ECLI:NL:RBDHA:2026:29846

ECLI:NL:RBDHA:2026:29846

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 26.53550
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring asielzoeker, art. 59b Vw 2000. Ambtshalve toetsing. Vanwege de door eiser in het bewaringsgehoor geuite vrees in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst mocht eiser bij de inbewaringstelling als asielzoeker worden beschouwd. Nadien heeft eiser echter geen asielaanvraag ondertekend, waarbij onduidelijk is gebleven op welke precieze dag eiser voor het eerst een asielaanvraag ter ondertekening is voorgehouden. Termijn van drie dagen om te beslissen of wel of niet een asielaanvraag wordt ingediend is naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Indien na ommekomst van die drie dagen geen asielaanvraag is ondertekend, kan de 59b-maatregel niet langer voortduren. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.53550

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. J. Willems).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mw. El Allachi (nr. 40584) als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw.

De maatregel is opgelegd omdat de minister deze noodzakelijk acht voor het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag en omdat hij de bewaring noodzakelijk acht ten behoeve van de handhaving van een vrijheidsbeperkende maatregel. In de maatregel heeft de minister daarbij als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.

Leiden gebreken in het voortraject tot onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring?

4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject dat moet leiden tot de conclusie dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is.

Eiser betoogt dat het overgelegde dossier onvoldoende inzicht biedt in hoe hij in de macht van de Nederlandse autoriteiten is gekomen. Het proces-verbaal van ophouding en onderzoek vermeldt slechts dat dat is gebeurd “na overname van de Duitse autoriteiten.” Daarmee is niet voldoende controleerbaar waar en wanneer eiser exact is overgenomen, welke Duitse en Nederlandse autoriteiten daarbij betrokken waren, wat de grondslag voor de overdracht was en vanaf wanneer eiser feitelijk de vrijheid is ontnomen.

Eiser voert verder aan dat hij na overname is opgehouden en tijdens die ophouding naar verschillende plaatsen is vervoerd. Die extra vervoersbewegingen maken de ophouding extra bezwarend en daarom mag verlangd worden dat duidelijk wordt waarom deze bewegingen noodzakelijk waren. Er is gerelateerd dat in Zevenaar de BVID-zuil defect was, maar niet blijkt wanneer en door wie het defect is geconstateerd, wat het defect precies inhield, waarom de vingerafdrukken niet op de oorspronkelijke locatie konden worden afgenomen, naar welke tweede locatie eiser is vervoerd en hoeveel tijd met dat vervoer gemoeid is geweest. Aldus kan niet worden getoetst of het daardoor voortduren van de ophouding noodzakelijk is geweest.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het dossier zoals door de minister overgelegd is voldoende duidelijk om de rechtmatigheid van de overname en ophouding te kunnen toetsen. Uit die toetsing blijkt ook niet dat sprake is van een gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvoor niet meer en/of gedetailleerdere informatie nodig dan die uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt, in samenhang met de andere stukken in het dossier.

Ten aanzien van de overname wijst de rechtbank op de aankondiging van de overdracht afkomstig van de Duitse autoriteiten (gedingstuk 10), waaruit blijkt dat de overdracht is voorzien op grond van de Dublinverordening op 10 september 2026 om 15:00 uur bij de grensovergang tussen Oldenzaal en Bad Bentheim. Gezien het proces-verbaal van ophouding en onderzoek is eiser om 15:15 uur overgenomen. Evident is dat vanaf dat moment eiser in de macht van de Nederlandse autoriteiten is geraakt en de vrijheid is ontnomen. Het is vaste rechtspraak dat in een situatie als deze geen sprake hoeft te zijn van een staandehouding om over te gaan tot overbrenging en ophouding op grond van artikel 50 van de Vw 2000. De staandehouding dient bij overdracht immers geen redelijk doel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV5109, JV 2006/133).

Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt verder dat eiser, nadat hij in Deventer was gewezen op zijn rechten, door de Koninklijke Marechaussee is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Die plaats voor verhoor was in dit geval Zevenaar op het bureau van de Brigade Midden Nederland. Eiser is daar om 17:00 uur aangekomen. Daar is eiser om 18:00 uur gehoord, zoals blijkt uit het proces-verbaal van gehoor bij bewaring. Uit laatstgenoemd proces-verbaal blijkt dat de camera van de zuil niet werkte en dat eiser daarom voor het gehoor nog is overgebracht naar het politiebureau. Uit gedingstuk 17, getiteld “resultaat bevraging systeem obv biometrie” leidt de rechtbank af dat dat het politiebureau in Zevenaar is geweest, aangezien dat stuk vermeldt dat eiser is opgenomen op 10 september 2026 om 17:20 uur aan de Zonegge 24 te Zevenaar. Gezien deze vaststellingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de overbrenging naar het politiebureau van Zevenaar noodzakelijk was en dat de ophouding niet onnodig belastend is geweest. Voor deze conclusie is niet van belang wie wanneer het defect aan de zuil op het bureau van de Koninklijke Marechaussee heeft geconstateerd en ook niet of de vingerafdrukken wel op die locatie hadden kunnen worden afgenomen. De rechtbank overweegt in dit verband tenslotte nog, voor zover eiser dat ook heeft willen betogen, dat de ophouding de wettelijke norm van zes uren niet heeft overschreden. Dit nu de ophouding is aangevangen toen eiser om 17:00 uur op een plaats voor verhoor aankwam en is geëindigd met de inbewaringstelling om 22:30 uur.

Is eiser terecht op grond van artikel 59b in bewaring gesteld?

5. Eiser voert verder aan dat de gekozen grondslag voor de bewaring onjuist is, omdat hij helemaal geen asielverzoek heeft ingediend en ook niet wil indienen.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser het tijdens het gehoor had over vrees voor terugkeer naar zijn land van herkomst. Op vragen over een eventuele asielwens heeft eiser vervolgens geen duidelijk antwoord gegeven. Onder deze omstandigheden was de inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000 op zijn plaats.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser terecht op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Hoewel eiser heeft verklaard niet te vrezen voor vervolging of een onmenselijke behandeling, heeft hij in het gehoor wel te kennen gegeven dat hij vreest voor zijn leven problemen bij terugkeer. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een vreemdeling verklaart dat hij of zij bij terugkeer gevaar loopt, dit niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om internationale bescherming. Eiser was vervolgens niet bereid om in te gaan op de vraag of hij een asielverzoek wil indienen. In wezen doet zich daarmee de situatie voor als omschreven in de uitspraak van 23 januari 2026. Dat betekent dat de minister terecht eiser een termijn heeft gegund om zich te beraden op het indienen van een asielverzoek en niet is overgegaan tot inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000. Op grond daarvan moet immers aan terugkeer worden gewerkt, waarbij contact met de autoriteiten met het land van herkomst noodzakelijk kan zijn, wat met het oog op een eventuele asielaanvraag moet worden vermeden.

De rechtbank ziet zich vervolgens ambtshalve voor de vraag gesteld of en hoe lang de bewaring op grond van artikel 59b van de Vw mag voortduren, aangezien eiser nog altijd geen asielaanvraag heeft ingediend. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hem ook meermaals een asielaanvraag ter ondertekening is voorgehouden, maar dat hij steeds heeft geweigerd die te ondertekenen. In zijn algemeenheid is het van belang dat de vrijheidsontneming enkel plaatsvindt indien en zolang een wettelijke grondslag daarvoor zich voordoet. In de situatie waarin sprake is van een (eventuele) asielwens maar nog geen ondertekend aanvraagformulier, is het juist dat de bewaring in eerste instantie wordt gegrond op artikel 59b van de Vw 2000. De rechtbank wijst er in dit verband op dat bewaring op artikel 59b aan de orde is wanneer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een asielaanvraag, dat is gedefinieerd als verzoek als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening. Artikel 26 van de Procedureverordening, dat gaat over het doen van een verzoek om internationale bescherming, bepaalt niet wat het gevolg moet zijn van blijvende twijfel over de asielwens maar het is in belang van de vreemdeling te achten dat de minister enige bedenktijd gunt. Naar het oordeel van de rechtbank kan die bedenktijd echter niet lang duren gezien het hiervoor gegeven uitgangspunt dat vrijheidsbeneming alleen gegrond kan worden op een grondslag die zich daadwerkelijk voordoet. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een termijn van drie dagen voor het nemen van een beslissing over het wel of niet indienen van een asielaanvraag als redelijk moet worden beschouwd. Dat betekent dat de hier ter toetsing voorliggende maatregel naar het oordeel van de rechtbank te lang heeft voortgeduurd. Na de derde dag had de maatregel moeten worden opgeheven, al dan niet onder oplegging van een nieuwe maatregel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is na de derde dag, dus met ingang van 13 september 2026 onrechtmatig geworden. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.440,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.T.C. Wijsman

Griffier

  • mr. M.W. Venderbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand