inhield:
“Eiser handelt als bewindvoerder/mentor van diverse UWV-klanten. De onderneming, [onderneming] , waar eiser vanuit handelt staat op naam van zijn partner en eiser heeft volledige volmacht. Eiser heeft geen inkomsten of werkzaamheden opgegeven. Uit informatie van de rechtbank blijkt dat één beschikking over bewindvoering niet bij de rechtbank bekend is. Hieruit ontstaan het vermoeden dat deze beschikking vals is”.
Naar aanleiding van deze melding, heeft een handhavingsdeskundige onderzoek ingesteld. In dit kader zijn diverse (UWV) systemen en dossiers geraadpleegd, waaronder het UWV-dossier, Suwinet, de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst. Hiervan is op 15 september 2022 een rapport opgesteld. Vervolgens in de zaak aan Handhaving Inspectie overgedragen. Een toezichthouder heeft daarop een nader onderzoek ingesteld. In dit verband zijn gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Daarnaast heeft de toezichthouder een gesprek gevoerd met eiser, waarvan een verslag is opgemaakt. Nadat eiser had geweigerd om de door de toezichthouder gevraagde bankafschriften over te leggen, heeft de toezichthouder de bankafschriften van de bankrekening van eiser eindigend op [nummer 1] bij de ING-bank gevorderd. Na ontvangst van de bankafschriften zijn deze beoordeeld door de toezichthouder. Daarna heeft een vervolggesprek met eiser plaatsgevonden, waarvan ook een verslag is opgesteld. Vervolgens heeft de toezichthouder gegevens van de bankrekening van eiser eindigend op [nummer 2] gevorderd bij de Volksbank. Na ontvangst van deze gegevens zijn deze door de toezichthouder beoordeeld.
Van de bevindingen uit het onderzoek door Handhaving Inspectie is op 11 december 2023 rapport opgesteld. Dit rapport ligt ten grondslag aan de bestreden besluiten.
Omvang van het geding
4. Zoals hiervoor onder punt 2.2 is overwogen heeft het UWV bij het bestreden besluit 2 opnieuw beslist over het recht op Wajong-uitkering en toeslag van eiser. De rechtbank stelt vast dat het UWV hiermee het bestreden besluit 1 gedeeltelijk, namelijk alleen voor zover betrekking hebbende op eisers bezwaar tegen besluit (a), heeft gewijzigd. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Eiser heeft belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 2, zodat zijn beroep mede tegen dit besluit is gericht.
Zoals eiser op de zitting desgevraagd heeft verklaard, heeft hij geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de beslissing op zijn bezwaar tegen besluit (a).
Naar het oordeel van de rechtbank geldt ook ten aanzien van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op zijn bezwaar tegen besluit (b), dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep omdat het in besluit (b) vermelde bedrag is achterhaald en het UWV de invordering heeft gestaakt. Omdat op de zitting is gebleken dat door nadere onherroepelijke besluitvorming van het UWV eisers Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2024 niet op voorschotbasis is betaald, omdat eiser zijn werkzaamheden had gestaakt, is ook eisers belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de beslissing op zijn bezwaar tegen besluit (c), vervallen. Eiser heeft dit op de zitting ook erkend. Tot slot heeft eiser op de zitting aangegeven geen oordeel van de rechtbank te wensen op zijn beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de niet-ontvankelijk verklaring van zijn bezwaar tegen de brief van 14 maart 2024. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren.
Voorgaande heeft tot gevolg dat de rechtbank in dit geding alleen het bestreden besluit 2 inhoudelijk zal beoordelen.
Beoordelingsperiode
5. De beoordelingsperiode in dit geding loopt van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023.
Heeft eiser de inlichtingenverplichting geschonden?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat daarom niet overgegaan kan worden tot herziening en terugvordering van zijn Wajong-uitkering en toeslag. Hij heeft namelijk geen inkomsten gehad. Hij is zijn echtgenoot behulpzaam geweest binnen de onderneming en helpt hulpzoekenden, zijn familieleden, op vrijwillige basis als bewindvoerder. Hij heeft nooit enige inkomsten ontvangen uit deze werkzaamheden. Op de zitting voegde eiser hieraan toe dat hij de vergoedingen die hij ontving als bewindvoerder, allemaal heeft uitgegeven ten behoeve van de onderbewindgestelden, waardoor hij er niks aan over gehouden heeft. Sterker nog, hij heeft er zelfs op toegelegd.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Naar aanleiding van het verhandelde op de zitting staat vast dat eiser in de beoordelingsperiode als bewindvoerder en/of mentor anderen, voornamelijk zijn familieleden, heeft geholpen (met het beheer van hun financiën). Dit zijn werkzaamheden waarvoor eiser vergoedingen heeft ontvangen. Dat heeft eiser op de zitting ook erkend.
