Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 7 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G. Grigorjan in ’s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. T. Stelpstra.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 29 juli 2026 van de Staat, met bijlagen;
- de brief van 29 juli 2026 van de zijde van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , Gaza.
- Verzoeker is op 27 november 2025 Nederland ingereisd.
- Verzoeker is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel geldig van 27 november 2025 tot 27 november 2030.
- Verzoeker is via Egypte, Oman en Turkije naar Griekenland gereisd, alwaar hij op 9 oktober 2025 asiel heeft aangevraagd. Verzoeker heeft in Griekenland asiel gekregen.
- Verzoeker is in het bezit van een Palestijnse identiteitskaart welke is onderzocht en echt is bevonden.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Gelet op de overgelegde stukken ziet de rechtbank aanleiding de Palestijnse Gebieden, Egypte, Oman, Turkije en Griekenland bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker te betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Verzoeker is in het bezit van een Palestijnse identiteitskaart, welke is onderzocht en echt bevonden door Bureau Documenten van de IND. Daarnaast zijn er kopieën van andere identificerende documenten beschikbaar – welke documenten slechts in kopie beschikbaar zijn en daarom niet echt zijn bevonden door Bureau Documenten van de IND – waardoor de Staat het in onderlinge samenhang bezien aannemelijk acht dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoeker als onderdaan van Egypte beschouwd?
Verzoeker is via, onder meer, Egypte naar Griekenland gereisd, alwaar hij asiel heeft aangevraagd. Verzoeker is naar eigen zeggen op 6 mei 2024 de Gazastrook uitgereisd en heeft op 8 oktober 2025 asiel aangevraagd in Griekenland. Uit de overgelegde stukken blijkt niet hoe lang verzoeker in Egypte heeft verbleven.
Artikel 4 van de wet met betrekking tot de Egyptische nationaliteit bepaalt dat de Egyptische nationaliteit kan worden verleend aan iedere vreemdeling die gedurende tien achtereenvolgende jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn gewone verblijfplaats in Egypte had, indien hij meerderjarig is en aan de in §4 van die wet genoemde voorwaarden voldoet.
Nu verzoeker volgens zijn verklaring maar korte tijd in Egypte heeft verbleven acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker de Egyptische nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Oman beschouwd?
Verzoeker is eveneens via Oman naar Griekenland gereisd, alwaar hij asiel heeft aangevraagd. Verzoeker is naar eigen zeggen op 6 mei 2024 de Gazastrook uitgereisd en heeft op 8 oktober 2025 asiel aangevraagd in Griekenland. Uit de overgelegde stukken blijkt niet hoe lang verzoeker in Oman heeft verbleven.
Op grond van artikel 15 van de Omani Citizenship Law is een verblijf van tenminste 20 jaar in Oman vereist om de Omaanse nationaliteit te kunnen verkrijgen. Niet is gebleken dat verzoeker zo lang in Oman heeft verbleven, zodat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat hij de Omaanse nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoeker is ten slotte via Turkije naar Griekenland gereisd, alwaar hij asiel heeft aangevraagd. Verzoeker is naar eigen zeggen op 6 mei 2024 de Gazastrook uitgereisd en heeft op 8 oktober 2025 asiel aangevraagd in Griekenland. Uit de overgelegde stukken blijkt niet hoe lang verzoeker in Turkije heeft verbleven.
Artikel 11 van de wet op het Turks staatsburgerschap bepaalt dat een vreemdeling in aanmerking kan komen voor het Turks staatsburgerschap indien hij gedurende vijf jaren voorafgaande aan de datum van het verzoek tot naturalisatie onafgebroken in Turkije ingeschreven is geweest. Daarvan is niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de nationaliteit van Turkije heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoeker is op 8 oktober 2025 Griekenland ingereisd en heeft daar asiel aangevraagd. Op 23 oktober 2025 is hem een Griekse asielvergunning toegekend. Op 27 november 2025 heeft hij in Nederland asiel aangevraagd.
Uit artikel 5 van de Griekse nationaliteitswetgeving volgt dat een legaal verblijf van tenminste vijf jaar een vereiste is om de Griekse nationaliteit te kunnen verkrijgen. Niet is gebleken dat verzoeker aan dit vereiste voldoet, zodat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat verzoeker de Griekse nationaliteit heeft verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.