Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 27 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 5 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2017 tot [dag 2] 2022.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Colombiaanse nationaliteit.
- Bij twee beschikkingen van deze rechtbank van 10 september 2025 zijn – voor zover hier aan de orde – de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling). De verzoeken aangaande het gezag en de zorgregeling (met dwangsom) zijn pro forma aangehouden tot 1 juli 2026.
Verzoek en verweer
De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige 2] in te schrijven op [school 1] , een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft op de zitting verweer gevoerd.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de moeder.
Vervangende toestemming wijziging basisschool
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (één van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is niet gelukt om tot een vergelijk tussen de ouders te komen, zodat de rechtbank een zodanige beslissing zal nemen als haar in het belang van [minderjarige 2] wenselijk voorkomt.
De moeder wil dat [minderjarige 2] op de basisschool [school 1] wordt ingeschreven. Momenteel gaat [minderjarige 2] naar de basisschool [school 2] Volgens de moeder is [minderjarige 2] hier niet op haar plek, omdat zij hier wordt gepest. De moeder geeft aan dat [minderjarige 2] als gevolg van de stress die zij van het pesten ervaart, zichzelf bijt en krabt. Daarnaast is de moeder van mening dat de school het pesten niet serieus genoeg neemt.
De vader heeft contact opgenomen met [school 2] . De school heeft volgens de vader aangegeven dat zij geen bijzondere zorgen hebben over [minderjarige 2] , maar dat zij wel een plan van aanpak willen opstellen. De vader is daarom van mening dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is dat zij van school verandert en weigert daarom toestemming hiervoor te geven.
De Raad heeft op de zitting meegegeven dat een verandering van school op dit moment niet wenselijk lijkt. Eerst kunnen andere stappen worden gezet om te onderzoeken of de problemen binnen de huidige school kunnen worden opgelost. Een verandering van school is een ingrijpende stap.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank kan niet vaststellen of er zorgen zijn op de school van [minderjarige 2] rondom pesten. De rechtbank neemt op basis van de verklaringen van de ouders aan dat er zorgen rondom [minderjarige 2] zijn, maar of deze zich manifesteren op school of op de school zijn terug te voeren is voor de rechtbank onduidelijk gebleven. De rechtbank acht het in dit licht, in lijn met de observaties van de zijde van de Raad, te voorbarig om aan te nemen dat het in het belang van [minderjarige 2] is om van school te wisselen. De rechtbank vindt dit een te ingrijpende beslissing. Hierbij speelt mee dat [minderjarige 2] onder toezicht is gesteld, maar deze ondertoezichtstelling helaas op geen enkele wijze van de grond lijkt te komen. Een beslissing over een dergelijke stap dient naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de ondertoezichtstelling te worden genomen; juist omdat ouders hier gezamenlijk niet uit komen.
Gelet op voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.