Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/169398-26 en 01/355771-24 (tul)
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.H. Limburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.M.V. Bandhoe naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2026 te ’s-Gravenhage levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezenverklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026208400, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 12 juni 2026 (p. 6-7).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 12 juni 2026 te ’s-Gravenhage levensmiddelen die aan Albert Heijn B.V. toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om geen ISD-maatregel aan de verdachte op te leggen. Volgens de raadsman is niet voldaan aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. De verdachte heeft in het verleden geen hulp gekregen. Daarmee is niet voldaan aan een van de doelen van het strafrecht, namelijk speciale preventie. Volgens de raadsman zal de verdachte vrijwillig naar Polen kunnen vertrekken met hulp van Stichting Barka, op 11 oktober 2026. Als de verdachte dit niet doet, kan de verdachte aansluitend op een strafrechtelijke titel op vreemdelingenrechtelijke titel vast komen te zitten en zal hij gedwongen worden uitgezet naar Polen. De raadsman verzoekt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen maatregel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel financiële schade en hinder oplevert. De samenleving ondervindt bovendien schade van winkeldiefstallen, onder meer doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen uiteindelijk door de consumenten worden betaald.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte de afgelopen jaren meermaals is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Gedurende de proeftijd (die liep van 21 maart 2025 tot 18 april 2028) van een aan hem bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2025 opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel, kwam hij tweemaal met justitie in aanraking (waaronder voor het aan de orde zijnde tenlastegelegde feit).
Reclassering adviseert onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 juni 2026, opgesteld door [naam 1] . Uit het advies volgt dat sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten en delicten tegen het openbaar gezag. Er is sprake van een hoog recidiverisico. De verdachte heeft geen huisvesting, geen inkomen, geen dagbesteding, heeft schulden en heeft geen positief steunnetwerk in Nederland.
De verdachte is vaker veroordeeld, heeft meerdere keren verbleven in detentie en blijft ook in de proeftijd van de hiervoor genoemde aan hem opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel recidiveren. De reclassering adviseerde destijds dat een voorwaardelijke ISD-maatregel passend zou zijn, omdat verdachte toen aangaf met hulp van Stichting Barka terug te willen gaan naar Polen. Dat blijkt de verdachte niet gedaan te hebben. De reclassering adviseert, mede gelet hierop, bij veroordeling van de verdachte in deze zaak aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Ter terechtzitting heeft deskundige [naam 2] (reclasseringswerker) verklaard dat zij blijft bij het reclasseringsadvies. Volgens de deskundige zijn de mogelijkheden van de reclassering beperkt, omdat de verdachte geen verblijfsrecht heeft in Nederland.
Aan voorwaarden voor oplegging ISD-maatregel is voldaan
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde feit meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan nadat die eerdere veroordelingen ten uitvoer zijn gelegd en er, mede gelet op het reclasseringsadvies, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De verdachte valt voorts onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.
Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade dient het belang van de samenleving thans voorop te staan en eist de veiligheid van goederen de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank ziet geen reële andere mogelijkheid om overlast en recidive te voorkomen. Aan verdachte is reeds een ISD-maatregel opgelegd in voorwaardelijke vorm, en dat weerhield hem niet van het opnieuw plegen van strafbare feiten. Een voorwaardelijke straf of maatregel met reclasseringstoezicht zal bovendien onvoldoende waarborgen bieden, gelet op de verblijfsstatus van de verdachte. De verdachte kan immers geen aanspraak maken op sociale voorzieningen in Nederland, terwijl de reclassering in de uitvoering van toezicht juist van die voorzieningen afhankelijk is. Met een onvoorwaardelijke ISD-maatregel kan worden voorzien in de juiste hulp en begeleiding en kan met de verdachte worden gekeken naar de mogelijkheden om op termijn terug te keren naar zijn geboorteland.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet aftrekken van de duur van die maatregel.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 11 augustus 2026 gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2025, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet-naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, gelet op de reeds gevorderde oplegging van de ISD-maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte wordt bij dit vonnis reeds een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd. De rechtbank zal daarom de vordering tot uitvoerlegging afwijzen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte door de rechtbank Oost-Brabant op 6 maart 2025 ten aanzien van parketnummer 01/355771-24 voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Hofman, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. F. Bouman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2026.