ECLI:NL:RBDHA:2026:29200

ECLI:NL:RBDHA:2026:29200

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 09/319034-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Uitlevering ontoelaatbaar verklaard, geen dubbele strafbaarheid, Turkije.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2025038077Parketnummer: 09/319034-25

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1. Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

Het verzoek tot uitlevering

Bij brief van 7 januari 2026 heeft de ambassade van de Republiek Turkije aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafexecutie (hierna: het uitleveringsverzoek).

De opgeëiste persoon is op 3 oktober 2013 veroordeeld tot 5 jaar, 6 maanden en 20 dagen gevangenisstraf wegens "Aggravated Sexual Abuse of a Child", gepleegd "in a chain (continuous) manner".

Bij brief van 20 januari 2026 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum te Den Haag, is verzocht het door de Republiek Turkije gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft op 12 februari 2026 een vordering bij de rechtbank ingediend strekkende tot het in behandeling nemen van onderhavig verzoek tot uitlevering.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Het uitleveringsverzoek is vergezeld van:

een origineel of een authentiek afschrift van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen vonnis, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, gewezen door de Tokat High Criminal Court d.d. 3 oktober 2013 en een uitspraak van de Court of Cassation d.d. 4 december 2019 waarin dit vonnis wordt bekrachtigd;

een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 maart 2026 betreffende de opgeëiste persoon;

stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 12 februari 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenneming / gevangenhouding van de opgeëiste persoon;

de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie, overgelegd ter zitting op 1 mei 2026, betreffende diens standpunt over de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 1 mei 2026 en 18 september 2026.

2. Het onderzoek ter zitting

De behandeling

Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 1 mei 2026 en op 18 september 2026. Ter zitting is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek en van de inhoud van de hiervoor genoemde stukken.

De opgeëiste persoon – ter zitting verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe – heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij enkel de Turkse nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.

Namens het openbaar ministerie is op 1 mei 2026 verschenen officier van justitie mr. L.T. Bregman en op 18 september 2026 officier van justitie mr. H.J. Starrenburg.

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. Hiertoe is aangevoerd dat artikel 248, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is waardoor de gedragingen van de opgeëiste persoon die ten grondslag liggen aan zijn veroordeling in Turkije, naar Nederlands recht niet strafbaar zijn.

De opvatting van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid.

3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

Inleiding

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent verschillende gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland bestaat een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd, waarbij de minister is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering.

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het uitleveringsverzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV van toepassing. Zowel Nederland als de Turkije zijn partij bij deze verdragen.

Genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan en conform artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV vergezeld van de onder 1.2 genoemde stukken. Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor seksueel misbruik van een kind, meermalen gepleegd.

Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor de veroordeling. Wel dienen de stukken een deugdelijke basis te vormen voor toetsing door de rechter van het feitensubstraat aan de voorwaarden voor uitlevering. De stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam, omdat het uitleveringsverzoek een voldoende nauwkeurige vermelding van feit, plaats en tijd bevat.

Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW en artikel 2, eerste lid, van het EUV kan uitlevering alleen worden toegestaan voor een feit dat zowel in de verzoekende staat, Turkije, als in de aangezochte staat, Nederland, strafbaar is en bestraft kan worden met een vrijheidsstraf van één jaar of meer. In het geval van een uitleveringsverzoek ter fine van strafexecutie geldt dat uitlevering alleen is toegestaan indien het de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden of meer betreft.

De opgeëiste persoon is in Turkije veroordeeld voor ‘aggravated sexual abuse of a child’. Naar Turks recht staat op dit feit een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht is het plegen van seksuele handelingen met een persoon tussen de 12 en 16 jaar oud strafbaar gesteld onder artikel 248, eerste lid, Sr, en bedreigd met een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Krachtens dit artikel wordt overtreding hiervan namelijk bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 248, derde lid, Sr bepaalt dat degene die als leeftijdsgenoot de in het eerste lid van dat artikel bedoelde gedragingen heeft begaan, in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen diegene en dat kind, niet strafbaar is. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of sprake is van een dergelijke situatie, waarbij de strafbaarheid van de in artikel 248, eerste lid Sr opgenomen gedragingen komt te ontvallen.

Uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie volgt dat het strafwaardige karakter van seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaar oud kan ontbreken als sprake is van een gelijkwaardige situatie tussen de betrokkenen. Hoewel de beoordeling hiervan afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, kunnen de volgende factoren relevant zijn: een gering leeftijdsverschil tussen betrokkenen; vrijwilligheid bij betrokkenen; een (seksuele) relatie tussen betrokkenen en de aard van de seksuele handelingen. Bij een gering leeftijdsverschil, vrijwillig contact en een (seksuele) relatie kan, in beginsel, worden gesproken van een gelijkwaardige situatie tussen betrokkenen.

Uit het Turkse vonnis blijkt dat de opgeëiste persoon ten tijde van de drie seksuele contacten zestien en zeventien jaar oud was. Het slachtoffer was destijds veertien jaar oud. Verder volgt uit dit vonnis dat de opgeëiste persoon gedurende de maanden waarin het seksueel contact plaatsvond een affectieve relatie had met het slachtoffer en dat de seksuele handelingen telkens vrijwillig plaatsvonden. De Turkse uitleveringsstukken zijn op dit punt voldoende uitgebreid en concreet om te concluderen dat er sprake was van een gelijkwaardige relatie in de zin van artikel 248, derde lid, Sr waardoor de gedragingen van de opgeëiste persoon naar Nederlands recht niet kunnen worden gekwalificeerd als strafbaar.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van dubbele stafbaarheid zoals vereist in de UW en het EUV en dat sprake is van de in artikel 5 van de UW en artikel 2 van het EUV genoemde weigeringsgrond.

Het uitleveringsverzoek wordt daarom ontoelaatbaar verklaard.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot gevangenhouding ten behoeve van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opheffen. Deze beslissing is apart opgemaakt.

4. De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;

- artikelen 1, 2, 12 en 22 van het EUV;

- artikel 248 Sr.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan de Turkse autoriteiten van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafexecutie ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. K.C.J. Vriend, voorzitter,

mr. C.M. Zandbergen, rechter,

mr. L.J. van den Herik, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A. Copier en S.J.H. Oosterloo, LL.M, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. C.M. Zandbergen
  • mr. L.J. van den Herik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand