RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18909
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),
en
(gemachtigde: A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de oplegging van een terugkeerbesluit en inreisverbod van tien jaar dat door de minister op 17 maart 2026 aan hem is opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft de minister een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan het bestreden besluit is het hierna volgende voorafgegaan.
Op 23 september 2025 is in de auto van eiser, waarmee hij onderweg was naar Frankrijk, 4,71 kilo MDMA aangetroffen.
Op 12 november 2025 is eiser gehoord over het voornemen een terugkeerbesluit uit te vaardigen en hem een zwaar inreisverbod op te leggen. Eiser heeft vervolgens naar voren gebracht dat hij een verblijfsvergunning voor Portugal heeft en dat hij met zijn vrouw en drie kinderen in Frankrijk woont. Volgens eiser handelt hij in auto’s in Portugal en Frankrijk.
Bij vonnis van 20 januari 2026 is eiser door de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf. In dit vonnis is vermeld dat eiser kostwinner is, een garagebedrijf heeft en moeilijk rond komt.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een zwaar inreisverbod is opgelegd. Eiser stelt dat er geen sprake is van een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde. Volgens eiser is ten onrechte geen betekenis toegekend aan strafmatigende omstandigheden, gedraagt hij zich goed in detentie, wil hij zijn leven bij zijn gezin hervatten en zijn er geen concrete indicaties voor recidive. Verder heeft eiser er op gewezen dat zijn echtgenote en drie minderjarige kinderen in Frankrijk wonen en hier onvoldoende rekening mee is gehouden. In alle stadia van de terugkeerprocedure moet naar behoren rekening worden gehouden met onder andere het belang van het kind en het familie- en gezinsleven. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden is het opleggen van een inreisverbod van tien jaren volgens eiser onevenredig. Verder is eiser in de op 1 mei 2026 ingediende gronden ingegaan op de raadpleegprocedure en het arrest van het Hof van Justitie van 16 januari 2018 (ECLI:EU:C:2018:8). Volgens eiser kan hij niet vanuit detentie naar Portugal en wordt artikel 25 SUO illusoir.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt vast dat eiser na de op 1 mei 2026 ingediende gronden met een vlucht naar Portugal is gereisd. In zoverre gaat de beroepsgrond van eiser dat het niet mogelijk is om vanuit detentie naar Portugal te vertrekken niet op.
6. Met betrekking tot het gevaar dat eiser volgens de minister voor de openbare orde vormt overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, Nederland onmiddellijk moet verlaten. Op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, tenzij de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) bedraagt de duur van het inreisverbod als de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid ten hoogste tien jaren (zwaar inreisverbod). Uit artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb volgt dat de ernstige bedreiging onder meer kan blijken uit een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict.
De minister moet bij het opleggen van een zwaar inreisverbod beoordelen of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en daarbij alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet de minister bij zijn beoordeling in acht nemen dat vorenbedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Het resultaat van vorenbedoeld onderzoek moet blijken uit de motivering van een besluit.
De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij is niet alleen gewezen op het gegeven dat een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, maar ook op de gezondheidsproblemen die het gebruik van harddrugs kan veroorzaken en de negatieve gevolgen die de handel ervan veroorzaakt in de samenleving. Daarbij is genoemd dat de handel samengaat met vele vormen van georganiseerde criminaliteit en eiser met zijn handelen, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een bijdrage heeft geleverd aan het faciliteren en in stand houden van de internationale drugshandel. Deze negatieve gevolgen worden aan eiser toegerekend. Verder is betrokken dat het misdrijf recent is gepleegd en eiser de negatieve gevolgen voor anderen en de samenleving heeft genegeerd voor eigen gewin. De minister heeft geen aanwijzingen dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden is gekomen en zijn normbesef dusdanig zijn verbeterd dat er niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende betekenis heeft gehecht aan de strafmatigende omstandigheden. De rechtbank leest in het vonnis niet dat de in beeld zijnde straf (36 maanden) met 16 maanden is verlaagd vanwege de houding van eiser ter zitting en zijn openheid van zaken. De grootste matiging komt toe aan de gang van zaken tijdens de doorzoeking van de auto (9 maanden). Verder blijft ook met matiging naar 20 maanden een aanzienlijke gevangenisstraf staan. Aan eventueel goed gedrag in detentie heeft de minister niet ten onrechte beperkt gewicht toegekend. Dat eiser stelt zijn leven bij zijn gezin te willen hervatten, is verder onvoldoende om te concluderen dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd.
Met betrekking tot de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het privéleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt is van belang dat het EHRM, in onder meer het arrest Boultif tegen Zwitserland, heeft overwogen dat bij de beoordeling, een "fair balance" dient te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de desbetreffende vreemdeling en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM in dat arrest een aantal criteria gedefinieerd. In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest Üner tegen Nederland, nog twee criteria genoemd.
De minister heeft, zoals is uiteengezet onder 6.3., deugdelijk gemotiveerd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit heeft geleid tot een terugkeerbesluit en een daarop volgend zwaar inreisverbod.
De minister heeft er verder op gewezen dat eiser, voor zover nodig, het contact met zijn partner en kinderen op afstand kan onderhouden, zoals hij ook vanuit detentie doet, en dat hij en zijn partner de keuze kunnen maken met hun kinderen naar Algerije te gaan. Eiser heeft in beroep een huwelijksakte en geboorte- en schoolcertificaten overgelegd. Uit deze stukken kan worden herleid dat eiser in 2008 in Algerije is getrouwd, dat de kinderen in Algerije zijn geboren en dat twee zoons sinds begin 2024 naar een school in Frankrijk gaan. Verder is een huurcontract overgelegd dat eind 2023 is gesloten en een inschrijving in het handelsregister in 2024. De rechtbank kan uit deze stukken niet meer herleiden dan dat eiser voor zijn aanhouding in november 2025 circa twee jaar met het gezin in Frankrijk heeft gewoond. Uit deze stukken kan de rechtbank niet opmaken dat de partner van eiser en zijn kinderen, als zij het contact met eiser niet op afstand willen onderhouden, niet de keuze kunnen maken hem te volgen naar Algerije. Volgens eiser heeft hij ook verder geen problemen in Algerije, zo verklaart hij in reactie op het voorstel tot uitvaardiging van het inreisverbod.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot het oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn die ertoe leiden dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt, waarbij hij terecht zwaar gewicht heeft toegekend aan het gevaar dat eiser vormt voor de openbare orde. In het licht van het vorenstaande heeft de minister zich in het besluit van 17 maart 2026 niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Hierbij is voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd verder geen aanleiding te oordelen dat er geen evenredig besluit tot stand is gekomen.
Raadplegingsprocedure
7. De rechtbank ziet in het feit dat er nog een raadplegingsprocedure loopt geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Op 21 september 2026 heeft de minister bericht dat het aan Portugal is om te beoordelen of het rechtmatig verblijf aldaar wordt ingetrokken. Dit is met zoveel woorden ook in het bestreden besluit vermeld: “Uw verblijfsrecht in Portugal staat het besluit niet in de weg. Er wordt een raadplegingsprocedure opgestart in Portugal, zoals beschreven in paragraaf A2/12.10.2.2 Vc. Als u het verblijfsrecht behoudt dan wordt bekeken of het inreisverbod ambtshalve moet worden opgeheven. Zolang u verblijfsrecht hebt in de EU zult u niet Europees gesignaleerd worden voor het inreisverbod. Het is aan Portugal om te beoordelen of u daar het verblijfsrecht behoudt, met inachtneming van uw banden met de EU, en of zij u toelaten tot de EU.”
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.