RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.57310
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 22 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Alizadeh als tolk en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Is er een juiste kennisgeving?
4. Eiser voert allereest aan dat de kennisgeving in het dossier een andere maatregel bevat dan de maatregel op grond waarvan eiser op dit moment in bewaring gehouden wordt en waar het beroep op ziet. Volgens hem zou een onjuiste kennisgeving moeten leiden tot opheffing van de maatregel.
De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving een andere maatregel bevat, maar dat de kennisgeving tijdig is gedaan. Uit de kennisgeving volgt dat die ziet op de maatregel van
24 september 2026, dus op onderhavige maatregel. Uit de kennisgeving en de overige stukken in het dossier is voldoende duidelijk geworden op welke maatregel dit beroep ziet en er is tijdig uitspraak gedaan door de rechtbank. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat de verkeerde maatregel is aangehecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Verder betwist eiser dat er sprake is van een onderduikrisico. Eiser voert aan dat hij volledig meewerkt en bij zijn partner kan verblijven. Eiser betwist hierbij alle gronden onder a, p, r en s. Hij meent dat hij Nederland rechtmatig is binnen gereisd met een geldig document. Volgens eiser blijkt uit de motivering van de grond onder p niet aan welke verplichtingen hij zich niet heeft gehouden. Ook betwist eiser dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen heeft, omdat hij bij zijn partner kan verblijven die voor hem garant wil staan.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser aanvoert zijn de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd. De minister mag de grond onder a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Zo is gebleken dat eiser niet met de juiste documenten is ingereisd en zich langere tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft hiervan geen melding gemaakt en heeft langere tijd illegaal in Nederland verbleven. Ook de gronden onder p, r en s mocht de minister tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist zijn en de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom dit bijdraagt aan een onderduikrisico. Dat eiser een partner in Nederland heeft, doet hieraan niets af. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. Hiermee ligt ook het onderduikrisico vast.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
7. Eiser voert ook aan dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld door de minister, nu eiser zelfstanding een laissez passer heeft verkregen en de minister dit niet heeft aangevraagd.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 24 september 2026 onderhavige maatregel opgelegd heeft gekregen, nadat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De minister heeft op zitting ook toegelicht dat de maatregel was opgelegd in Justitieel Complex Schiphol, maar dat eiser over geplaatst moest worden naar Rotterdam. Eiser is op 28 september 2026 overgeplaatst, waarna zijn laissez passer beoordeeld kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het niet aanvragen van een laissez passer door de minister niet dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
8. Ten slotte voert eiser aan dat de minister een lichter middel op had moeten leggen. Eiser kan bij zijn partner verblijven. Daarnaast heeft eiser zijn laissez passer en een e-mail van de regievoerder aan het dossier toegevoegd waaruit volgt dat de bewaring zou worden opgeheven als eiser een ticket zou boeken. Dit heeft eiser gedaan en ook deze tickets zijn aan het dossier toegevoegd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De rechtbank stelt vast dat uit de maatregel volgt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Dit is op 24 september 2026 middels een beschikking vastgelegd. Eiser heeft aangegeven Nederland niet uit eigen beweging te willen verlaten. Zoals onder 6.1 is overwogen, kon de minister de gronden aan de maatregel ten grondslag leggen, hiermee ligt het onttrekkingsrisico vast. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd die bij oplegging van de maatregel een lichter middel dan de bewaring verlangen, waarbij de minister terecht heeft verwezen naar de medische dienst. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat in dit geval in de maatregel voldoende is gemotiveerd dat er geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
Moet er alsnog een lichter middel worden toegepast?
9. De rechtbank oordeelt dat ter zitting duidelijk is geworden dat er geen redenen zijn om eiser nog langer in bewaring te houden. Eiser heeft een laissez passer en een ticket voor de vlucht van 2 oktober 2026 naar Azerbeidzjan aan het dossier toegevoegd. Ook heeft eiser e-mails toegevoegd waaruit blijkt dat hij al is ingecheckt op de vlucht en dat de regievoerder de bewaring op zal heffen nadat een ticket is geboekt. De minister heeft deze tickets en e-mails ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk dat eiser zelfstandig naar Azerbeidzjan kan en wil vertrekken. Een verdere voortduring van de bewaring is met ingang van de datum van de zitting dan ook niet langer noodzakelijk nu met een lichter middel kan worden volstaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.