[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen,
[naam 1], [naam 2] en [naam 3]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Sular als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft op 2 juli 2026 met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend om eiseres in de gelegenheid te stellen om schriftelijk reageren op het verweerschrift van de minister.
Eiseres heeft op 16 juli 2026 een schriftelijke reactie ingebracht. De minister heeft op 26 juli 2026 gereageerd.
Nadat partijen te kennen hebben gegeven dat zij niet opnieuw op zitting hoeven worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt maar dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Standaardoverwegingen
5. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit is volstaan met standaardoverwegingen en dat niet inhoudelijk is ingegaan op haar verklaringen over de suïcidedreiging en het belang van de kinderen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd.
6. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het gebruik van standaardoverwegingen niet dat de minister het besluit van eiseres onzorgvuldig heeft voorbereid of gemotiveerd. De Afdeling heeft geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen in beginsel niet leidt tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Eiseres heeft bij het gehoor verklaard dat zij rondloopt met de gedachte om zelfmoord te plegen. De minister heeft in het voornemen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening gemotiveerd dat de omstandigheid dat eiseres medische zorg nodig heeft, op zichzelf niet genoeg is om een heel bijzondere situatie aan te nemen. Eiseres heeft dit oordeel met de zienswijze niet betwist of anderzijds naar voren gebracht dat haar verklaring over het suïciderisico onvoldoende is betrokken. De minister heeft verder in het voornemen en het besluit duidelijk uiteengezet op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres en dat hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank zal hierna ingaan op de beroepsgrond dat het belang van de kinderen niet kenbaar is betrokken in het bestreden besluit.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiseres voert aan dat de minister het risico op indirect refoulement onvoldoende heeft onderzocht. De asielaanvraag in Duitsland is afgewezen en uitzetting naar Turkije dreigt. Verder voert eiseres aan dat zij en haar minderjarige kinderen moeten worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel, gelet op haar verklaringen over het ervaren geweld en de bedreigingen vanuit haar ex-partner.
8. De minister mag in beginsel ten opzichte van Duitsland uitgaan van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen
vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het
Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiseres moet aannemelijk maken
dat dit in haar geval niet kan.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in
Duitsland sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die ertoe
leiden dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende
behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De
Afdeling heeft op 14 februari 2025 geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland nog altijd
van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn volgens de
Afdeling geen structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in
Duitsland. Eiseres heeft niet (met algemene informatie) onderbouwd waarom in het algemeen, of in haar individuele geval, niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele niet onderbouwde stelling dat haar asielaanvraag in Duitsland niet correct is beoordeeld, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, slaagt de stelling dat zij vanwege een aanzegging vanuit de Duitse autoriteiten om Duitsland te verlaten, bij een overdracht aan Duitsland heeft te vrezen voor indirect refoulement, evenmin.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich verder terecht op het
standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar kinderen moeten worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Dat eiseres bekend is met psychische klachten en daarvoor gesprekken voert met GZA acht de rechtbank onvoldoende. Ook de stelling dat eiseres in Turkije werd mishandeld en bedreigd door haar ex-partner leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres kan haar medische
behandeling voortzetten in Duitsland. Daar komt bij dat eiseres ook overigens niet
heeft onderbouwd dat zij zonder aanvullende garanties bij overdracht naar Duitsland een
risico zou lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige
behandeling. De minister heeft gelet hierop geen aanvullende garanties voor eiseres aan
Duitsland hoeven vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het arrest C.K.
11. Eiseres voert aan dat haar psychische problematiek de minister aanleiding had moeten geven om een BMA-advies te vragen. Een overdracht leidt tot een reëel risico op verslechtering van haar gezondheidstoestand of een discontinuïteit van haar behandeling, hetgeen strijdig is met artikel 3 van het EVRM.
12. In het arrest C.K. heeft het Hof onder meer overwogen dat overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening in strijd is met artikel 4 van het Handvest als die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene en daardoor een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen. Het is in eerste instantie aan de vreemdeling om objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht daarvoor aantonen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd om haar stellingen te onderbouwen. De enkele stelling van eiseres dat zij wekelijks gesprekken voert bij GZA over haar psychische klachten, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt wat de aard en ernst van de klachten zijn. Het is aan eiseres om aanknopingspunten te overleggen en de rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd niets volgt over de gevolgen van een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiseres. De minister heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om medisch onderzoek door het BMA te laten verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
14. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiseres om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
Het belang van de kinderen
15. De minister heeft één dag voor de zitting het bestreden besluit aangevuld met het verweerschrift van 16 juni 2026. De minister stelt zich aanvullend op het standpunt dat het belang van de kinderen geen aanleiding geeft om de asielaanvraag van eiseres zelf te behandelen. Niet is gebleken dat eiseres de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid en opvoeding van haar kinderen niet op zich kan nemen of dat Duitsland niet kan voorzien in de basisprincipes zoals genoemd in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is om de asielprocedure in Nederland te doorlopen. De minister ziet niet in dat de kinderen gedurende hun korte verblijf in Nederland meer geworteld zijn dan in Duitsland.
16. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd nu het belang van de kinderen niet is beoordeeld. Gelet op het verblijf in Duitsland van augustus 2023 tot november 2025 moet de minister uitgaan van een zekere mate van worteling en behoefte aan stabiliteit. De minister had onderzoek moeten doen naar de gevolgen van een overdracht naar Duitsland, te meer gelet op de ernstige psychische klachten van eiseres.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat in het kader van het belang van de kinderen geen kenbaar onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van gezinshereniging, veiligheid en beveiligingsoverwegingen en de standpunten van de minderjarige. Verder is niet concreet onderzocht wat de gevolgen van een overdracht zijn voor de kinderen en welke impact een overdracht heeft op hun ontwikkeling, veiligheid en stabiliteit. De minister heeft verder geen passende maatregelen getroffen om de kinderen een daadwerkelijke, effectieve, mogelijkheid te bieden om hun mening vrijelijk te uiten. [naam 2] heeft gezondheids- en ontwikkelingsproblemen vanwege de ernstige mishandeling van eiseres gedurende haar zwangerschap. Eiseres wijst verder op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 13 mei 2024.
17. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit heeft nagelaten om het belang van de kinderen te betrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dat de motivering op dit punt gebrekkig is, is door de minister in beroep ook erkend. De beroepsgrond slaagt en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt.
18. De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en ander a, van de Awb. De rechtbank acht daarvoor redengevend dat de minister met het verweerschrift van 16 juni 2026 het motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De Afdeling heeft met de uitspraken van 20 augustus 2025 geoordeeld dat uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid en artikel 12 van het IVRK, volgt dat de minister begeleide minderjarige kinderen die in staat zijn hun mening te vormen, binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid moet stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle gelegenheden die hen betreffen. Aan de mening van het kind moet dan een passend belang worden gehecht in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de voorgenoemde verplichting. De minister heeft op pagina 6 van het aanmeldgehoor van eiseres gewezen op de mogelijkheid om haar minderjarige kinderen schriftelijk hun mening te laten geven ten aanzien van de overdracht naar Duitsland middels de correcties en aanvullingen. Eiseres heeft hier echter geen gebruik van gemaakt. Verder heeft de oudste dochter van eiseres, [naam 1], in beroep uitgebreid verklaard over de gevolgen van een overdracht naar Duitsland.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien voor de conclusie dat het in het belang van de kinderen is om de asielaanvraag in Nederland te behandelen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister zoals omschreven in het verweerschrift van 16 juni 2026. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de kinderen graag in Nederland willen blijven maar niet is gebleken dat de overdracht betekent dat het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen zullen verslechteren. Eiseres en haar kinderen hebben voor hun komst naar Nederland reeds meer dan 2 jaar in Duitsland verbleven. Alleen al daarom ziet de rechtbank niet in dat zij vanwege de onstabiele situatie niet beter af zouden zijn in Duitsland. Rust en stabiliteit zijn ook in Duitsland voort te zetten. De kinderen kunnen ook naar school in Duitsland. De gestelde gezondheids- en ontwikkelingsklachten van [naam 2] zijn niet onderbouwd en verder is niet gesteld of gebleken dat [naam 2] daarvoor in Duitsland geen medische behandeling zou kunnen krijgen.
De overige individuele omstandigheden
19. De rechtbank is van oordeel dat de overige individuele omstandigheden van eiseres niet maken dat overdracht aan Duitsland onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft de minister ervan uit mogen gaan dat de eerdere ervaringen in Duitsland van eiseres al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft de medische problematiek niet dusdanig ernstig kunnen vinden dat een overdracht zou leiden tot onevenredige hardheid. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Duitsland onevenredig hard maken. De minister heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van het belang van de kinderen, omdat de minister ten onrechte heeft nagelaten dit te motiveren. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
21. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.