RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak-/rolnummer: C/09/700324 / HA ZA 26-204
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eiser] te [woonplaats] ,2. [eiseres] te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. N.M. Bharatsingh te Naarden,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN, DIRECTORAAR-GENERAAL BELASTINGDIENST) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.
Eisers worden hierna “ [eiser] ” en “ [eiseres] ” of gezamenlijk “ [eisers] ” genoemd. Gedaagde wordt hierna “de Belastingdienst” genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 februari 2026, met producties 1 tot en met 10;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 27;
de akte overlegging producties van [eisers] van 8 juni 2026, met producties 11 tot en met 15.
Op 25 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
In 2000 kreeg de Belastingdienst via de Belgische autoriteiten de beschikking over een grote hoeveelheid gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de KB Luxbank in Luxemburg. Aan de hand van deze gegevens heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Tot deze gegevens behoorde twee rekeningen die op naam stonden van “ [eiser] ”.
De Belastingdienst heeft [eisers] vanaf 2002 herhaaldelijk aangeschreven met vragen over door hen in het buitenland aangehouden bankrekeningen.
De Belastingdienst heeft [eisers] bij afzonderlijke brieven van 13 mei 2013 een laatste termijn geboden tot uiterlijk 23 mei 2013 om verklaring en nadere opgaaf te doen.
Op 15 juni 2023 hebben [eisers] informatie omtrent een reeds bij de Belastingdienst bekende Belgische rekening verstrekt.
Omdat [eisers] de verzochte informatie niet hebben verstrekt, heeft de Belastingdienst bij dagvaarding van 31 juli 2013 een kortgedingprocedure tot nakoming van de fiscale informatieplicht tegen [eisers] aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland.
Bij vonnis in kort geding van 19 september 2013 (hierna: het dwangsomvonnis) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de vorderingen van de Belastingdienst toegewezen en [eisers] , voor zover hier van belang, veroordeeld:
om binnen zeven dagen na betekening van het dwangsomvonnis op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank – en bij eventuele andere buitenlandse banken – hebben aangehouden dan wel nog aanhouden;
om binnen zeven dagen na betekening van het dwangsomvonnis opgaaf te doen van de onder 1. bedoelde buitenlandse rekening(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op het laatstgenoemde formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;
tot het geven van een mondelinge toelichting op de onder 1. en 2. omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn;
om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 1. tot en met 3. uitgesproken veroordelingen voldoen, tot een maximum van € 1.500.000,00 is bereikt.
Het dwangsomvonnis is op 27 september 2013 aan [eisers] betekend.
Op 9 oktober 2013 hebben [eisers] hoger beroep ingesteld tegen het dwangsomvonnis. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden heeft het dwangsomvonnis vervolgens bekrachtigd bij arrest van 25 augustus 2015.
De Belastingdienst heeft op 28 oktober 2015 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [banknaam] N.V. te Amsterdam.
Op 19 oktober 2015 hebben [eisers] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren van 25 augustus 2015. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep bij arrest van 9 juni 2017 verworpen.
Bij e-mail van 10 februari 2025 heeft de Belastingdienst aan [eisers] laten weten over te gaan tot het uitwinnen van het executoriale derdenbeslag onder [banknaam] N.V. Zij heeft daarbij vermeld:
“De Belastingdienst kiest ervoor om, na de ontvangst van EUR 1,5 miljoen, geen aanspraak meer te maken op het restant van de verbeurde dwangsommen ad EUR 1,5 miljoen voortvloeiende uit het vonnis van 19 september 2013. In het contact met [banknaam] heeft de deurwaarder daarom opgenomen de mededeling dat de overige executoriale beslagen zijn opgeheven, na ontvangst van EUR 1,5 miljoen.
De Belastingdienst spreekt de verwachting uit dat laatstbedoelde mededeling voor [eisers] aanleiding zal zijn af te zien van verdere procedures tegen de Belastingdienst over de dwangsommen.”
Op 25 februari 2025 heeft de Belastingdienst het gelegde executoriale derdenbeslag onder [banknaam] N.V. uitgewonnen tot een bedrag van € 1.500.000,-.
3. Het geschil
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat het dwangsomvonnis, met hetgeen de Belastingdienst bij dagvaarding heeft gevorderd, een veroordeling inhoudt, met daarbij een dwangsom, waarbij aan [eiser] en [eiseres] gezamenlijk een dwangsom van € 5.000,- per dag, met een maximumbedrag van € 1.500.000,- is opgelegd bij niet voldoening aan de hoofdveroordeling (r.o. 5.1 tot en met 5.3);
voor recht verklaart dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] , althans in strijd met haar verplichting, door bij de invordering en uitwinning uit te gaan van een dwangsomveroordeling van € 1.500.000,- voor [eiser] en € 1.500.000,- voor [eiseres] , althans gezamenlijk van € 3.000.000,-, zulks terwijl uit het dwangsomvonnis slechts een maximumbedrag van € 1.500.000,- door beide gezamenlijk verschuldigd kon zijn;
de Belastingdienst te veroordelen in de proceskosten.
