Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 3 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.A.Y. Jacques te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van de zijde van de vader, ingekomen op 3 juni 2026.
Op 5 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] woont bij de vader.
Verzoek en verweer
De vader heeft verzocht:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft op de zitting verweer gevoerd.
Beoordeling
Zorgregeling en raadsonderzoek
De vader heeft zijn verzoek toegelicht. Volgens de vader heeft de moeder geen band met [minderjarige] en was de moeder na de geboorte vaak (langere tijd) afwezig. Op dit moment is er geen contact tussen de moeder en [minderjarige] . De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat zij haar moeder leert kennen en wil hierover duidelijke afspraken. Tegelijkertijd maakt de vader zich zorgen of de moeder de zorg over [minderjarige] wel aan kan. Door de advocaat van vader zijn partijen aangemeld bij Cardea voor een Ouderschapsbemiddelingstraject, welke kan worden omgezet naar een Ouderschapsbegeleiding traject.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij graag contact wil met haar dochter en dat zij open staat voor begeleide omgang. Zij wil dat [minderjarige] twee of drie dagen per week bij haar is en zij wil toewerken naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] één weekend per twee weken bij haar verblijft.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op de zitting is gebleken dat er tussen partijen veel is gebeurd en dat zij zich daardoor beiden onveilig voelen. De rechtbank heeft, gelet op de opstelling van de moeder, grote twijfels of zij in staat is in het belang van [minderjarige] te handelen. De moeder is tot op heden nauwelijks in het leven van [minderjarige] geweest, is moeilijk bereikbaar gebleken, er lijkt sprake te zijn van LVB-problematiek en op de zitting heeft de moeder geweigerd de ID-papieren van [minderjarige] aan de vader te doen toekomen.
De rechtbank acht het daarom van belang dat met contact tussen de moeder en [minderjarige] wordt gewacht tot dat de begeleiding via Cardea beschikbaar is en zal dienovereenkomstig beslissen.
De rechtbank vraagt zich echter af of onbegeleid contact überhaupt aan de orde zal zijn.
De rechtbank acht het daarom nodig om, zonder af te wachten wat de uitkomst is van het traject bij Cardea, een onderzoek met het oog op de langere termijn te doen. Immers, zelfs als de begeleide omgang goed gaat, dient er een meer fundamenteel inzicht te bestaan in de vaardigheden en betrokkenheid van de moeder om zonder begeleiding voor [minderjarige] te zorgen. Gelet op voorgaande zal de rechtbank een raadsonderzoek gelasten.
De rechtbank verzoekt de Raad op basis van onderstaande vragen een advies uit te brengen:
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling pro forma aanhouden tot 1 maart 2027, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.
De rechtbank zal wel een voorlopige zorgregeling vaststellen, in die zin dat slechts begeleid contact tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is, onder regie van een professionele begeleidende instantie (bijvoorbeeld Cardea), die de frequentie en duur zal bepalen.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast een voorlopige zorgregeling, in die zin dat slechts begeleid contact mogelijk is tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige] , onder regie van een professionele begeleidende instantie (bijvoorbeeld Cardea), die de frequentie en duur zal bepalen;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken zal toesturen aan de Raad voor de Kinderbescherming;
*
houdt de behandeling aan tot 1 maart 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling op de zitting, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten aan in afwachting van het raadsonderzoek.Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.