ECLI:NL:RBDHA:2026:29481

ECLI:NL:RBDHA:2026:29481

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 09-351678-24 (hoofdzaak), 09-144884-25, 09-137146-25, 09-238970-25 en 09-350865-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugd. Veroordeling voor twaalf strafbare feiten waaronder diefstal met geweld, openlijk geweldplegingen en pogingen tot zware mishandeling. Verdachte wordt veroordeeld tot 13 maanden jeugddetentie en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-351678-24 (hoofdzaak), 09-144884-25, 09-137146-25, 09-238970-25 en 09-350865-25 (allen ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 28 september 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna de verdachte),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

op dit moment verblijvende in: [instelling 1] in [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 1 mei 2025, 6 oktober 2025, 20 januari 2026, 30 maart 2026, 23 april 2026 (allen pro forma), 7 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 28 september 2026 (sluiting onderzoek).

De officier van justitie in deze zaak is mr. A.J. Algera en de raadsvrouw van de verdachte is mr. W.G. Nieman te Leiden. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Dagvaarding I 09-351678-24

1. het medeplegen van afpersing op 3 november 2024 te Sassenheim tegen [aangever 1] ;

2. een openlijke geweldpleging op 3 november 2024 te Voorhout tegen [aangever 2] ;

3. een mishandeling op 2 november 2024 te Sassenheim tegen [aangever 3] ;

4. een poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling op 31 oktober 2024 te Voorhout tegen [aangever 4] ;

5. een openlijke geweldpleging op 31 oktober 2024 te Voorhout tegen een fiets;

6. een openlijke geweldpleging in de periode van 28 augustus 2024 tot en met 31 oktober 2024 te Sassenheim en/of Voorhout tegen [aangever 4] en/of [aangever 5] ;

7. een poging tot het medeplegen van zware mishandeling, dan wel openlijke geweldpleging op 18 oktober 2024 te Lisse tegen [aangever 6] ;

8. het medeplegen van diefstal met geweld op 17 oktober 2024 te Voorhout tegen [aangever 7] .

Dagvaarding II 09-144884-24

1. het medeplegen van diefstal van een shovel op 28 april 2024 te Katwijk tegen [aangever 8] , dan wel het medeplegen van joyriding;

2. het rijden zonder rijbewijs op 28 april 2024 te Katwijk;

3. een vernieling op 28 april 2024 te Katwijk tegen [aangever 8] .

Dagvaarding III 09-137146-25

een openlijke geweldpleging op 16 maart 2025 te Rotterdam tegen [aangever 9] .

Dagvaarding IV 09-238970-25

het medeplegen van diefstal van een bromfiets op 9 september 2025 te Leiden tegen [aangever 10] , dan wel de poging tot het medeplegen van diefstal.

Dagvaarding V 09-350865-25

een mishandeling op 11 december 2025 te Katwijk tegen [aangever 11] .

De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding In het najaar van 2024 hebben er in de gemeenten Teylingen, Sassenheim en in de Duin & Bollenstreek verschillende geweldsincidenten tussen jongeren plaatsgevonden. Dit betroffen feiten als mishandelingen, openlijk geweldplegingen en berovingen. Deze feiten werden in verschillende samenstellingen van groepen jongeren gepleegd, kennelijk om over en weer verhaal bij elkaar te halen. De verdachte wordt van betrokkenheid bij zeven van deze geweldsincidenten verdacht. Daarnaast zijn hem nog zeven andere feiten ten laste gelegd, waaronder ook gewelds- en vermogensdelicten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3 van dagvaarding II en tot bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van het onder feit 4 van dagvaarding I alleen wordt gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde ‘poging tot zware mishandeling’ en daarmee vrijspraak wordt gevorderd voor het impliciet primair ten laste gelegde ‘poging tot doodslag’.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding II onder 1 primair en 3 ten laste gelegde en het bij dagvaarding V ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het overige ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak dagvaarding II feit 3 (09-144884-25)

Dit feit betreft een vernieling op 28 april 2024. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde van dagvaarding II niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak dagvaarding V (09-350865-25)

Aangever [aangever 11] heeft aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte op 11 december 2025.

Uit het dossier volgt dat de aangever op 11 december 2025 in de woning van [naam 1] aanwezig was. De verdachte kwam die avond met zijn vriend [naam 2] , de zoon van [naam 1] , naar deze woning toe. [naam 2] wilde niet dat de aangever in de woning aanwezig was. De aangever was, zo blijkt uit de aangifte, naar boven gegaan zodat [naam 2] hem niet zou zien en om een confrontatie te vermijden. Uit de verschillende verklaringen blijkt dat vervolgens in de woning een woordenwisseling is ontstaan tussen alle aanwezige personen. Over de gebeurtenissen daarna lopen de verklaringen uiteen.

Zo heeft de aangever verklaard dat hij door de verdachte werd geslagen toen hij beneden kwam. Door [naam 1] is ook verklaard dat zij gezien heeft dat de verdachte de aangever in zijn gezicht sloeg. Daartegenover staan de verklaringen van de verdachte en de verklaring van [naam 2] bij de rechter-commissaris. De verdachte ontkent stellig dat hij de aangever heeft aangeraakt. Hij verklaart dat [naam 2] de aangever heeft geslagen. [naam 2] heeft verklaard dat hij niet gezien heeft dat de verdachte iemand heeft geraakt. Hij ondersteunt ook de verklaring van de verdachte dat de verdachte enkel en alleen in de deuropening heeft gestaan. In het dossier bevindt zich ook de 112-melding van [naam 1] . Uit de melding blijkt dat er veel is geschreeuwd en dat er geroepen is ‘ [verdachte] , niet doen, niet doen’ maar ook ‘ [naam 2] , waarom doe je dit?! [naam 2] . Nee, niet doen, niet doen!’

