ECLI:NL:RBDHA:2026:29809

ECLI:NL:RBDHA:2026:29809

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer NL25.46473
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Algemeen ambtsbericht Ethiopië; geloofwaardigheid; gedwongen rekrutering; referentiekader; adequate opvang; gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46473

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas

1. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit, is geboren op [datum] 2008 en behoort tot de bevolkingsgroep van de Oromo. Hij heeft op 6 november 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft Ethiopië verlaten vanwege de vrees dat de Ethiopische autoriteiten hem zochten en maatregelen tegen hem zouden nemen, omdat zijn vader zich bij de WBO heeft aangesloten en zijn broer Ethiopië is ontvlucht om gedwongen rekrutering te voorkomen. De Ethiopische autoriteiten zouden regelmatig bij eiser thuis zijn gekomen op zoek naar zijn vader en broer, waarbij eisers moeder veelvuldig zou zijn mishandeld. Nadat de autoriteiten ook naar eiser begonnen te zoeken, heeft eiser besloten Ethiopië te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor maatregelen van de Ethiopische autoriteiten.

Het bestreden besluit

2. Verweerder acht eisers identiteit, Ethiopische nationaliteit en herkomst uit Oromia geloofwaardig, maar zijn gestelde problemen met de Ethiopische autoriteiten niet. Eiser heeft volgens verweerder summier, wisselend, vaag en onvoldoende concreet verklaard over de aansluiting van zijn vader bij de WBO, de huisbezoeken, de rekruteringspogingen en zijn gestelde arrestaties. Volgens verweerder heeft eiser daarom geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Ook de veiligheidssituatie in Oromia geeft volgens verweerder geen recht op internationale bescherming. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het nieuwe AAB Ethiopië van augustus 2026 weliswaar informatie bevat over gedwongen rekrutering in Oromia, maar dat eiser daarmee volgens verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk voor gedwongen rekrutering te vrezen heeft. Eiser komt volgens verweerder evenmin in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen. Hoewel eiser minderjarig is, is volgens verweerder in Ethiopië adequate opvang beschikbaar en valt hij daarom niet onder het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Terugkeer wordt in zijn belang geacht vanwege de mogelijke familiehereniging, zijn bekendheid met Ethiopië en het ontbreken van bijzondere kwetsbaarheid.

De gronden van beroep

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, met name zijn minderjarigheid, traumatische ervaringen en medische beperkingen, en daarom te hoge eisen heeft gesteld aan zijn verklaringen. Ook is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid, omdat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om een vrouwelijke tolk te regelen. Eiser stelt verder dat hij voldoende en niet tegenstrijdig heeft verklaard over de betrokkenheid van zijn vader bij de WBO, de bezoeken van de autoriteiten en de dreiging van gedwongen rekrutering. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met de traumatische aard van de gebeurtenissen en de beschikbare landeninformatie. Eiser wijst in dit verband op het nieuwe AAB, waaruit volgens hem blijkt dat in Oromia op grote schaal gedwongen wordt gerekruteerd en familieleden van WBO-leden gevaar lopen. Ten slotte betwist eiser dat in Ethiopië daadwerkelijk passende opvang voor hem beschikbaar is. Niet is gebleken van een concrete opvangplaats of toelating, terwijl bovendien twijfels bestaan over de kwaliteit en duur van de opvang. Eiser wijst erop dat hij geen contact heeft met zijn ouders en dat niet is onderzocht of hereniging met zijn moeder of andere familieleden mogelijk is. Ook is volgens eiser niet vastgesteld dat hij daadwerkelijk bij de opvanglocatie ‘[locatie]’ kan worden geplaatst.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vrouwelijke tolk

4. Hoewel eiser voorafgaand aan het nader gehoor om een vrouwelijke tolk heeft verzocht, heeft hij tijdens het gehoor verklaard dat dit slechts een voorkeur was en geen vereiste. Ook heeft hij ingestemd met voortzetting van het gehoor met de mannelijke tolk en aangegeven dat hij daardoor niets onbesproken hoefde te laten. Verweerder heeft bovendien onderzocht of de vrouwelijke tolk die bij een ander gehoor aanwezig was, kon worden ingezet, maar deze tolk sprak geen Oromo. Verder is eiser erop gewezen dat hij het moest aangeven als hij zich niet op zijn gemak voelde of niet vrij kon verklaren. Daarbij was een vrouwelijke medewerker van Nidos aanwezig om hem te ondersteunen en het verloop van het gehoor te bewaken. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingespannen om rekening te houden met eisers voorkeur en hoefde het gehoor niet te worden uitgesteld. Van een onzorgvuldige voorbereiding is daarom geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Gedwongen rekrutering

