RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/695974 / HA ZA 25-1110
Vonnis in incident van 9 september 2026
in de zaak van
[verweerder] te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. J.A. Jansens van Gellicum,
tegen
1. MR. [vereffenaar 1] , 2. MR. [vereffenaar 2] ,
in hun hoedanigheid van vereffenaars in de nalatenschap van wijlen [erflaatster]
en wijlen [erflater], te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna te noemen: de vereffenaars,
advocaat: mr. J.H. Rodenburg.
en
3. [eiseres] , te [woonplaats 2] ,
interveniënt in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [eiseres]
advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel te Enschede,
4. [belanghebbende], te [woonplaats 3] ,
opgeroepen partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 12 augustus 2026 (hierna: het tussenvonnis) en het daarin beschreven procesverloop;
- de aktes houdende uitlating van [verweerder] , de vereffenaars en [eiseres] van 26 augustus 2026.
2. De verdere beoordeling in het incident
Aanhouding van het incident
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij aan de Erfrechtverordening op dit moment geen bevoegdheid kan ontlenen, maar dat zij niet uitsluit dat het Spaanse gerecht dat over de zaak moet beslissen op verzoek van [verweerder] zal oordelen dat een Nederlands gerecht beter in staat is om uitspraak te doen over de erfopvolging als bedoeld in artikel 6 aanhef en onder a van de Erfrechtverordening. Gelet hierop heeft de rechtbank partijen verzocht zich uit te laten over een mogelijke aanhouding van deze procedure in afwachting van een uitspraak van een Spaans gerecht over de bevoegdheid.
[verweerder] heeft de rechtbank hierop verzocht om aanhouding van de procedure teneinde hem in staat te stellen bij de bevoegde Spaanse rechter een verzoek in te dienen strekkende tot onbevoegdverklaring. Hij wijst daarbij (opnieuw) op het feit dat erflater in zijn testamenten het Nederlandse recht van toepassing heeft verklaard, de rechtbank de vereffenaars heeft benoemd, de nalatenschap Nederlandse goederen bevat en bestaat uit tegoeden op bankrekeningen bij Nederlandse banken en alle erfgenamen woonachtig zijn in Nederland. Ook de vereffenaars stemmen in met het verzoek tot aanhouding. [eiseres] op haar beurt verzet zich tegen aanhouding. Volgens haar bestaat daar geen aanleiding voor. Zij voert in dit kader aan dat de hoofdzaak enkel ziet op de vraag of het testament nietig is vanwege de gestelde wilsonbekwaamheid van vader, voor welke beoordeling feiten en omstandigheden die zich in Spanje hebben voorgedaan centraal staan.
De rechtbank concludeert dat [verweerder] voornemens is bij de bevoegde Spaanse rechter een verzoek te doen als bedoeld in artikel 6 aanhef en onder a. Erfrechtverordening. Toewijzing van dit verzoek leidt op grond van artikel 7 Erfrechtverordening tot de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Dit een en ander is voor de rechtbank voldoende aanleiding om de procedure aan te houden. Het is verder aan de Spaanse rechter om het verzoek tot onbevoegdheid van [verweerder] te beoordelen.
Verwijzing naar de parkeerrol
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze zaak aanhouden en verwijzen naar de parkeerrol van 7 april 2027. Indien het Spaanse gerecht uitspraak heeft gedaan over de bevoegdheid, kan de meeste gerede partij de zaak weer opbrengen.
3. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 7 april 2026;
in de hoofdzaak en het incident
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
2984