Op basis van het dossier is de rechtbank van oordeel dat het onvoldoende duidelijk is wat zich nu exact heeft afgespeeld in de woning of buiten de woning. De rechtbank kan daardoor niet buiten gerede twijfel komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde mishandeling.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van de overige feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Dagvaarding I (09-351678-24)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreffen dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2024336980_Politiedossier (Dossier straatroof 17 oktober 2024) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 136), van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2024357342_Pv toetsing RC (PV RK) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 106), van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2024357342_Pv voorgeleiding op OZD (PV VGL) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 156) en van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2024412987_Politieprocesdossier (Einddossier) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 355). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Feit 1:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 3 november 2024 (p. 66-69 PV VGL);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 116-124 PV VGL);

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , opgemaakt op 4 november 2024 (p. 147-156 PV VGL).

Feit 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 4 november 2024 (p. 15-30 PV VGL);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 116-124 PV VGL);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 33-41 PV VGL).

Feit 3:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 4 november 2024 (p. 59-61 PV VGL);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 125-130 PV VGL).

Feit 4:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 6 november 2024 (p. 30-34 PV RK);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 5 november 2024 (p. 131-139 PV VGL);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 84-92 PV VGL).

Feit 5:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 12] , opgemaakt op 6 november 2024 (p. 54-75 PV RK);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 11 november 2024 (p. 91-101 PV RK).

Feit 6:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 6 november 2024 (p. 30-34 PV RK);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 11 november 2024 (p. 91-101 PV RK);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 november 2024 (p. 84-92 PV VGL);

5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 7 november 2024 (p. 37-40 PV RK);

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 november 2024 (p. 41-43 PV RK).

Feit 7:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 24 oktober 2024 (p. 102-106 PV RK);

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 11 november 2024 (p. 91-101 PV RK);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 oktober 2024 (p. 213-215 Einddossier);

5. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 11 december 2024 (p. 334-353 Einddossier).

Feit 8:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , opgemaakt op 18 oktober 2024 (p. 13-20 Dossier straatroof 17 oktober 2024);

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 19 oktober 2024 (p. 26-29 Dossier straatroof 17 oktober 2024);

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] , opgemaakt op 20 december 2024 (p. 37-43 Dossier straatroof 17 oktober 2024).

Dagvaarding II (09-144884-24)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2024133510_Politieprocesdossier van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 70).

Feit 1:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 13] , opgemaakt op 28 april 2024 (p. 10-13);

3. Het proces-vervaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 28 april 2024 (p. 21-23);

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 29 april 2024 (p. 47-56).

Feit 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 29 april 2024 (p. 47-56).

Dagvaarding III (09-137146-25)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2025138180_Politieprocesdossier van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 23).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] , opgemaakt op 9 april 2025 (p. 6-9);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 april 2025 (p. 10-13).

Dagvaarding IV (09-238970-25)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH00000_2025306790_Pv voorgeleiding op OZD van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 73).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 14] , opgemaakt op 10 september 2025 (p. 8-11);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 september 2025 (p. 30-35).

Bewijsoverwegingen dagvaarding I feit 4 (poging doodslag dan wel poging zware mishandeling [aangever 4] )

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 impliciet primair ten laste gelegde (poging doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Hoewel de verdachte een aantal keer flink heeft getrapt op of tegen het hoofd van aangever [aangever 4] , kan niet worden vastgesteld dat er bij de verdachte sprake was van (vol) opzet, gericht op de dood van de aangever. Daarnaast valt niet vast te stellen dat de door de verdachte gepleegde geweldshandelingen dusdanig waren dat daardoor de aanmerkelijk kans ontstond dat letsel zou worden veroorzaakt waardoor de aangever zou komen te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat er wel een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel was. De verdachte heeft meerdere malen tegen het hoofd van de aangever geschopt. De aangever lag op de grond, op straat, waardoor zijn hoofd op een harde ondergrond lag. Vanwege die omstandigheden met betrekking tot de aard van de geweldshandelingen door de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestond op ernstig hoofdletsel, zoals botbreuken, en op hersenletsel. Daarvoor zou medisch ingrijpen noodzakelijk zijn geweest terwijl herstel naar verwachting lang zou kunnen duren. De verdachte heeft de kans op zwaar lichamelijk letsel, door onder de gegeven omstandigheden zo te handelen, bewust aanvaard. De rechtbank acht dan ook het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Bewijsoverwegingen dagvaarding I feit 7 (mishandeling [aangever 6] )

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich primair schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van de aangever [aangever 6] en subsidiair aan openlijke geweldpleging tegen de aangever.

In het dossier bevinden zich verklaringen van medeverdachten die hebben verklaard dat de verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen de aangever. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij met twee medeverdachten op de aangever heeft ingetrapt en dat zij allen hem tegen het hoofd hebben geschopt. De vraag is hoe het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden.

