Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 14 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende in [land],
advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 27 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk H.C. de Man, de moeder met haar advocaat, en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, ook kinderrechter, mr. C.L. Strop. De behandeling op de zitting is aangehouden.
Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2026 is drs. J.L. van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats], [geboorteland].
De bijzondere curator is verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Op 20 augustus 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk C.M.F. Smits-Chatin, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bevelen naar hun gewone verblijfplaats in Frankrijk, althans de terugkeer van de kinderen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de kinderen primair dient af te geven aan de vader, dan wel subsidiair op de te bepalen datum dient terug te brengen naar Frankrijk, meer specifiek [adres], Frankrijk,
dan wel – indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen – te bepalen dat de moeder op eerste verzoek de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader of een nader te bepalen derde persoon zal afgeven, zodat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Frankrijk;
- te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld tot voldoening van de proceskosten van de vader, zijnde advocaatkosten van € 3.025,- incl. BTW, alsmede griffierechten ad
€ 341,- en de kantoorkosten ad € 75,-, te vermeerderen met reis- en verblijfskosten en
eventuele kosten voor het aanvragen van een (voorlopig) reisdocument en de reis- en
verblijfkosten van de vader en de kinderen indien de vader de kinderen dient op te halen om terug te keren naar Frankrijk;
- althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank zal vermenen te behoren,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Frankrijk zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
Gewone verblijfplaats
Tussen partijen is in geschil waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats hadden onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 van het Verdrag een feitelijk begrip is dat zich laat bepalen aan de hand van de concrete feitelijke omstandigheden van het geval. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Uit rechtspraak van het Europese hof blijkt dat de gewone verblijfplaats van een kind overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt. De rechtbank moet bepalen waar zich dat centrum bevond op het tijdstip van de overbrenging. In dat kader moet in het algemeen worden
aangeknoopt bij factoren als de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van de verschillende betrokken lidstaten, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, alsook de familiale en sociale banden die het kind in die lidstaten heeft.
De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan hun vertrek naar Nederland in Frankrijk was gelegen. Volgens de vader zijn de kinderen door de moeder op 9 oktober 2025 ongeoorloofd overgebracht naar Nederland. De kinderen zijn geboren in Frankrijk, hebben de Franse nationaliteit en spreken – voor zover mogelijk gelet op hun leeftijd – de Franse taal. Ook ging [minderjarige 1] in Frankrijk naar school. Het sociale en educatieve leven van de kinderen speelde zich volgens de vader af in Frankrijk. De vader geeft verder aan dat de ouders met de kinderen als gezin in [plaats] woonden. Zij woonden daar samen met de grootouders vaderszijde. Daarnaast is de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de vader in Frankrijk bevestigd door het vonnis van de rechtbank van Bobigny, Frankrijk, van 11 februari 2026.
De moeder geeft aan dat de gewone verblijfplaats van de kinderen altijd in Nederland is geweest. De moeder heeft daar altijd gewoond en staat ook sinds 23 oktober 2012 in Nederland ingeschreven. Zij is in Nederland naar school gegaan en volgde in Nederland nog haar kappersopleiding toen zij de vader ontmoette. Volgens de moeder heeft zij vanaf het begin van de relatie af en toe bij de vader in Frankrijk verbleven, maar is zij steeds met de kinderen teruggekeerd naar Nederland. De moeder heeft tijdens de zwangerschap van [minderjarige 1] in Nederland in een vrouwenopvang verbleven. Zij is begeleid door een maatschappelijk werkster die heeft geconstateerd dat de moeder met de kinderen in Nederland woonde. Daardoor is Veilig Thuis ook betrokken geraakt. Verder geeft de moeder aan dat zij en de kinderen in Nederland verzekerd zijn en in Nederland ook zorg hebben ontvangen. De moeder stelt dat [minderjarige 1] door haar oma vaderszijde is ingeschreven op een Franse school voor het schooljaar 2025-2026. Zij was het daar niet mee eens, maar durfde niet te protesteren.