[eisers] leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat het in het dwangsomvonnis opgenomen maximumbedrag van € 1.500.000,- voor [eisers] gezamenlijk geldt en niet per persoon. Volgens hen moeten dwangsomveroordelingen immers restrictief worden uitgelegd en wijzen de bewoordingen van het dictum van het dwangsomvonnis, de motivering van het dwangsomvonnis en de aan die veroordeling ten grondslag liggende dagvaarding van de Belastingdienst op één gezamenlijke dwangsom met één gezamenlijk maximumbedrag van € 1.500.000,-. Nergens wordt in het dwangsomvonnis gesproken van een dwangsom met een maximumbedrag “per persoon”. Volgens [eisers] ging het dan ook om één ondeelbare informatieverplichting met daaraan één gekoppelde dwangsom. Een maximum van € 1.500.000 per persoon zou tot een ongerechtvaardigde dubbele sanctionering leiden die niet strookt met de prikkelfunctie van de dwangsom. Eventuele onduidelijkheid in het dictum dient, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, in het voordeel van [eisers] te worden uitgelegd, aldus [eisers]
De Belastingdienst voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de werkelijk gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis. Zij voert daartoe aan dat het dwangsomvonnis uitgaat van twee eigen, zelfstandige informatieverplichtingen, en dus van een dwangsom met een maximumbedrag van € 1.500.000,- per persoon. [eiser] en [eiseres] zijn door de Belastingdienst dan ook als afzonderlijke partijen gedagvaard en bij afzonderlijke brieven aangeschreven. De Belastingdienst betwist dan ook dat sprake is van één ondeelbare vordering. Daarnaast ontbreekt volgens de Belastingdienst het vereiste belang van [eisers] bij hun vorderingen. Tussen partijen staat immers vast dat [eisers] ten minste € 1.500.000,- aan dwangsommen hebben verbeurd, zodat de Belastingdienst daarop hoe dan ook aanspraak kon maken. De Belastingdienst heeft ervoor gekozen om niet verder te executeren, wat zij aan [eisers] heeft bevestigd. Tot slot betoogt de Belastingdienst dat, zelfs als de door [eisers] voorgestane uitleg juist zou zijn, het enkele innemen van het standpunt dat sprake is van twee dwangsommen van ieder maximaal € 1.500.000,- niet onrechtmatig is.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Twee afzonderlijke dwangsommen
Tussen partijen is in geschil of in het dwangsomvonnis aan [eisers] gezamenlijk een dwangsom met een maximumbedrag van € 1.500.000,- is opgelegd of aan [eiser] en [eiseres] afzonderlijk maximaal € 1.500.000,-, dus gezamenlijk maximaal € 3.000.000,-. Uit het dictum van het dwangsomvonnis, in samenhang met de onder 4.6. van het dwangsomvonnis gegeven overweging, volgt dat zowel [eiser] als [eiseres] de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” moet invullen en de in het dictum bedoelde bescheiden moet verstrekken. Op ieder van hen rust dus een eigen fiscale (informatie)verplichting. Wat nodig is om aan die verplichting te voldoen, kan voor ieder van hen iets anders zijn. Zij kunnen ook ieder voor zich besluiten of, en zo ja, wanneer en hoe zij aan de veroordeling voldoen. Het dwangsomvonnis moet daarom zo worden uitgelegd dat zowel aan de veroordeling van [eiser] als aan die van [eiseres] een eigen dwangsom is gekoppeld, met een (eigen) maximumbedrag van € 1.500.000,-. Deze uitleg strookt met het stelsel van het burgerlijk procesrecht, waarin de rechtsverhouding tussen eiser en iedere gedaagde afzonderlijk een zelfstandige rechtsverhouding vormt, ook indien meerdere gedaagden in één procedure zijn betrokken. Het dwangsomvonnis behelst aldus een vonnis tussen de Belastingdienst en [eiser] en een vonnis tussen de Belastingdienst en [eiseres] . Van één ondeelbare, gezamenlijke verplichting met één gezamenlijke dwangsom is dan ook geen sprake.
[eisers] hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter in het dwangsomvonnis niet uitdrukkelijk heeft vermeld dat de dwangsom “per persoon” of “per gedaagde” kan worden verbeurd en dat de voorzieningenrechter, indien zij een gezamenlijke dwangsom had beoogd, dit uitdrukkelijk als zodanig (“gezamenlijk”) zou hebben vermeld. Dit betoog faalt. Een uitdrukkelijke vermelding dat de dwangsom per persoon kan worden verbeurd, is zoals hiervoor in 4.1 toegelicht niet vereist.