Op grond van de inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte dan voorwaardelijk opzet daarop had. Van voorwaardelijk opzet kan sprake zijn als de verdachte een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat door te trappen op het hoofd, meer specifiek in het gezicht van de aangever, die op de (harde) grond lag, de kans aanmerkelijk is te achten dat er zwaar lichamelijk letsel optreedt. De kans dat dergelijke trappen leiden tot botbreuken in het gezicht of hersenletsel waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is en/of volledig herstel niet mogelijk of zeer langdurig van aard zal zijn, acht de rechtbank aanmerkelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, in samenhang met de gedragingen van de medeverdachten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

Bewijsoverwegingen dagvaarding I feit 8 (beroving [aangever 7] )

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een beroving waarbij is gedreigd met geweld (straatroof). De verdachte heeft bekend dat hij samen met anderen de aangever heeft beroofd van een slof sigaretten. Hij en de medeverdachten droegen een bivakmuts of een andere vorm van gezichtsbedekking. Zij zijn met elkaar om de aangever heen gaan staan. Door de aangever, een getuige en enkele medeverdachten is verklaard dat de verdachte daarbij met een mes tegen de aangever heeft gedreigd. Volgens de verdachte is dat helemaal niet gebeurd.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever, de getuige [getuige 1] en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Niet valt in te zien waarom de aangever en zijn vriendin over het gebruik van het mes een onjuiste verklaring zouden afleggen. De medeverdachten belasten in wezen ook zichzelf met hun verklaring, waardoor ook hun verklaring geloofwaardig overkomt. De rechtbank acht dan ook de door de verdachte gepleegde diefstal met bedreiging, met een mes, bewezen.

Bewijsoverweging dagvaarding II feit 1 (diefstal shovel)

De verdachte heeft op 28 april 2024 met een medeverdachte een shovel meegenomen.

De verdachte heeft hierover verklaard dat hij en de medeverdachte naar Voorhout moesten gaan en dat zij geen vervoer hadden. Onderweg zijn zij de shovel tegengekomen en stelde de medeverdachte voor om de shovel mee te nemen. Dat hebben zij vervolgens gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich de shovel heeft toegeëigend, in die zin dat hij als heer en meester heeft beschikt over de shovel, op het moment dat hij deze niet meer heeft teruggebracht. De primair ten laste gelegde diefstal in vereniging is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I 09-351678-24

1hij op 3 november 2024 te Sassenheim, gemeente Teylingen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas die aan die [aangever 1] toebehoorde, door genoemde [aangever 1] :- klem te rijden,- op zijn knieën te dwingen door te zeggen: "op je knieën en anders laat ik je uitkleden!",- in het gezicht te slaan en- tegen die [aangever 1] te zeggen dat hij zijn jas moest geven;

2hij op 3 november 2024 te Voorhout, gemeente Teylingen openlijk, te weten, op de Churchilllaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , door genoemde [aangever 2] meerdere malen:- te duwen,- in het gezicht te slaan en- terwijl die [aangever 2] op de fiets zat, tegen de fiets van die [aangever 2] te schoppen, tengevolge waarvan die [aangever 2] ten val kwam;

3hij op 2 november 2024 te Sassenheim, gemeente Teylingen [aangever 3] heeft mishandeld door die [aangever 3] in het gezicht te slaan en tegen het been te schoppen;

4hij op 31 oktober 2024 te Voorhout, gemeente Teylingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, genoemde [aangever 4] op de grond heeft gegooid en vervolgens meermalen met kracht:- op/tegen het hoofd van die [aangever 4] heeft geschopt/gestampt en- tegen de rug van die [aangever 4] heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5hij op 31 oktober 2024 te Voorhout, gemeente Teylingen openlijk, te weten in het Strausspark, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een fiets (mountainbike kleur geel), door op/tegen de wielen van die fiets te trappen, de banden kapot te snijden en de fiets vervolgens in de sloot te gooien;

6hij op 28 augustus 2024 en op 31 oktober 2024 te Sassenheim te Voorhout, gemeente Teylingen, meermalen openlijk, te weten op de Willem Warnaarlaan en in het Strausspark, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en [aangever 5] , door die [aangever 4] en [aangever 5] (meermalen):- te dwingen op de knieën te gaan zitten, anders zouden zij in elkaar geslagen worden en vervolgens - meermalen 'sorry koning...' (met een naam erachter) te laten zeggen en

- in het gezicht te slaan en- tegen de benen, althans het lichaam, te schoppen,terwijl verdachte en zijn mededader(s) dit geweld en deze vernedering hebben gefilmd/laten filmen;

7hij op 18 oktober 2024 te Lisse tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [aangever 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 6] :- met zijn hoofd tegen een houten balk heeft geduwd,- op de grond heeft getrokken/gegooid en vervolgens meermalen- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geschopt en geslagen en- tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8hij op 17 oktober 2024 te Voorhout, gemeente Teylingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een slof sigaretten, die geheel aan [aangever 7] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- die [aangever 7] in te sluiten, althans om hem heen te gaan staan en- die [aangever 7] een mes te tonen en een mes tegen de borst van die [aangever 7] te houden en (daarbij) de woorden toe te voegen "geef die tas en die slof" en vervolgens- een tas met daarin een slof sigaretten uit de handen van die [aangever 7] te trekken;