Het UWV heeft aan de hand van de door de toezichthouder bij de ING en de Volksbank gevorderde bankafschriften van rekeningen van eiser een overzicht opgesteld van de door eiser ontvangen vergoedingen in de beoordelingsperiode. Dit overzicht is gevoegd bij het bestreden besluit 2. Eiser stelt in beroep dat dit overzicht niet is te verifiëren, omdat de bankafschriften van zijn bankrekening eindigend op [nummer 1] over de periode van 1 januari 2017 tot en met 17 juni 2020 niet meer beschikbaar zijn, zodat over die periode moet worden aangenomen dat hij geen vergoedingen heeft ontvangen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Het is juist dat het UWV deze bankafschriften niet meer heeft kunnen overleggen, ook niet nadat de rechtbank daar in het kader van het vooronderzoek nog naar had gevraagd. Onbetwist is echter dat deze bankafschriften wel beschikbaar waren voor de toezichthouder tijdens zijn onderzoek. De rechtbank ziet niet in waarom de gegevens op het door de toezichthouder opgestelde overzicht niet zouden zijn ontleend aan die bankafschriften, temeer omdat bij elke post ook de concrete bestemming van de vergoedingen is omschreven. Bovendien heeft eiser zelf de beschikking over deze bankafschriften en is het niet aannemelijk dat hij het overzicht niet zelf kan verifiëren aan de hand van zijn bankafschriften. Eiser heeft in zijn beroepschrift en ook op de zitting niet aangegeven dat hij bepaalde posten betwist of dat het door de toezichthouder opgestelde overzicht niet overeen komt met de transacties op zijn bankrekening(en).
Van zijn werkzaamheden en de daaruit ontvangen vergoedingen heeft eiser het UWV niet geïnformeerd. Dat heeft eiser op de zitting ook erkend. Dat dat niet nodig zou zijn geweest omdat hij slechts de helpende hand heeft geboden aan familieleden in de privésfeer en omdat hij de ontvangen vergoedingen weer heeft besteed aan de onderbewindgestelden, zodat hij er niks aan heeft overgehouden maar er juist op heeft toegelegd, volgt de rechtbank niet. Voor de vraag of een uitkeringsgerechtigde werkzaamheden heeft verricht waaruit inkomsten worden verworven die relevant zijn voor het recht op en de hoogte van de uitkering of toeslag is niet relevant of deze werkzaamheden zijn verricht in de privésfeer ten behoeve van familieleden. Relevant is dat met de werkzaamheden inkomsten zijn verkregen. Ook is niet relevant hoe deze inkomsten vervolgens door eiser zijn besteed.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Wat is het gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting?
7. Schending van de inlichtingenverplichting is een grond voor herziening van de Wajong-uitkering en de toeslag. Op grond van de inkomsten uit de bewindvoerders- en/of mentorschapswerkzaamheden, zoals die volgen uit het overzicht opgesteld door de toezichthouder, is eiser volgens het UWV in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 en van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt en van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt. Over de periode vanaf 1 januari 2021 heeft het UWV - wegens gewijzigde regelgeving op dit punt - de inkomsten op een andere wijze gekort op de Wajong-uitkering van eiser. Ook volgt uit de berekening van het UWV dat eiser achteraf gezien in de periode van 12 oktober 2019 tot en met 3 december 2022 recht had op een lager bedrag aan toeslag. Tegen de bij het bestreden besluit 2 vermelde wijze waarop de Wajong-uitkering en toeslag van eiser in de beoordelingsperiode is herberekend, heeft eiser geen gronden ingediend. Hieruit volgt dat eiser over de beoordelingsperiode teveel Wajong-uitkering en teveel toeslag heeft ontvangen. Het UWV was verplicht om de teveel betaalde Wajong-uitkering en toeslag van eiser terug te vorderen. Ook de berekening van de hoogte van het teruggevorderde bedrag van € 27.789,45 bruto heeft eiser niet bestreden.
Zijn er dringende redenen om van terugvordering af te zien?
8. Eiser betoogt dat het UWV vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering. De terugvordering zou namelijk inhouden dat eiser een vordering krijgt op alle onderbewindgestelden die hun inkomsten en uitgaven hebben verwerkt middels de rekeningen van eiser. De onderbewindgestelden zullen daarmee in ernstige financiële problemen geraken, terwijl zij juist moeten worden beschermd in het licht van de onderbewindstelling. Op de zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat het voor hem een financiële achteruitgang zou betekenen als hij het teruggevorderde bedrag moet betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eiser aangedragen omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat het UWV geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Het UWV heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat in zijn algemeenheid geldt dat moet worden teruggevorderd wat ten onrechte is ontvangen. Bovendien zijn de herziening en terugvordering van Wajong-uitkering en toeslag ontstaan doordat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting; er is geen sprake van fouten van de kant van het UWV. Eiser lost op dit moment niet af op de vordering. Van ernstige nadelige financiële gevolgen van de terugvordering is de rechtbank niet gebleken en eiser heeft dit ook niet onderbouwd. Eiser heeft bovendien, wanneer het UWV alsnog zal overgaan tot invordering van de schuld, als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tot slot blijkt niet van het duperen van de onderbewindgestelden. Niet valt in te zien dat terugbetaling van de vordering aan het UWV door eiser moet plaatsvinden met gelden die toebehoren aan de onderbewindgestelden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht besloten het recht op Wajong-uitkering en toeslag van eiser over de beoordelingsperiode te herzien en de teveel betaalde uitkering en toeslag terug te vorderen. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond en eiser krijgt geen gelijk.
De omstandigheid dat het UWV in beroep het bestreden besluit 2 heeft genomen, waarbij gedeeltelijk aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen, vormt aanleiding om te bepalen dat het UWV het griffierecht aan eiser moet vergoeden. Hoewel de gemachtigde van eiser zich vóór de zitting heeft onttrokken aan de zaak, ziet de rechtbank aanleiding om eiser voor de proceshandelingen van zijn gemachtigde een proceskostenvergoeding toe te kennen. Deze proceskosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. J.M. Hollebrandse, rechters, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.