RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48589
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).
Procesverloop
Eiser heeft op 12 juli 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
1. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat Italië moet bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië hiervan kennisgegeven. De Italiaanse autoriteiten hebben op 4 augustus 2026 de kennisgeving bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 38, vierde lid, eerste alinea, van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbVo).
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat overdrachten aan Italië waren opgeschort. Ook wijst hij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023. Op grond van die uitspraak is sindsdien ten opzichte van Italië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan. Verweerder heeft niet aangetoond dat de situatie wezenlijk is veranderd. Het standpunt van verweerder is enkel gebaseerd op de toezegging van de Italiaanse minister. Verweerder heeft in zijn besluitvorming niet het meest recente AIDA-rapport van 29 juli 2026 betrokken. Ook verwijst eiser naar de inhoud van de Update 2026, nummer 26 over de hervatting van AMbVo-overdrachten aan Italië, waarin met verwijzing naar nieuwsberichten staat dat het Italiaanse systeem niet op orde is. Hoewel de passage in het bestreden besluit over de arresten van het Europese Hof van Justitie ingaat op de brief van de Italiaanse autoriteiten over de opschorting van de overdrachten en de betekenis daarvan, was dit niet de enkele motivering van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling. Daarmee vormt de overdracht van eiser aan Italië vooralsnog een schending van artikel 4 van het Handvest.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij inmiddels weer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder erkent dat de bewijslast sinds de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 is verschoven, maar vindt dat aan deze bewijs- en motiveringsplicht is voldaan. In dat verband wijst verweerder op een rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026, de informatie van de EUAA over de opvangfaciliteiten in Italië in 2025, de rapporten van AIDA van juni 2025 en juli 2026, het rapport van de EMN van juli 2026 en tot slot naar de wekelijkse cijfers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de aanwezige migranten in de opvang in Italië. Daarnaast wijst verweerder op het gesprek dat is gevoerd met de Italiaanse Minister van Binnenlandse Zaken, waarin is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact (AMP).
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid
4. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Bij bericht van 28 september 2026 heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit het daarbij overgelegde afschrift blijkt dat eiser op 24 september 2026 als ‘MOB’ is geregistreerd met het beëindigen van de opvang en voorzieningen en dat hij vanaf 26 september 2026 staat geregistreerd als zelfstandig vertrokken uit de woonruimte. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en gaat ervan uit dat eiser op het moment waarop het onderzoek werd gesloten nog belang had bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Het beroep is ontvankelijk en wordt daarom inhoudelijk beoordeeld.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest is één van de aspecten waarop het beroep gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMbVo betrekking kan hebben.
6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdrachteen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, stromend water en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid en waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
7. Het uitgangspunt is dat verweerder bij de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn verplichtingen uit het Unierecht nakomt. Dit uitgangspunt is ten aanzien van Italië echter niet onverkort van toepassing. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 april 2023 geoordeeld dat verweerder zich, gelet op de destijds bestaande situatie, niet zonder nader onderzoek op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon beroepen bij overdrachten aan Italië. Daarbij heeft de Afdeling betekenis toegekend aan het gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten en aan het verzoek van de Italiaanse autoriteiten voor de tijdelijke opschorting van overdrachten. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt weliswaar niet zonder meer onverschilligheid tegenover de situatie van vreemdelingen, maar wel dat er een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat de omstandigheden inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan.
8. De rechtbank stelt vooreerst vast dat uit de AMbVo niet volgt dat een voorwaarde voor overdracht is dat een verantwoordelijke lidstaat bereid moet zijn om vreemdelingen terug te nemen. Een verantwoordelijke lidstaat kan zich niet door een eenvoudige en eenzijdige aankondiging onttrekken aan de krachtens de verordening op hem rustende verantwoordelijkheden. Dat heeft het Hof geoordeeld in arresten van 19 december 2024 en 5 maart 2026, waarnaar verweerder in het bestreden besluit dan ook terecht heeft verwezen. Zou dus vast komen te staan dat Italië weigert asielzoekers terug te nemen, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat eiser daarmee het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Wel kan de weigering om asielzoekers terug te nemen een aanwijzing zijn dat de situatie niet is gewijzigd en nog altijd wordt geweigerd vanwege een tekort aan opvangfaciliteiten.