Dagvaarding II 09-144884-25

1hij op 28 april 2024 te Katwijk tezamen en in vereniging met een ander, een shovel, die aan [aangever 8] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2hij op 28 april 2024 te Noordwijk en Katwijk als bestuurder van een motorrijtuig (een shovel) heeft gereden op de weg, Langeveld en N206 en Van Berckelweg en Hoogeveenseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

Dagvaarding III 09-137146-25 hij op 16 maart 2025 te Rotterdam openlijk, te weten op de Mathenesserweg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 9] , door die [aangever 9] : - op zijn knieën te dwingen,- bij de keel vast te pakken,- meermalen in/tegen het gezicht te slaan en- door de voornoemde geweldshandelingen te filmen;

Dagvaarding IV 09-238970-25 hij op 9 september 2025 te Leiden, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, een bromfiets, die aan [aangever 10] toebehoorde, heeft weggenomen;Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de PIJ-maatregel voorwaardelijk op te leggen met daarnaast een jeugddetentie gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke maatregel kunnen de voorwaarden die eerder zijn opgelegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis (met uitzondering van het locatieverbod) worden verbonden. De verdachte verdient nog een kans om te laten zien dat hij zich aan voorwaarden kan houden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in anderhalf jaar tijd schuldig gemaakt aan verschillende geweldsdelicten en vermogensdelicten.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een shovel en het rijden zonder rijbewijs.

Een half jaar daarna heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [aangever 5] . De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer gedwongen om op de knieën te gaan zitten waarna het slachtoffer meermaals ‘sorry koning’ moest zeggen terwijl hij werd gefilmd. Dit heeft de verdachte opnieuw gedaan bij [aangever 4] . Ook hier werd het slachtoffer op zijn knieën gedwongen en moest hij meermaals ‘sorry koning’ zeggen terwijl hij werd gefilmd. Daarnaast heeft de verdachte meerdere malen op en tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. De verdachte mag van geluk spreken dat [aangever 4] hier geen blijvend letsel aan heeft overgehouden. Er is hier telkens sprake van zinloos, vernederend en ernstig geweld. De slachtoffers kunnen blijvend met de gevolgen hiervan geconfronteerd worden doordat deze feiten zijn gefilmd en verspreid via social media. De verdachte heeft met anderen ook een afpersing gepleegd, waarbij eveneens geweld is gebruikt, het slachtoffer zich moest uitkleden en op de knieën moest gaan zitten. Ook dit is vernederend.

Daarnaast heeft de verdachte met anderen een beroving gepleegd en onder dreiging van geweld een slof sigaretten gestolen. De verdachten hadden hun gezicht bedekt met bivakmutsen en capuchons. Hierbij hebben de verdachten het slachtoffer omsingeld en onder dreiging van een mes de slof sigaretten afhandig gemaakt.

Een dag na deze beroving heeft de verdachte met enkele medeverdachten [aangever 6] mishandeld. Opnieuw hadden zij hun gezichten bedekt met bivakmutsen. Dit is heel beangstigend geweest. Uit het dossier blijkt dat jongere kinderen in een speeltuin dit hebben gezien en daar angstig van zijn geworden. Het slachtoffer heeft letsel opgelopen doordat hij tegen zijn hoofd en zijn lichaam werd getrapt. Dit had ook veel ernstiger kunnen aflopen.

Vervolgens heeft de verdachte zich nog schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] en tegen een fiets. [aangever 2] heeft hieraan letsel overgehouden aan haar arm en de fiets is vernield. Een paar maanden later heeft de verdachte nog een keer openlijk geweld gepleegd. Het slachtoffer is op zijn knieën gedwongen, bij de keel gepakt en in het gezicht geslagen, ook dit is door de verdachte gefilmd. Ten slotte heeft de verdachte nog met een ander een bromfiets gestolen.

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer anderhalf jaar aan een groot aantal feiten schuldig gemaakt, waaronder stevige geweldsfeiten. Door zijn handelen heeft hij telkens op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en laten zien dat hij totaal geen respect heeft voor eigendom van anderen. Voor alle feiten geldt dat de samenleving als geheel, en in het bijzonder de groep minderjarigen, hierdoor gevoelens van onveiligheid ervaart. Temeer nu veel van de geweldsfeiten zijn gefilmd en de filmpjes zijn verspreid. Dit is voor de slachtoffers, naast de fysieke mishandeling, zeer belastend en met name zeer vernederend geweest. Hetgeen – volgens zijn eigen verklaring – ook de bedoeling van de verdachte is geweest. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 juli 2026. De verdachte is eerder veroordeeld voor een mishandeling en een vernieling. Dit weegt in strafverzwarende zin mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:

het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia van 13 april 2026 door GZ-psycholoog drs. M.H. Bakkes en kinder- en jeugdpsychiater dr. R.F. Ferdinand;

de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 april 2026 en 15 juli 2026.

Uit het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia komt het volgende naar voren.