5. Met betrekking tot de stelling dat eiser vreest voor gedwongen rekrutering acht de rechtbank het AAB Ethiopië van augustus 2026 van belang. In dit ambtsbericht staat onder meer dat in november 2024 door Addis Standard werd gerapporteerd over gedwongen rekrutering van jongemannen in Oromia op ‘wijdverbreide’ schaal, waarbij opgepakte jongemannen werden vastgezet en naar een militair trainingskamp werden gestuurd indien familieleden geen losgeld betaalden. Ook concludeerde de Ethiopische Mensenrechtencommissie (EHRC) begin december 2024 dat jongeren in Oromia op ‘massale’ schaal aan gedwongen rekrutering werden onderworpen, waarbij de rekrutering van veertien minderjarigen (15-16 jaar) in Shashemene gedocumenteerd is. Verder blijkt uit het AAB dat familieleden van dissidenten zo nu en dan te maken kregen met intimidatie, verhoren en surveillance, in het bijzonder echtgenoten, ouders en broers en zussen. Een bron meldde dat de Ethiopische autoriteiten familieleden van (vermeende) Fano- en WBO-strijders instrueerden om het bewuste familielid ervan te overtuigen de gelederen van de groepering te verlaten. Als het familielid geen gehoor gaf aan deze instructie, kon deze persoon worden onderworpen aan bedreigingen, intimidatie, huiszoekingen en detenties. Een andere bron gaf aan dat de Ethiopische autoriteiten er gemakkelijk toe waren geneigd om iemand te verdenken van banden met het WBO. Indien iemand kritiek uitoefende op de regering, voedsel verstrekte aan het WBO of een familielid bij het WBO had, liep deze persoon het risico te worden gearresteerd.

6. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn problemen met de autoriteiten vaag en inconsistent zijn. Verweerder wijst er onder meer op dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij vanwege zijn vader werd gezocht en anderzijds dat jongeren op school werden gerekruteerd. Verder heeft eiser wisselend verklaard over de klas waarin de rekrutering begon en over het moment waarop de autoriteiten naar hem begonnen te zoeken. De rechtbank volgt verweerder erin dat deze verschillen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling mogen worden betrokken. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd welk gewicht hieraan in het geval van eiser moet worden toegekend. Daarbij is van belang dat eiser ten tijde van de gestelde gebeurtenissen minderjarig was en ook ten tijde van het gehoor nog minderjarig was. Van hem kan daarom niet zonder meer dezelfde mate van detail en chronologische precisie worden verlangd als van een volwassen vreemdeling. Dit geldt temeer nu uit het nader gehoor blijkt dat eiser moeite had om concrete gebeurtenissen in de tijd te plaatsen en onderscheid te maken tussen wat hem persoonlijk is overkomen en wat meer in algemene zin met jongeren in zijn omgeving gebeurde.

7. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van eiser over zijn vader in de kern niet zonder meer tegenstrijdig zijn. Eiser heeft verklaard dat zijn vader naar de WBO is gegaan en daarna niet meer is teruggekeerd. Dat eiser niet weet waar zijn vader vervolgens verbleef, is daarmee niet tegenstrijdig. Ook heeft eiser in grote lijnen verklaard dat de autoriteiten, toen hij ongeveer twaalf tot veertien jaar oud was, bij zijn ouderlijk huis naar zijn vader en broer kwamen vragen. Dat eiser daarbij niet steeds exact dezelfde leeftijd heeft genoemd, acht de rechtbank, gelet op eisers leeftijd ten tijde van de gebeurtenissen en het tijdsverloop, onvoldoende om hem als wezenlijke inconsistentie tegen te werpen. Wat betreft de bezoeken en huiszoekingen heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij geen afzonderlijk bezoek uitvoerig heeft beschreven en geen schatting van het aantal bezoeken heeft gegeven. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom dit, mede gelet op eisers leeftijd en zijn referentiekader, maakt dat zijn verklaringen over deze gebeurtenissen ongeloofwaardig zijn.

8. Hoewel verweerder ter zitting aangaf alle verklaringen in algemene zin vaag en ongeloofwaardig te achten, is in het bestreden besluit eisers verklaring dat zijn broer is gevlucht om gedwongen rekrutering te voorkomen, niet ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid uitdrukkelijk moet worden beoordeeld en moet meewegen bij de beoordeling van eisers vrees voor rekrutering.

9. Het AAB maakt op zichzelf niet aannemelijk dat eiser persoonlijk door de Ethiopische autoriteiten is gezocht met het oog op rekrutering. In zoverre heeft verweerder terecht erop gewezen dat algemene informatie over gedwongen rekrutering niet zonder meer de persoonlijke ervaringen van eiser bevestigt. Deze informatie is echter wel relevant voor de beoordeling van de mate waarin eisers verklaringen steun vinden in objectieve landeninformatie. Het door eiser beschreven fenomeen van gedwongen rekrutering van jongeren in Oromia vindt daarin immers steun. De landeninformatie kan daarom niet buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van het gewicht dat aan de door verweerder geconstateerde vaagheden en inconsistenties moet worden toegekend. Daarbij is verweerder onvoldoende ingegaan op de omstandigheden dat eiser gezien zijn leeftijd en herkomst onder de doelgroep valt om te worden gerekruteerd.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling daadwerkelijk en kenbaar rekening is gehouden met eisers individuele omstandigheden, zijn referentiekader en de beschikbare landeninformatie.

Adequate opvang

11. In een drietal uitspraken van 8 juni 2022 heeft de Afdeling uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het HvJEU van 14 januari 2021 in de zaak T.Q. tegen Nederland. In deze uitspraken is geoordeeld dat verweerder zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Verweerder moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een terugkeerbesluit als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Daarbij volgt uit de rechtspraak van het HvJEU dat de lidstaten voortvarend moeten handelen aangezien een alleenstaande minderjarige niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Dat is namelijk niet alleen in strijd met het belang van het kind, maar belemmert ook de verwezenlijking van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn waardoor aan die richtlijn haar nuttige werking kan worden ontnomen.

12. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat geen nader onderzoek naar de ouders van eiser is verricht, omdat eiser heeft verklaard geen contact met hen te hebben en volgens verweerder geen verdere aanknopingspunten heeft verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering onvoldoende. Dat eiser geen contact meer heeft met zijn ouders, betekent op zichzelf nog niet dat onderzoek naar hereniging niet mogelijk is. Daarbij is van belang dat verweerder eisers identiteit en herkomst geloofwaardig heeft geacht. Ook heeft eiser informatie gegeven over zijn woonadres. Dat zijn belangrijke aanknopingspunten in een zoektocht naar informatie over eisers ouders, waarmee verweerder onderzoek had kunnen doen of had kunnen doorvragen. Niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of langs andere kanalen informatie over eisers ouders of andere familieleden kon worden verkregen.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in Ethiopië adequate opvang beschikbaar is bij de opvanginstelling “[locatie]” en heeft daarvoor verwezen naar de in het voornemen genoemde informatie en de beslisnota. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat DT&V met [locatie] heeft afgesproken dat, zodra het terugkeerproces aanvangt, wordt nagegaan of daadwerkelijk een opvangplaats beschikbaar is. [locatie] zal op dat moment schriftelijk moeten bevestigen dat er plaats beschikbaar is, waarna DT&V de feitelijke toegang tot de opvang regelt. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat daarmee voldoende is onderzocht of voor eiser adequate opvang beschikbaar is. Uit landeninformatie volgt dat er geen gevallen bekend zijn dat een alleenstaande minderjarige daadwerkelijk was teruggekeerd en opgevangen. Ook zijn er twijfels over de kwaliteit van de opvang.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor het nemen van het terugkeerbesluit onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat voor eiser adequate opvang in Ethiopië beschikbaar is. Er is onvoldoende onderzocht of eiser met zijn ouders of andere familieleden kan worden herenigd. Daarnaast is onvoldoende duidelijk dat er daadwerkelijk opvangplaatsen beschikbaar zijn voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Verweerder heeft zich daarom niet, overeenkomstig het arrest T.Q., op grond van een algemene en grondige beoordeling van eisers individuele situatie ervan overtuigd dat voor hem adequate opvang beschikbaar is. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond, omdat het besluit meerdere gebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om opnieuw af te wegen of opnieuw deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak (artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 september 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. de Danschutter

Griffier

  • mr. M. Gasi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand