RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/710802 / JE RK 26-1441
Datum uitspraak: 1 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Verlenging ondertoezichtstelling
II. Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026;
- het bericht van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 26 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 september 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 9 september 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek ter zitting als volgt nader toegelicht. De grootste zorgen zijn gelegen in het contact van [minderjarige 1] met haar moeder. Er wordt gezien dat [minderjarige 2] haar in het contact met zijn moeder erg volgt en dat [minderjarige 1] hem geruststelt en beschermt. Over [minderjarige 2] waren er zorgen over het uiten van boosheid en opzoeken van grenzen op school. De juf heeft aangegeven dat dit beter gaat. [minderjarige 2] voelt zich meer op zijn gemak in het contact met de moeder. De gecertificeerde instelling wil de omgang van de kinderen met de moeder uitbreiden en toewerken naar logeermomenten, maar [minderjarige 1] blokkeert als de jeugdbeschermer hierover begint. Bij de vader en de moeder is er een groei zichtbaar in de communicatie rondom de omgang met de kinderen. Ook sluit de moeder nu beter aan bij de kinderen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om bij beide kinderen een stuk weerstand tegen de omgang met de moeder te doen afnemen. Ook is het noodzakelijk om een borgingsplan op te stellen en om het afsluiten van de ondertoezichtstelling te laten toetsen door de Raad voor de kinderbescherming. Verder vindt de gecertificeerde instelling het van belang dat er voor het afsluiten van de ondertoezichtstelling met de vader en de moeder gewerkt wordt aan het opstellen van een ouderschapsplan. Indien een kortere periode dan zes maanden noodzakelijk blijkt, zal er eerder worden overgedragen aan het vrijwillig kader.
4. De standpunten
De moeder heeft ingestemd met het verzochte. De moeder is blij dat zij de kinderen weer ziet. Gedurende een verlening van de ondertoezichtstelling kan er gezamenlijk worden gekeken hoe de omgang verder vorm kan worden gegeven. [minderjarige 1] heeft tijd nodig om aan de moeder te wennen en vertrouwen in haar te krijgen.
De vader heeft ingestemd met het verzochte. De vader vindt het fijn dat er licht aan het einde van de tunnel is en dat er toegewerkt kan worden naar het afsluiten van de ondertoezichtstelling op een positieve manier.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Gezien wordt dat er bij [minderjarige 1] nog een grotere mate van weerstand is tegen de omgang met de moeder. Hoewel zij het huidige contact met de moeder goed vindt, wil zij wel dat er altijd begeleiding door een hulpverlener of de vader is. [minderjarige 1] geeft duidelijk aan haar moeder nog niet te vertrouwen. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter dat er de afgelopen periode grote stappen zijn gezet. De moeder heeft aan zichzelf en haar opvoedvaardigheden gewerkt, waardoor zij nu beter bij de kinderen kan aansluiten. Daarnaast heeft de vader, in het belang van de kinderen, de omgang met de moeder ondersteund en ziet [minderjarige 1] haar ouders zelfs weer grapjes maken. Hiermee wordt er naar haar en [minderjarige 2] uitgedragen dat zij emotionele toestemming krijgen voor contact met beide ouders. De kinderrechter acht het wel noodzakelijk dat de jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling langer bij [minderjarige 1] betrokken blijft om te onderzoeken of een uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder mogelijk en passend is. De vader en de moeder staan open voor hulpverlening, maar zijn op dit moment nog onvoldoende in staat om gezamenlijk met vrijwillige hulpverlening de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] weg te nemen. De weerstand van [minderjarige 1] tegen de een uitbreiding van de omgang maakt dat er hierover moeilijke keuzes moeten worden gemaakt die de verbeterde verstandhouding tussen de vader en de moeder weer onder druk zou kunnen zetten. Het is daarom belangrijk dat de jeugdbeschermer als neutraal persoon betrokken blijft om de ontwikkelingen hierover te monitoren en regie te voeren over dit proces. Daarnaast kan in het kader van de ondertoezichtstelling met de vader en de moeder een ouderschapsplan en een borgingsplan worden opgesteld, zodat er op een goede manier een overdracht van het gezin plaats kan vinden aan het vrijwillig kader.
De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter overweegt het volgende ten aanzien van [minderjarige 2] . De kinderrechter ziet niet dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] der mate ernstig bedreigd wordt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [minderjarige 2] voelt zich meer op zijn gemak in het contact met zijn moeder en er zijn minder zorgen over zijn gedrag. Een verlening van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] is niet noodzakelijk om de reeds betrokken hulpverlening te kunnen borgen, aangezien de medewerking van de vader en de moeder aan hulpverlening in de afgelopen periode er juist aan heeft bijgedragen dat hij niet meer ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De jeugdbeschermer zal nog steeds betrokken blijven blij het gezin ten aanzien van [minderjarige 1] , waardoor er alsnog een ouderschapsplan opgesteld kan worden. De kinderrechter gaat ervanuit dat dit ouderschapsplan zal gaan over beide kinderen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 9 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr. S. van der Harg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.