Er is bij de verdachte sprake van een reactieve hechtingsstoornis, een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis, een normoverschrijdend-gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale, borderline en narcistische kenmerken en een stoornis in middelengebruik. De verdachte is opgegroeid in een zeer onveilige en verwaarlozende gezinssituatie en is op jonge leeftijd uit huis geplaatst. Hij was zwaar getraumatiseerd en hechtingsgestoord waardoor hij agressief, onvoorspelbaar, zelfbepalend, dreigend, vernielend en fysiek agressief gedrag ging vertonen. De verdachte heeft slechts in beperkte mate zicht op zijn eigen binnenwereld. Hierdoor is het voor hem lastig om gevoelens, gedachten en intenties van anderen goed te herkennen en te begrijpen. Ook gevoelens van schuld en schaamte zijn slechts in beperkte mate aanwezig. De verdachte heeft de neiging om zijn identiteit, die nog maar weinig gevormd is, te versterken door zich boven anderen te stellen en buitenproportioneel te reageren op veronderstelde kritiek. De verdachte beschikt over een gering empathisch vermogen. Hij lijkt wel mee te voelen met vrienden, voor wie hij opkomt, maar de acties die hieruit voortvloeien hebben als doel om zijn eigen gebrekkige zelfgevoel te compenseren, door gevoelde erkenning door anderen. Hoewel hij blijk geeft van kennis van maatschappelijke normen, is normbesef ondergeschikt aan egocentrische motieven. Terwijl hij zich afhankelijk van anderen voelt, is ook sprake van basaal wantrouwen in anderen, wat angst aanwakkert en zorgt voor emotionele labiliteit. Dat maakt hem onvoorspelbaar. Er is sprake van een gebrekkig mentaliserend vermogen, beperkte coping vaardigheden, een gebrekkig empathisch vermogen, egocentrisme, wantrouwen, een gebrek aan schuldgevoelens, en een gebrekkige emotieregulatie, frustratietolerantie en agressieregulatie.

De vastgestelde stoornissen en de daarmee gepaarde functiestoornissen waren aanwezig tijdens de tenlastegelegde feiten, gelet op het duurzame patroon van de vastgestelde pathologie. Op basis van de vastgestelde psychopathologie, de gebrekkige zelfcontrole en overige beschreven forensisch relevante disfuncties, die zowel voorafgaand als ten tijde van de feiten een rol hebben gespeeld in het gedrag van de verdachte, wordt geadviseerd om de feiten in een verminderde mate aan hem toe te rekenen.

Er is sprake van een zeer hoog recidiverisico met betrekking tot gewelddadig gedrag.De problematiek van de verdachte draagt bij aan het hoge recidiverisico, terwijl eerdere interventies (zowel ambulant als residentieel) geen invloed hebben gehad op deze ontwikkeling, temeer omdat de verdachte zich in het verleden ook veelvuldig heeft onttrokken. De onderzoekers achten de problematiek van de verdachte dusdanig, dat hij niet in staat is om zich voor langere tijd vrijwillig te committeren aan behandelinterventies. Hiervoor mist hij een vanzelfsprekend vertrouwen in de ander en is de verslavingsproblematiek te ernstig. Daar komt bij dat de verdachte zicht op zijn binnenwereld mist, en vanuit interne desorganisatie onvoorspelbaar kan reageren, Hij heeft een ander nodig om zijn gedrag te reguleren. Het normoverschrijdende gedrag van de verdachte, in combinatie met zijn beperkte bereidheid om gezag te accepteren, maakt verblijf in een niet verplichte, of niet volledig gesloten setting onvoldoende veilig en daarmee risicovol. Om de ontwikkeling van de verdachte in positieve zin te beïnvloeden is het noodzakelijk dat hij meer zicht krijgt op zijn beleving en dat zijn probleemoplossende vaardigheden toenemen. Verder is van belang dat hij een meer stabiele identiteit ontwikkelt, hetgeen alleen mogelijk is binnen een voorspelbare en betrouwbare context. Binnen die context dient er aandacht te zijn voor de trauma’s, onderliggende kwetsbaarheden en tekorten die hij heeft opgelopen gedurende zijn kindertijd en vroege jeugd. Tot slot is er ook nadrukkelijk aandacht nodig voor de verslavingsproblematiek. Om aan bovenstaande te kunnen werken is een orthopedagogisch klimaat nodig, dat kan voorzien in een stabiele en betrouwbare omgeving. De verdachte lijkt vertrouwen te hebben in de behandelaren (MDFT en schematherapie) die inmiddels bij hem betrokken zijn. Het is om die reden aan te bevelen om te overwegen om de reeds ingezette therapieën (MDFT en schematherapie) voort te zetten. Dit kan eventueel worden aangevuld met non-verbale therapieën zoals psychomotore therapie of beeldende therapie. Het belangrijkste doel binnen deze therapieën is het vergroten van het mentaliserend vermogen, zodat de verdachte beter in staat raakt om gedachten, gevoelens en lichamelijke sensaties in samenhang te begrijpen. De geschetste behandeling dient klinisch te starten. Een gesloten omgeving is van belang, aangezien de verdachte bekend is met het zich onttrekken aan de hulpverlening en het zich niet houden aan de voorwaarden. Gezien de aard van de psychopathologie en de aard van het risico is een forensische setting van belang. Voor deze behandeling wordt een langere duur (langer dan twee jaar) noodzakelijk geacht, gezien het duurzame karakter en de ernst van de psychopathologie. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het enige reële juridische kader om de noodzakelijke behandeling vorm te geven, om zo de ontwikkeling van de verdachte zo gunstig mogelijk te beïnvloeden en het recidiverisico zo veel mogelijk te doen afnemen, het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel betreft.

Uit de rapporten van de Raad komt naar voren dat de visie vanuit het Pro Justitia onderzoek wordt onderschreven. De Raad maakt zich zorgen over de algehele ontwikkeling van de verdachte en ziet een zeer hoge kans op recidive. Er zijn diverse risicofactoren te benoemen, die de kans op herhaling zeer groot en aannemelijk maken. De Raad ziet dat de verdachte zelf actief diverse keuzes heeft gemaakt, die eraan bijgedragen hebben dat hij nu in deze situatie terecht is gekomen. Zo heeft hij veel hulp aangeboden gekregen om actief zijn leven positief te veranderen. Hij koos er echter geregeld zelf voor om zich niet aan de gemaakte afspraken te houden of zich er niet voor in te zetten. De verdachte laat met zijn gedrag zien dat hij van mening is dat regels en omgangsvormen niet voor hem gelden en dat hij de neiging heeft om zich te onttrekken aan toezicht. Hij is daarnaast onvoldoende in staat om situaties of gebeurtenissen die tot problemen leiden te herkennen. De verdachte lijkt nauwelijks zelf de verantwoordelijkheid en regie te nemen over zijn keuzes. Daarom heeft

de Raad niet het vertrouwen dat de verdachte binnen afzienbare tijd, zonder behandeling, zijn gedrag zal kunnen aanpassen en veranderen. Omdat de verdachte een ‘gun-factor’ heeft, heeft hij veel kansen gekregen, die de betrokken hulpverlening met goede moed met hem aangingen. Positief hierin is dat de verdachte met name met de MDFT-therapeut een goede klik heeft en met hem het beste in contact is gebleven. Desalniettemin lukt het de verdachte niet, ondanks ‘druk’ van de mogelijke PIJ-maatregel, om zijn gedrag structureel aan te passen en positief te veranderen. De Raad concludeert dat behandeling, waarin er aandacht is voor het verleden van de verdachte, noodzakelijk is om de kans op recidive te verkleinen. Het is noodzakelijk dat hij de ingrijpende gebeurtenissen die hem zijn overkomen, kan verwerken. Langdurige behandeling waarbij de verdachte weinig ruimte heeft om zich hieraan te onttrekken is nodig om zijn inzicht en vaardigheden te vergroten, en om te bereiken dat hij straks weer enigszins toegerust is om terug te keren in de maatschappij. Hij moet leren om zelf op een positieve wijze regie en eigenaarschap te nemen over zijn leven en andere keuzes te maken, die helpend voor hem zelf en voor zijn toekomst zijn. Hij moet alternatieven leren voor geweld, om conflicten op te lossen. Maar hij moet ook leren hoe hij buiten conflicten van anderen kan blijven. Het gedwongen strafrechtelijk kader is noodzakelijk om deze behandeling langdurig te kunnen borgen. De Raad ziet in pedagogische zin geen andere, minder ingrijpende mogelijkheden, binnen het strafrechtelijk kader dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, om recht te doen aan de problematiek van de verdachte.

Door de deskundige van de Raad is ter zitting nog naar voren gebracht dat het risico op recidive lastig te voorkomen is in een setting buiten de geslotenheid van de inrichting. Daarnaast is de kans groot dat de verdachte zich zal onttrekken aan behandeling wanneer er iets van hem wordt verwacht waar hij niet voor open staat. De verdachte heeft behandeling nodig en die moet vanuit het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel worden gewaarborgd.

De deskundige van Jeugdbescherming west heeft naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling zich kan vinden in het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Een opname bij de [instelling 2] , die eventueel als klinisch onderdeel van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zou kunnen worden overwogen, is beperkt van duur en lijkt daarom niet te passen bij het advies van de deskundigen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en vindt de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor openlijke geweldpleging een taakstraf van 40 uren, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.

Voor een straatroof is het uitgangspunt een taakstraf vanaf 60 uren, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat er gedreigd is met een wapen, de plaats van het delict, de leidende rol van de verdachte en het georganiseerde karakter van het feit. Voor een poging tot zware mishandeling zijn er geen oriëntatiepunten. Ook hierbij was sprake van dreigend optreden in groepsverband en er zijn opnames van gemaakt en deze beelden zijn ook verspreid.

Voor een diefstal van een bromfiets is het uitgangspunt een taakstraf vanaf 40 uur.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten zoals door de verdachte gepleegd zonder meer een jeugddetentie rechtvaardigen, gelet op de veelvoud en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder ze zijn begaan. Er kan niet met een taakstraf worden volstaan. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de jeugddetentie in het bijzonder laten meewegen de ernst van de feiten, maar ook het feit dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis meerdere malen opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven zich van de aan hem opgelegde voorwaarden niets aan te trekken en van de aan hem geboden kans(en) om te laten zien dat hij zich wel aan voorwaarden zou kunnen houden herhaalde malen geen gebruik weten te maken. De officier van justitie heeft daarom een op zichzelf passende straf geëist. Aangezien de rechtbank een feit minder bewezen verklaart dan de officier van justitie zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 13 maanden. De dagen die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zullen hierbij in mindering worden gebracht.

PIJ-maatregel

Op grond van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht kan aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, een PIJ-maatregel worden opgelegd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een reactieve hechtingsstoornis, een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis, een normoverschrijdende-gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale, borderline en narcistische kenmerken en een stoornis in middelengebruik.