9. In dat kader wijst de rechtbank op de verklaringen van de Italiaanse minister, waarnaar verweerder heeft verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet zonder meer dat de Italiaanse autoriteiten zich bereid hebben verklaard om iedere overdracht op grond van de AMBV te accepteren. De Italiaanse minister heeft onder meer verklaard:
‘In reality, we believe this is not the case and that it will always be up to us to agree on the return. My circular was based on the observation that Italy’s reception system was going through a delicate phase, facing an objective crisis. Today, thanks to what we have done, this is no longer the case, but Italy can always assert its status as a country potentially exposed to critical migration flows
[…]
In essence, it has been up to us in the past—and will continue to be up to us in the future—to decide which requests to accept and who will be eligible to return to our territory. And in this regard, I cannot help but point out that a large portion of the requests we have received are objectively questionable precisely in light of European rules.’
Verweerder relateert de uitlatingen van de Italiaanse minister aan de eerdere weigering van overdrachten. Uit deze verklaringen blijkt juist dat Italië een eigen beoordeling maakt van de vraag of een terugkeer wordt geaccepteerd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de eerdere praktijk van het niet accepteren van terugkeerders definitief is beëindigd. De uitlatingen geven veeleer blijk van een terughoudende opstelling van de Italiaanse autoriteiten ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor terugkeerders. Zij bieden daarom onvoldoende grond voor de conclusie dat de eerdere problemen met de opvang van terugkeerders zijn opgelost.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Italië in betekenisvolle mate is gewijzigd. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de uitspraak van 1 september 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats. Daarin is geoordeeld dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. Verweerder baseert zich in deze zaak op dezelfde informatie en stukken.
11. Uit de door verweerder aangehaalde landeninformatie komt ook een ander beeld naar voren dan door verweerder is geschetst. Uit de door verweerder aangehaalde informatie volgt weliswaar dat Italië maatregelen heeft getroffen in verband met de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact en dat het Italiaanse opvangsysteem daarop wordt ingericht. Echter, uit die informatie volgt verder niet dat de problemen voor terugkeerders die eerder aanleiding waren om niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan, zijn opgelost. Dit volgt onder meer uit de mededeling van de Europese Commissie van 15 juli 2026. Daarin staat dat Italië aanzienlijke inspanningen heeft geleverd om de uitvoering van deel III van AMBVo voor te bereiden. Daarmee is echter nog niet aannemelijk gemaakt dat vreemdelingen die na overdracht in Italië aankomen, daadwerkelijk toegang hebben tot opvang.
11. De informatie van de EUAA biedt evenmin voldoende steun voor het standpunt van verweerder; in de rapportageperiode hebben geen overdrachten naar Italië plaatsgevonden waardoor deze informatie weinig zegt over de feitelijke opvang van personen die na een overdracht in Italië aankomen. Uit het ontbreken van deze informatie kan daarom niet worden afgeleid dat deze personen weer toegang tot de opvang hebben. Daar komt bij dat uit het meest recente AIDA-rapport volgt dat de toegang tot het opvangsysteem en de toegang tot de asielprocedures voor terugkeerders als ‘equally problematic’ wordt omschreven. Ook uit de wekelijkse rapporten van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarnaar verweerder verwijst, valt niet af te leiden wat de totale opvangcapaciteit is. Tegen deze achtergrond is niet duidelijke of vreemdelingen die na overdracht in Italië aankomen daadwerkelijk toegang tot opvang hebben.
13. De rechtbank acht daarbij tevens de actuele nieuwsberichten over de situatie in Italië van belang. Er zijn immers diverse bronnen waaruit volgt dat Italië onvoldoende opvangvoorzieningen beschikbaar heeft. Met de kennis van die informatie ligt het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen naar de daadwerkelijke situatie in Italië.
14. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Verweerder is er dus niet in geslaagd aannemelijk te maken dat bij overdracht aan Italië eiser geen reëel risico meer loopt op schending van artikel 4 van het Handvest.
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit genomen is in strijd is met de artikelen 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 augustus 2026;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.