RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54822
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2], eisers,
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 16 september 2026 heeft de minister aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. De beroepen worden ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, V. Duivesteijn als tolk en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 840,-- aan schadevergoeding aan beide eisers, in totaal € 1.680,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van
22 september 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,-- aan proceskosten aan eisers.
Overwegingen
1. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eisers sprake van diverse elementen om tot de slotsom te komen dat de besluiten om eisers in bewaring te stellen onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
2. Detentie kan alleen als het noodzakelijk is en dan ook nog eens zo kort als mogelijk, zeker als er kinderen in het spel zijn. Dat is ook het beleid van de minister. In paragraaf A5/2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is bepaald dat Vreemdelingenbewaring in het geval van gezinnen met minderjarige kinderen alleen moet worden toegepast als het noodzakelijk is. Met vreemdelingenbewaring van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen moet extra voorzichtig worden omgegaan. Daarom moet worden gekeken naar minder ingrijpende maatregelen dan vreemdelingenbewaring. Voor niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt dan ook zoveel mogelijk gekozen voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.
3. In het geval van eisers was er op het moment van inbewaringstelling nog geen definitieve vlucht geboekt. Niet valt in te zien waarom de minister niet heeft kunnen wachten totdat de vluchtgegevens daadwerkelijk voorhanden waren.
4. Verder is in dit geval opvallend dat uit het besluit niet blijkt waarom voor eisers, anders dan het beleid van de minister voorschrijft én in een van de vertrekgesprekken ook uitdrukkelijk met eiseres is besproken, niet is gekozen voor een minder ingrijpende maatregel zoals vrijheidsbeperking in plaats van vrijheidsontneming. Evenmin blijkt waarom op het moment van oplegging van de maatregel het risico op onderduiken groter moest worden geacht dan in de periode daarvoor en waarom niet (langer) voor vrijheidsbeperking kon worden gekozen. Ook in dit opzicht schiet de motivering van de besluiten tekort.
5. De verwijzing naar de onwil van eiseres om te vertrekken moet daarbij in het licht worden bezien van het feit dat eiseres uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij de uitspraak op haar hoger beroep wilde afwachten. Anders dan dat heeft zij geen aanleiding gegeven te denken dat zij zich niet neer zal leggen bij een door de minister geregeld vertrek.
6. Ook de situatie van eiser, de 11-jarige zoon van eiseres, speelt in de afweging van de rechtbank een grote rol. Het gaat hier om bewaring van een minderjarige en dan dient uiterst zorgvuldig bedacht en gemotiveerd te worden wat detentie voor de minderjarige betekent. Daar is in de maatregel zelf niet van gebleken. Dit klemt temeer nu eiser behandelingen in de vorm van 2 soorten therapie krijgt, meermaals per week. Een enkele verwijzing naar beschikbare zorg in het detentiecentrum is dan onvoldoende. Het gaat bij eiser immers niet om de behandeling van somatische klachten.
7. Met betrekking tot de belangen van de minderjarige gaan de besluiten ook ten onrechte uit van het uitgangspunt dat eiser bij zijn moeder moet blijven én omdat zijn moeder vastzit het in het belang van eiser is dat hij dus samen met haar in detentie komt te zitten. De vraag die de minister zich had moeten stellen is of het in het belang van eiser is dat hij met zijn moeder gedetineerd zit óf dat hij met zijn moeder niet gedetineerd zit.
De minister heeft dus onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige.
8. De beroepen zijn gegrond. De maatregelen van bewaring zijn vanaf het moment van het opleggen op 16 september 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregelen met ingang van 22 september 2026.
9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 7 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 840,--.
10. Eisers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,-- omdat de gemachtigde van eisers geacht wordt beroep te hebben ingesteld in beide zaken en voor beide zaken aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.