Ook de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen dat de rechtbank de PIJ-maatregel oplegt. Er is bij de verdachte immers sprake van een hoog recidiverisico. Bovendien is de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Ten slotte zijn openlijke geweldpleging, poging tot zware mishandeling, diefstal in vereniging en afpersing misdrijven waarvoor naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Aan de criteria voor het opleggen van een PIJ-maatregel is daarom voldaan. Oplegging van een lichtere maatregel, zoals een GBM, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de problematiek van de verdachte en de ernst van de feiten.

De verdachte heeft er ter zitting op aangedrongen hem nog een (laatste) kans te geven en een eventuele maatregel voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank begrijpt dat de verdachte het liefst geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd krijgt en zij realiseert zich dat de maatregel een uiterst middel is. De rechtbank zal uitleggen waarom zij de PIJ-maatregel toch onvoorwaardelijk op zal leggen en ook waarom zij – met de deskundigen – van oordeel is dat oplegging van deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte is.

De verdachte is op jonge leeftijd uit huis geplaatst vanwege zijn zeer onveilige opvoedomgeving. Hij heeft – naast een lang verblijf bij een pleeggezin - in verschillende residentiële instellingen verbleven waar veelvuldig hulpverlening is ingezet voor het gedrag en de problematiek van de verdachte. Deze hulpverlening heeft onvoldoende positieve resultaten gehad, omdat de verdachte zich al snel onttrok aan deze hulpverlening. Dit is een telkens terugkerend patroon gebleken, ook in het strafrechtelijk kader. De ingezette hulpverlening heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte veel slachtoffers heeft gemaakt.

De verklaring op de zitting van de getuige [getuige 3] , hoofdbehandelaar en mede-eigenaar bij [hulpverlener] , heeft de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het realistisch en verantwoord is om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De getuige heeft verklaard dat de verdachte bij [hulpverlener] kan terugkeren en vanuit [hulpverlener] zijn behandeling kan ondergaan. Volgens de getuige zou er bij de verdachte sprake zijn van een laag recidiverisico. Zij heeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kunnen onderbouwen hoe zij tot het vaststellen van een laag recidiverisico is gekomen, met name omdat de deskundigen van het NIFP en de Raad juist een zeer hoog recidiverisico met betrekking tot gewelddadig gedrag bij de verdachte hebben vastgesteld. Daarnaast worden de feiten door de getuige bestempeld als impulsief gedrag terwijl uit de bewezenverklaring volgt dat bij, met name enkele geweldsfeiten, duidelijk sprake was van een plan. Tevens heeft de getuige naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende stilgestaan bij het feit dat de verdachte het overgrote deel van de strafbare feiten heeft gepleegd in de periode dat hij bij [hulpverlener] verbleef. Een plaatsing bij [hulpverlener] heeft hem dus niet kunnen weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Bovendien is een aantal feiten gepleegd, terwijl de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst was, mét voorwaarden.

Er zijn door de getuige ook geen concrete alternatieven naar voren gebracht waardoor het hoge recidiverisico verminderd zou kunnen worden vanuit een voorwaardelijk kader. Het normoverschrijdende gedrag van de verdachte, in combinatie met zijn beperkte bereidheid om gezag te accepteren, maakt verblijf in een niet verplichte of niet volledig gesloten setting onvoldoende veilig en daarmee risicovol. Een opname bij de [instelling 2] lijkt de rechtbank ten slotte niet passend, nu dit naar zijn aard een vrij korte opname is terwijl vanuit het advies juist een indicatie komt voor langdurige klinische behandeling in een meer gesloten setting.

De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de situatie van de verdachte. Immers, anders dan in die zaken, is de verdachte aanzienlijk ouder dan de betrokkenen in die zaken, en was er in één van die uitspraken ook een voorwaardelijke maatregel geadviseerd, hetgeen hier nu juist níet het geval is.

Er is namens de verdachte vaak verzocht om hem nog een laatste kans te gunnen, waarbij hij heeft gezegd dat het hem nu wel gaat lukken om zich aan voorwaarden te houden. De rechtbank wil wel aannemen dat de verdachte dit oprecht en serieus bedoelt. Echter, de verdachte heeft al veel mogelijkheden en kansen gehad. De rechtbank ziet nu, gezien het verloop van eerdere civiele maatregelen en de schorsing van de voorlopige hechtenis in combinatie met het advies in de Pro Justitia rapportage, onvoldoende mogelijkheden voor een voorwaardelijke maatregel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de noodzakelijke behandeling voor de verdachte, om te komen tot blijvende gedragsverandering, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slechts geboden worden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarbij speelt ook een rol dat de maatschappij beschermd moet worden tegen de verdachte. De verdachte zal eerst een deels klinische behandeling moeten krijgen, voordat hij kan terugkeren naar de maatschappij.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen dat gezien de aard van de psychopathologie en de aard van het zeer hoge recidiverisico een forensische setting noodzakelijk is. Een gesloten omgeving is van belang aangezien de verdachte bekend is met het zich onttrekken aan de hulpverlening en het zich niet houden aan de voorwaarden. Voor de behandeling wordt een langere duur (langer dan twee jaar) noodzakelijk geacht. Zowel de beschreven pathologie, als de ernst van de aan verdachte verweten feiten en het ingeschatte recidiverisico, de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden zonder het geschetste behandeltraject, het ontbreken van een daadwerkelijk beschermend sociaal netwerk, de gestrande begeleidings- en behandelingsinspanningen en tot slot de noodzaak van een gesloten en gedwongen kader, maken dat er geen reëel alternatief door de rechtbank wordt gezien om de ontwikkeling van de verdachte in een zo gunstig mogelijke zin te beïnvloeden.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene en in lijn met het advies van de deskundigen, van oordeel dat de klinische setting die een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt, het enige geschikte kader is om de verdachte de behandeling en structuur te bieden die hij nodig heeft.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, niet te boven gaat.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 12] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 340,97, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[aangever 7] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 4] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 50,- aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[aangever 8] namens [bedrijf] B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van