Verder hebben [eisers] ter zitting aangevoerd dat de Belastingdienst bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het maximumbedrag van de dwangsommen voor hen gezamenlijk € 1.500.000,- bedroeg, gelet op de (stuitings)brieven die de Belastingdienst hen heeft gestuurd waarin een bedrag van € 1.500.000,- wordt genoemd. De rechtbank overweegt dat in de door [eisers] bedoelde brieven weliswaar een maximumbedrag van € 1.500.000,- wordt genoemd, maar dat daarbij niet is vermeld dat dit door [eisers] gezamenlijk verschuldigd is. Van een ondubbelzinnige mededeling door de Belastingdienst is dan ook geen sprake, temeer niet aangezien die brieven zien op de executie van het dwangsomvonnis waarin aan [eiser] en [eiseres] ieder afzonderlijk een dwangsom van maximaal € 1.500.000 is opgelegd, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De rechtbank constateert overigens dat [eisers] zich in het verleden in brieven en processtukken hebben geschreven dat hen een dwangsom van “samen 3 miljoen euro groot” is opgelegd, hetgeen een contra-indicatie is voor het door hen gestelde vertrouwen dat een dwangsom van maximaal € 1.500.000,- verschuldigd is.
Het voorgaande brengt mee dat de in 3.1 onder 1) gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
De Belastingdienst heeft niet onrechtmatig gehandeld
De tweede vordering van [eisers] strekt tot een verklaring voor recht dat de Belastingdienst onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door bij de invordering en uitwinning uit te gaan van een gezamenlijke dwangsomveroordeling van € 3.000.000,- in plaats van een gezamenlijke dwangsomveroordeling van € 1.500.000,-. Nu hiervoor is geoordeeld dat aan de veroordeling van [eiser] en [eiseres] ieder een eigen dwangsom met een eigen maximum van € 1.500.000,- is verbonden, kon de Belastingdienst op grond van de juiste uitleg van het dwangsomvonnis in totaal € 3.000.000,- bij [eisers] uitwinnen, hetgeen de Belastingdienst overigens niet heeft gedaan. Van onrechtmatig handelen door de Belastingdienst jegens [eisers] is dan ook geen sprake, zodat ook de in 3.1 onder 2) gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
Ontbreken van belang
Hiervoor is geoordeeld dat de vorderingen van [eisers] op inhoudelijke gronden zullen worden afgewezen. Maar zelfs als inhoudelijk anders zou zijn geoordeeld – en dus met [eisers] zou worden aangenomen dat het dwangsomvonnis een maximumdwangsom van € 1.500.000 voor [eiser] en [eiseres] gezamenlijk inhoudt – zou de vordering zijn afgewezen omdat Noverraz daarbij geen belang hebben (artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek).
Niet ter discussie staat dat [eisers] op grond van het dwangsomvonnis dwangsommen hebben verbeurd tot een bedrag van ten minste € 1.500.000. De Belastingdienst heeft dat bedrag uitgewonnen. Zij heeft [eisers] verder meegedeeld geen aanspraak te zullen maken op het restant van de verbeurde dwangsommen. Ook als de door [eisers] voorgestane uitleg van het dwangsomvonnis zou worden gevolgd, valt niet in te zien wat zij met de ingestelde vorderingen willen bereiken. Hun rechtspositie kan daardoor niet worden beïnvloed.
Noverraz voeren verder aan dat de Belastingdienst bij het geven van openheid van zaken door de belastingplichtige “in wezen tot de praktijk heeft verheven om steeds verbeurde dwangsommen met (meer dan) de helft te verminderen”. Zij menen daarom dat ook zij aanspraak zouden moeten kunnen maken op een dergelijke schikking. De Belastingdienst heeft betwist dat van een dergelijke vaste (schikkings)praktijk sprake is en [eisers] hebben hun stelling dat sprake zou van een zo’n vaste praktijk in dat licht onvoldoende onderbouwd. Reeds daarom kan dit betoog niet slagen. Dit argument levert dus evenmin een belang op bij het instellen bij de onderhavige vorderingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] overigens gezegd dat de Belastingdienst [eisers] op enig moment een schikkingsvoorstel van € 750.000,- heeft gedaan, maar dat zij dat schikkingsvoorstel niet hebben geaccepteerd.
Proceskosten
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De Belastingdienst meent dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu niet kan worden ingezien welk redelijk doel met deze procedure wordt gediend. Bovendien hebben [eisers] volgens de Belastingdienst een onvolledig en misleidend beeld geschetst van de voorgeschiedenis tussen partijen. De Belastingdienst vordert daarom vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is slechts plaats bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen bij het instellen van de vordering. De rechter dient hierbij, gelet op het recht op toegang tot de rechter, terughoudend te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van misbruik van procesrecht. Zoals hiervoor onder 4.6 t/m 4.8 is overwogen, hebben [eisers] ook indien hun uitleg van het dwangsomvonnis zou worden gevolgd, geen belang bij hun vorderingen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien welk redelijk doel met deze procedure wordt gediend. Gelet op de evidente ongegrondheid van de vorderingen, hadden zij in verband met de belangen van de Belastingdienst moeten afzien van het instellen van deze procedure.
De Belastingdienst heeft haar advocaatkosten begroot op een bedrag van € 11.445,30, welk bedrag door [eisers] niet is betwist, zodat vergoeding van dit bedrag zal worden toegewezen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 11.445,30
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 12.369,30.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eisers] af;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de werkelijk door de Belastingdienst gemaakte proceskosten, begroot op € 12.369,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
3416