De vader beroept zich op het rechtsgevolg – de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Frankrijk – zodat op hem de stelplicht en de bewijslast rust van de stellingen die hij daaraan ten grondslag legt. Dit betekent de vader zijn stelling, dat de gewone verblijfplaats van de kinderen direct voorafgaand aan hun vertrek naar Nederland op 9 oktober 2025 in Frankrijk was gelegen, met voldoende concrete feiten moet onderbouwen en moet bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vader, tegenover de gemotiveerde betwisting door de moeder, hierin niet is geslaagd. De rechtbank legt dit uit als volgt. De moeder heeft met stukken aangetoond dat zij al jaren in Nederland woont en dat hierin nooit verandering is gekomen, ook niet nadat zij een relatie kreeg met de vader. Uit het overgelegde verslag van maatschappelijk werkster [naam 3] (productie VI b) blijkt dat de moeder op 15 augustus 2023 door haar voormalig begeleidster bij de vrouwenopvang is aangemeld voor hulp en begeleiding. In dit verslag staat onder andere in januari 2024 opgenomen:
“Mevrouw is sinds 2018 in Nederland.
Mevrouw is bij haar ouders gaan inwonen.
Ze willen graag samenwonen, maar dat lukt ook niet. Meneer woont in Frankrijk bij zijn ouders, tante en broertje. Meneer komt 2 tot 3 keer per maand naar Nederland om mevrouw en [minderjarige 1] op te halen, of meneer blijft bij hen. Meestal een paar dagen.”
Het verslag beslaat meerdere momenten tussen de aanmelding in 2023 en nu. Hieruit blijkt dat de moeder consistent, ook toen deze procedure nog niet speelde, in Nederland heeft aangeklopt bij instanties op de momenten dat zij hulp nodig had. Ook tijdens de zwangerschap van [minderjarige 1] in 2022 heeft zij in Nederland in een vrouwenopvang gezeten. Daarna heeft de moeder verspreid over drie jaar regelmatig contact met maatschappelijk werk gehad en van daar uit is melding gedaan bij Veilig Thuis. In de brief van Veilig Thuis van 30 januari 2025 (productie X a) is onder andere opgenomen:
“De situatie wordt bemoeilijkt doordat de kinderen in Nederland verblijven, maar in Frankrijk staan ingeschreven. Er waren zorgen over dat de kinderen naar Frankrijk zouden gaan, daar opnieuw getuige zouden zijn van het geweld en de spanningen tussen ouders en er geen zicht is op deze situatie.”
Uit de verslagen van de betrokken hulpverleningsinstanties blijkt consistent dat de moeder en de kinderen in Nederland woonden. Af en toe kwam de vader naar Nederland en af en toe gingen de moeder en de kinderen naar Frankrijk. Het is ook voorgekomen dat beide ouders met de kinderen naar Armenië gingen. Naar het oordeel van de rechtbank komt hieruit niet het beeld naar voren dat het centrum van het bestaan van de kinderen in Frankrijk was. Daarbij komt dat de moeder nooit zelf in Frankrijk ingeschreven heeft gestaan. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen volgen zij voor hun gewone verblijfplaats hun verzorgende ouder, in dit geval de moeder. Ook heeft de moeder in Nederland een ziektekostenverzekering voor haar en de kinderen. Uit haar medische declaraties blijken behandelingen en consulten in Nederland, eind 2022 en begin 2023 bij de verloskundige en gynaecoloog en in de periode 2022 - 2025, vóór de gestelde overbrenging naar Nederland, bij de huisarts. Tegenover al deze feitelijke indicaties is het gegeven dat de kinderen in Frankrijk zijn geboren en dat [minderjarige 1] daar in de periode van 1 september 2025 tot 10 oktober 2025 naar de kleuterschool is gegaan onvoldoende. De Franse rechtbank heeft zich weliswaar op 11 februari 2026 bevoegd geacht om beslissingen met betrekking tot de kinderen te nemen, maar gebleken is dat die procedure zonder tegenspraak van de moeder is gevoerd, waardoor de Franse rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de standpunten en stukken van de moeder ten aanzien van de gewone verblijfplaats van de kinderen.
De rechtbank concludeert dat de vader onvoldoende feiten heeft gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Frankrijk was ten tijde van de overbrenging op 9 oktober 2025. Voor nadere bewijslevering is in deze procedure geen plaats. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de gewone verblijfplaats van de kinderen gelegen was en is in Nederland, is er geen sprake geweest van een ongeoorloofde overbrenging. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Frankrijk afwijzen. De overige verweren van de moeder behoeven gelet hierop geen verdere bespreking meer.
Kosten
Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure zal worden afgewezen, nu het verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen.
Bijzondere curator
Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 1] acht de rechtbank het niet nodig dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank met haar bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld, dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:
naar Frankrijk;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 2 oktober 2026 als beëindigd.