€ 1.054,16, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[aangever 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 719,25, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. De vorderingen van de benadeelde partij [aangever 12] , de benadeelde partij [aangever 7] en de benadeelde partij [aangever 8] kunnen geheel worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [aangever 10] kan tot een bedrag van € 308,90 worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente. Voorts vordert de officier van justitie telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 12] naar voren gebracht dat de verdachte bereid is om de vordering te betalen, maar het voelt voor hem niet rechtvaardig om als enige aansprakelijk te worden gehouden. Indien deze vordering bij de medeverdachten al is opgelegd, dient de vordering te worden afgewezen bij gebreke van belang.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] is de verdachte bereid om de gevorderde materiële schade te betalen. Hij heeft wel moeite met de immateriële schade. De verdediging heeft verzocht dit deel van de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat het een onevenredige belasting is van het strafgeding.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 8] heeft de verdediging aangegeven dat de verdachte de schade aan de shovel betwist. Hij heeft geen schade aangericht. Verder heeft de medeverdachte volgens de verdachte alle schade betaald. De schade kan niet dubbel worden toegewezen.

Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de vordering van de benadeelde partij [aangever 10] af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Er wordt in feite vergoeding van een geheel nieuwe scooter verzocht, terwijl de scooter al een hele tijd kapot op dezelfde plek stond.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [aangever 12]

De hoogte van de vordering is namens verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 5 bewezenverklaarde feit van dagvaarding I, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 340,97 bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 van dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 340,97, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 12] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Benadeelde partij [aangever 7]

De hoogte van de vordering is namens verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 8 bewezenverklaarde feit van dagvaarding I. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 850,-, bestaande uit € 50,-materiële schade en € 800,- immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 8 bewezenverklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag

€ 850,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 7] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Benadeelde partij [aangever 8]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit van dagvaarding II. De verdachte heeft de shovel met een medeverdachte gestolen en deze shovel moest worden teruggebracht naar het bedrijf. Dit heeft manuren en brandstof gekost. De rechtbank zal daarvoor een vergoeding naar billijkheid toekennen, nu de gevorderde bedragen zijn betwist en deze de rechtbank, zonder nadere onderbouwing, ook hoog voorkomen. De rechtbank zal daarom uitgaan van één manuur naar het weekendtarief en vijf liter aan brandstof. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 276,10, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 april 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit van dagvaarding II is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag

€ 276,10, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 april 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 8] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Benadeelde partij [aangever 10]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit van dagvaarding IV. De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij bij het feit het voorscherm heeft vernield. De schade aan het voorscherm zal dan ook worden toegewezen ter grootte van € 71,95.

De rechtbank zal echter, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten knipperlicht, contactslotset, achterlicht glas, stuur schakelaar, rem handel, windscherm, stuur, het ophalen bij het politiebureau en de de- en montagedelen om de scooter weer startend te maken, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De scooter heeft maandenlang op straat gestaan en het was al bekend dat de scooter niet meer kon rijden. Uit het dossier is onvoldoende gebleken wat het causaal verband is tussen het gedrag van de verdachten en deze schadeposten. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder bewezenverklaarde strafbare feit van dagvaarding IV is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag

€ 71,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 10] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 4 impliciet primair van dagvaarding I (09-351678-24) ten laste gelegde, onder feit 3 van dagvaarding II (09-14884-25) ten laste gelegde en het onder dagvaarding V (09-350865-25) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.11 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

Dagvaarding I 09-351678-24

ten aanzien van feit 1:

afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling;

ten aanzien van feit 4:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 5:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

ten aanzien van feit 6:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 7:

medeplegen van poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 8:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Dagvaarding II 09-144884-24

ten aanzien van feit 1:

diefstal, door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Dagvaarding III 09-137146-25

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Dagvaarding IV 09-238970-25

diefstal, door twee of meer verenigde personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf en maatregel

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 13 (dertien) maanden;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 12] en de schadevergoedingsmaatregel (dagvaarding I - feit 5)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 12] hoofdelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 340,97 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 12] , een bedrag van € 340,97, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij [aangever 12] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 12] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 12] te betalen € 340,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 12] en omgekeerd;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] en de schadevergoedingsmaatregel (dagvaarding I – feit 8)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 7] hoofdelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 850,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van

€ 850,-, bestaande uit € 50,- materiële schade en € 800,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij [aangever 7] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 7] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 7] te betalen € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [aangever 7] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 8] en de schadevergoedingsmaatregel (dagvaarding II - feit 1)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 8] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 276,10 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van

€ 276,10, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 april 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [aangever 8] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 8] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 8] te betalen € 276,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [aangever 8] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 10] en de schadevergoedingsmaatregel (dagvaarding IV)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 10] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 71,95 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 10] , een bedrag van

€ 71,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [aangever 10] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [aangever 10] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever 10] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 10] te betalen € 71,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [aangever 10] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,

en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.J. van Heel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand