Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 14 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Sabir te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 18 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Na de zitting heeft de rechtbank een brief ontvangen van de zijde van de moeder, waarin de opvanglocatie waar de moeder verblijft de algemene situatie beschrijft.
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vader strekt ertoe dat:
- de vader gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de moeder die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vader;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige] wordt vastgesteld, in die zin dat:
primair: [de minderjarige] bij de ouders verblijft volgens een 2-2-3 schema, met overdracht telkens via de ouders van de vader;
subsidiair: [de minderjarige] bij de vader verblijft iedere week van dinsdag 9.00 uur tot donderdag 9.00 uur (de twee vaste dagen, telkens met overnachting) alsmede iedere week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur (met overnachting), met overdracht telkens via de ouders van de vader;
- een regeling vast te stellen inhoudende dat de moeder de vader tweewekelijks schriftelijk (per e-mail) informeert over de gezondheid, het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] , daarbij ten minste één recente foto verstrekt, en vader raadpleegt over alle belangrijke aangelegenheden betreffende [de minderjarige] ;
- te bepalen dat de moeder aan de vader een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat zij de vast te stellen zorgregeling niet of niet volledig nakomt, met een maximum van € 10.000, althans een zodanige dwangsom als de rechtbank juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vader stelt dat hij de woning op 4 mei 2026 heeft verlaten na een incident tussen partijen, waarbij ook de politie betrokken is geraakt. Hij stelt dat de moeder de woning inmiddels met [de minderjarige] heeft verlaten en dat zij op een geheime opvanglocatie verblijven. De vader geeft aan dat hij vervolgens weer in de woning is getrokken en dat hij daarom het uitsluitend gebruik van de woning wenst te verkrijgen.
De moeder heeft bevestigd dat zij op dit moment op een geheime opvanglocatie verblijft en stelt dat zij niet mag terugkeren naar de voormalig echtelijke woning. Daarom stemt de moeder in met het verzoek van de vader.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij en/of de kinderen toegewezen.
Voorlopige zorgregeling, dwangsom en raadsonderzoek
Huidige situatie
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de veiligheidssituatie van de moeder door de opvanglocatie is gekwalificeerd als ‘code rood’, wat inhoudt “dat er sprake is van zeer ernstige en acute onveiligheid meteen groot risico op levensbedreigend geweld.” Daarom verblijft zij momenteel op een geheime opvanglocatie met [de minderjarige] . De moeder heeft ook aangifte gedaan tegen de vader. Deze strafrechtelijke procedure loopt nog. De opvanglocatie heeft aangegeven geen fysiek contact tussen [de minderjarige] en de vader te kunnen faciliteren vanwege de bestaande veiligheidsrisico’s.
Wel heeft de opvang bij uitzondering, mede vanwege de jonge leeftijd van [de minderjarige] , toegezegd dat [de minderjarige] wekelijks voor ongeveer een kwartier met de vader mag videobellen. Daarbij is een begeleider van de opvanglocatie aanwezig.
Raadsonderzoek
De rechtbank stelt voorop dat het voor de (identiteits)ontwikkeling van kinderen van belang is om op een veilige en goede manier contact te kunnen hebben met beide ouders. Hoewel beide ouders aangeven dat de vader [de minderjarige] nooit (fysiek) geweld heeft aangedaan, ziet de rechtbank in de huidige omstandigheden geen mogelijkheid om te bepalen dat er fysiek contact tussen [de minderjarige] en de vader moet plaatsvinden. Daarbij wijst de rechtbank met name op de lopende strafzaak, het feit dat de moeder op een geheime en strikt beveiligde locatie verblijft omdat een professionele instantie haar veiligheidssituatie als ‘code rood’ heeft beoordeeld en de beperkte mogelijkheden en strikte voorwaarden om vanuit daar contact met de vader te realiseren. Er is sprake van een zeer complexe en gevoelige situatie, waarin nog veel onduidelijk is over wat is voorgevallen en wat dit zou moeten betekenen voor het contact tussen [de minderjarige] en de vader.
De rechtbank ziet, met het oog op de bodemprocedure die door de moeder is gestart, gelet op de genoemde onduidelijkheid aanleiding om de Raad te verzoeken onderzoek te verrichten en aan de rechtbank te rapporteren en adviseren in de bodemprocedure. De Raad wordt verzocht om in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden:
Voorlopige videobelregeling
Beide ouders geven aan dat de huidige videobelmomenten tussen [de minderjarige] en de vader goed verlopen en zij zijn het erover eens zijn dat deze videobelmomenten kunnen blijven plaatsvinden. De vader heeft aangegeven dat hij vaker (twee keer per week) en langer (30 minuten per keer) met [de minderjarige] zou willen videobellen en de moeder staat hier – naar de rechtbank begrijpt – ook welwillend tegenover. Ook is de rechtbank gebleken dat de vader erg hecht aan de videobelmomenten met zijn zoon en zijn er geen aanwijzingen dat hij misbruik maakt van de contactmomenten of dat deze schadelijk zijn voor [de minderjarige] . Dat neemt niet weg dat voor de moeder en voor de rechtbank niet duidelijk is in hoeverre de opvanglocatie meer en langere videobelmomenten kan faciliteren. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de wekelijkse videobelmomenten van ongeveer een kwartier tot een halfuur voorlopig in ieder geval zullen blijven doorgaan en dat deze momenten indien mogelijk onder regie van de opvanglocatie (dan wel de instantie waartoe de locatie behoort) kunnen worden uitgebreid.
Dwangsom
De rechtbank zal geen dwangsom verbinden aan de naleving van deze voorlopige videobelregeling en overweegt daartoe als volgt. De moeder heeft vanwege de situatie waarin zij zich bevindt slechts beperkte controle over de (randvoorwaarden voor de) uitvoering van de contactregeling. Ook is geenszins gebleken dat zij zich weigerachtig opstelt ten aanzien van de videobelregeling.
Daarnaast benadrukt de rechtbank dat de situatie erom vraagt dat - zo mogelijk - het vertrouwen van de moeder in de vader wordt hersteld; het afdwingen van omgang middels dwangsommen past daar niet bij.
Voorlopige informatie- en consultatieregeling
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven en getoond dat zij bereid is om de vader eens per maand te informeren over [de minderjarige] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de moeder voorlopig is gehouden om de vader eens per maand schriftelijk en via haar advocaat of de opvanglocatie te informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] . Daarbij staat het haar vrij om de vader vaker te informeren.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de moeder die woning verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat er voorlopig ten minste eens per week voor de duur van een kwartier tot een half uur (begeleid) videobelcontact zal zijn tussen [de minderjarige] en de vader en dat dit videobelcontact onder regie van de opvanglocatie waar de moeder en [de minderjarige] verblijven verder kan worden uitgebreid naar twee keer per week indien daartoe de mogelijkheid bestaat;
*
bepaalt dat de moeder de vader voorlopig ten minste eens per maand schriftelijk via haar advocaat of de opvanglocatie zal informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] ;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen ten behoeve van de bodemprocedure, waarvan het zaak- en rekestnummer nog door de moeder aan de Raad voor de Kinderbescherming zal worden doorgegeven;
de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn via de volgende telefoonnummers:
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.