Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707988 / KG ZA 26-728
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. D.M.N. Metry te Barneveld,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. C.S. de Kruijf-Vermeij te Bodegraven.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties;
- de op 25 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De ouders hebben na het uiteengaan een ouderschapsplan opgesteld dat is opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2025. Daarin zijn zij – voor zover hier van belang – overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken van vrijdag tot maandag bij de vader zijn.
De ouders hebben tot 30 januari 2026 aan birdnesting gedaan en gezamenlijk gebruik gemaakt van de voormalige echtelijke woning. Nadien is de vader uit de woning vertrokken en is de zorgregeling uit het ouderschapsplan uitgevoerd, totdat de moeder deze op 22 mei 2026 stopzette.
Sinds 25 juni 2026 is Veilig Thuis betrokken naar aanleiding van een melding van de politie en een melding van een anoniem persoon. De melding van de politie is het gevolg van het overleg van de moeder met de politie, nadat [minderjarige 2] haar had verteld dat de vader aan zijn geslachtsdeel had gezeten na het douchen en dat hij dat niet prettig en pijnlijk vond. Ook wordt in die melding vermeld dat de vader de kinderen vraagt of ze bij hem in bed willen slapen en dat de kinderen aangeven dat niet te willen. De melding van de anonieme persoon betreft zorgen over de gevolgen van de conflicten en gebrekkige communicatie tussen de ouders voor de kinderen.
Inmiddels is de nieuwe partner van de moeder bij haar ingetrokken en op [datum] 2026 is hun zoon geboren.
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder zich niet aan de zorgregeling houdt, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader stelt dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat de moeder hem regelmatig vertelt dat zijn aanwezigheid niet gewenst is bij school- en sportactiviteiten van de kinderen. Daarnaast geeft hij aan dat de moeder de zorgregeling meerdere keren eenzijdig heeft gewijzigd of geannuleerd en dat zij de zorgregeling op 22 mei 2026 volledig heeft stopgezet. De vader onderkent dat uit het rapport van Veilig Thuis blijkt dat er zorgen zijn over de kinderen, maar hij stelt dat er geen veiligheidsrisico van hem uitgaat en dat er geen reden is om de zorgregeling geen doorgang te laten vinden.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – de zorgregeling tussen de vader en de kinderen op te schorten totdat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek naar de mogelijkheden tot contact(herstelt) tussen de kinderen en de vader heeft uitgevoerd.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder stelt dat de kinderen meermaals overstuur bij de vader vandaan zijn gekomen sinds uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling. Zij wijst erop dat [minderjarige 2] in paniek bij haar heeft aangegeven dat zijn vader aan zijn geslachtsdeel had gezeten en dat ouders van zijn vriendjes de moeder in mei vertelden dat [minderjarige 2] tegen hun kinderen had gezegd dat hij zichzelf soms opzettelijk pijn doet. Daarop heeft de moeder contact opgenomen met de huisarts en de politie, en vervolgens is zij ook in contact gekomen met Veilig Thuis. Volgens de moeder hebben de politie en Veilig Thuis geadviseerd het contact tussen de kinderen en de vader per direct te stoppen en moet aan dat advies gehoor worden gegeven, totdat de situatie verder is onderzocht.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze in het hiernavolgende gezamenlijk worden behandeld.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling nagekomen moet worden. Dit kan evenwel anders zijn als daarna feiten zijn voorgevallen of omstandigheden zijn gebleken die maken dat onverkorte nakoming van deze zorgregeling niet (meer) in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] moet worden geacht.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Beide ouders hebben hun eigen zorgen over de kinderen. De zorgen van de moeder lijken met name te zien op de veiligheid van de kinderen bij de vader, die volgens haar niet gegarandeerd kan worden omdat nog niet precies duidelijk is wat er exact is voorgevallen tussen [minderjarige 2] en de vader. De vader stelt in dit verband dat de verklaring van de huisarts in het Veilig Thuis-dossier een juiste weergave van de feiten betreft, terwijl de moeder stelt dat deze verklaring niet volledig juist is. De huisarts heeft – samengevat weergegeven – verklaard dat [minderjarige 2] vertelde dat zijn vader hem had gevraagd of hij [minderjarige 2] moest helpen bij het schoonmaken van zijn voorhuid, dat [minderjarige 2] toen zei dat hij dat niet wilde en dat de vader er daarna mee is gestopt. Ook wijst de moeder erop dat de kinderen niet bij de vader in bed willen slapen en dat de vader dit wel aan hen vraagt. De zorgen van de vader zien vooral op de spanningen en het loyaliteitsconflict waar de kinderen volgens hem in zijn beland door de conflicten en de gebrekkige communicatie tussen de ouders. Hij heeft zich daarom gewend tot het sociaal team voor vrijwillige hulpverlening.
Het is de voorzieningenrechter gebleken dat er bij Veilig Thuis meldingen zijn gedaan met betrekking tot de zorgen van beide ouders en dat Veilig Thuis daarom met een onderzoek is gestart, in het kader waarvan zij op 1 september 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen spreken. De vraag die nu voorligt is of en, zo ja, op welke manier het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het licht van het voorgaande kan en moet worden hersteld. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat het voor een evenwichtige (identiteits)ontwikkeling van kinderen van belang is dat zij goed en onbelast contact hebben met beide ouders. [minderjarige 1] heeft in haar brief aan de voorzieningenrechter aangegeven dat zij van vrijdag tot zondagavond naar haar vader wil gaan en dat zij het saai vindt om alleen te gaan, omdat zij in de buurt van de vader geen vriend(inn)en heeft. Daaruit maakt de voorzieningenrechter – in lijn met wat beide ouders stellen – op, dat [minderjarige 1] openstaat voor het hervatten van het contact met de vader. Hoewel de voorzieningenrechter niet kan vaststellen wat er precies is gebeurd tussen [minderjarige 2] en de vader, acht zij het voorstelbaar dat [minderjarige 2] beleving van hetgeen de vader als verzorgingshandeling beschrijft, bij hem enige weerstand tegen het contact met zijn vader heeft veroorzaakt. Desalniettemin is de voorzieningenrechter, net als de Raad, van oordeel dat het van belang is dat het contact tussen de kinderen en de vader spoedig wordt hersteld, om te voorkomen dat de drempel daarvoor gevoelsmatig blijft groeien. Daarbij moet echter wel een slag om de arm worden gehouden, nu het onderzoek van Veilig Thuis nog loopt.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de zorgregeling in beginsel na een korte opbouwregeling onbegeleid moet worden hervat, tenzij uit het onderzoek van Veilig Thuis volgt dat er contra-indicaties bestaan. Deze opbouwregeling houdt in dat de vader voor het eerst met de kinderen zal videobellen op de dag na het gesprek van de kinderen met Veilig Thuis, te weten woensdag 2 september, om het contact op laagdrempelige wijze te hervatten. Vervolgens zullen de kinderen met ingang van 5 september 2026 om de week in de even weekenden tijd doorbrengen bij de vader. Daarbij zal [minderjarige 1] van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond na het avondeten (omstreeks 20.00 uur) bij de vader zijn en [minderjarige 2] van zaterdagochtend 10.00 uur tot zaterdagavond na het eten (omstreeks 20.00 uur). De moeder brengt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zaterdagochtend naar de vader en de vader brengt [minderjarige 2] op zaterdagavond, en [minderjarige 1] op zondagavond, terug naar de moeder. Nadien zal de zorgregeling uit het ouderschapsplan in beginsel moeten worden hervat, tenzij Veilig Thuis aangeeft dat er contra-indicaties aanwezig zijn voor volledige hervatting. Indien de zorgregeling wordt hervat, zullen de kinderen in afwijking van hetgeen de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen in de even weekenden bij de vader verblijven. Daarbij zullen de kinderen steeds in een eigen bed slapen en dus niet bij de vader in bed. Indien de uitkomsten van het onderzoek van Veilig Thuis aanleiding geven om de zorgregeling niet, althans niet ongewijzigd, te hervatten, zullen de ouders (met hulpverlening) moeten overleggen over de verdere gang van zaken en zo nodig zal een bodemprocedure tot wijziging van de zorgregeling moeten worden gestart door de meest gerede partij.
Tot slot benadrukt de voorzieningenrechter dat het aan de ouders is om gezamenlijk te streven naar verbetering van hun communicatie en verstandhouding, in het belang van de kinderen. Mogelijk kan het sociaal team, waartoe de vader zich reeds heeft gewend, de ouders begeleiden richting passende hulpverlening op dat gebied, zoals het door de Raad voor de Kinderbescherming aangedragen traject Ouderschap Blijft. De ouders kunnen zich eveneens tot de huisarts wenden om een verwijzing naar dat traject te verkrijgen.
Gelet op het nog lopende onderzoek van Veilig Thuis acht de voorzieningenrechter het opleggen van een dwangsom aan de moeder in dit geval niet aangewezen. Daarbij komt dat de moeder ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij uitvoering zal geven aan de beslissing van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter verwacht dan ook dat de moeder zich aan deze toezegging zal houden. De vordering van de vader ten aanzien van de dwangsom wijst de voorzieningenrechter daarom af.
Omdat Veilig Thuis al onderzoek doet naar de situatie, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming op dit moment ook te gelasten onderzoek te doen. Veilig Thuis zal de zaak immers doorverwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming als zij daartoe aanleiding ziet. Daarom zal de rechtbank de vordering van de moeder op dit punt afwijzen.
Nu partijen ex-partners zijn en samen de ouders van de kinderen zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
bepaalt, in afwijking van het ouderschapsplan, en onder de voorwaarde dat Veilig Thuis daarvoor geen contra-indicaties ziet, dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
zaterdag 5 september 2026 vanaf 10.00 uur tot zondag 6 september 2026 na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
zaterdag 19 september 2026 vanaf 10.00 uur tot zondag 20 september 2026 na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
zaterdag 3 oktober 2026 vanaf 10.00 uur tot zondag 4 oktober 2026 na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
en dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
zaterdag 5 september 2026 vanaf 10.00 uur tot na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
zaterdag 19 september 2026 vanaf 10.00 uur tot na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
zaterdag 3 oktober 2026 vanaf 10.00 uur tot na het avondeten (omstreeks 20.00 uur);
waarbij de moeder de kinderen op zaterdagochtend naar de vader brengt en de vader [minderjarige 2] op zaterdagavond en [minderjarige 1] op zondagavond terugbrengt naar de moeder;
en bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 16 oktober 2026 in de even weekenden vanaf vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader zullen zijn, tenzij Veilig Thuis aangeeft dat er contra-indicaties zijn voor het (ongewijzigd) hervatten van deze zorgregeling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
AJK