RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.7767
V-nummer: [v-nummer]
[eiser] , geboren op [geboortedag 1] 2007, van Eritrese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Procesverloop
Op 18 februari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 23 april 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag, waarbij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingewilligd.
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep richt zich alleen tegen de vaststelling van de geboortedatum van eiser, omdat de minister volgens hem een verkeerde geboortedatum heeft gehanteerd.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 18 oktober 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Tegen de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) heeft eiser verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedag 1] 2007 te [plaats] . Later in de asielprocedure, tijdens het aanmeldgehoor, heeft eiser verklaard dat hij is geboren op [geboortedag 2] 2007. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een doopakte overlegd.
2. De minister heeft bij het bestreden besluit van 23 april 2025 de asielaanvraag van ingewilligd en de geboortedatum [geboortedag 1] 2007 aangehouden. In dat besluit heeft de minister opgemerkt dat de overgelegde doopakte geen identificerend document is. Om die reden hanteert de minister voor eiser de geboortedatum van [geboortedag 1] 2007, zoals eiser die zelf bij de AVIM heeft verklaard.
3. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geboren is op [geboortedag 2] 2007. Hierbij is voor de minister van belang dat eiser tijdens het gehoor bij de AVIM heeft verklaard dat hij is geboren op [geboortedag 1] 2007 en dat niet is gebleken dat eiser zijn precieze geboortedatum niet zou weten of dat de afnemer van het AVIM-gehoor een fout heeft gemaakt bij het noteren daarvan. Verder merkt de minister op dat Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de overlegde doopakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Omdat eiser verder geen andere documenten heeft die iets zouden kunnen zeggen over zijn identiteit wordt uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedag 1] 2007. Ter zitting heeft de minister er ook op gewezen dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op 13 juli 2024 zelf heeft verklaard dat hij “zeventien jaar” zou zijn. Dit impliceert dat hij in elk geval vóór 13 juli 2007 geboren moet zijn, hetgeen onverenigbaar is met de geboortedatum van [geboortedag 2] 2007.
4. Eiser voert in beroep aan dat hij de gestelde geboortedatum van [geboortedag 2] 2007 aannemelijk heeft gemaakt. Dit blijkt volgens hem uit de overgelegde doopakte waarop deze geboortedatum staat vermeld. Verder vindt eiser dat de bij de AVIM genoteerde geboortedatum van [geboortedag 1] 2007 niet als uitgangspunt kan worden gehanteerd, aangezien hij deze datum later in het aanmeldgehoor heeft gecorrigeerd en heeft gezegd dat hij op [geboortedag 2] 2007 is geboren. Ter zitting heeft eisers gemachtigde naar voren gebracht dat de leeftijd in Eritrea ordinaal wordt geteld, hetgeen betekent dat wordt geteld in welk levensjaar iemand zich bevindt. Dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op 13 juli 2024 dus verklaarde zeventien jaar te zijn, moet dan ook in dat licht worden bezien. Eiser was dus zestien jaar oud en begonnen aan zijn zeventiende levensjaar. Gelet hierop is het volgens eisers gemachtigde goed verklaarbaar dat eiser op 13 juli 2024 heeft verklaard zeventien jaar te zijn.
5. De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Tegen de AVIM heeft eiser op 18 oktober 2023 verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedag 1] 2007 te [plaats] . Uit het onderzoek van Bureau Documenten volgt dat de overgelegde doopakte – waarmee eiser de geboortedatum van [geboortedag 2] 2007 heeft willen onderbouwen – met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, waardoor de inhoudelijke juistheid van het document niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft (in beroep) geen aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid of concludentie van het onderzoek van Bureau Documenten. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in beroep geen andere identificerende documenten heeft overlegd. Ook heeft eiser in zijn geheel niet onderbouwd dat in Eritrea, of door mensen die daar vandaan komen, een ordinale telling van de leeftijd wordt gehanteerd. Gelet op al deze vaststellingen en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedag 1] 2007. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.
6. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit op het onderdeel van de geboortedatum in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.