Beschikking op het op 4 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.T.M. Horst te Maastricht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 4 augustus 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
De moeder heeft verzocht het verweerschrift inclusief producties van de vader buiten beschouwing te laten. De moeder meent dat door de late indiening haar recht op hoor en wederhoor is geschonden, zodat sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft op de zitting bepaald dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Uitgangspunt is dat een verweerschrift tot aan de zitting mag worden ingediend. De standpunten van de vader zijn ook niet nieuw voor de moeder en er is ook geen sprake is van ingrijpende zelfstandige verzoeken.
Verzoek en verweer
De moeder heeft, na wijziging, verzocht:
- in de oneven weken verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volledig bij de moeder;
- in de even weken verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandag en dinsdag bij de moeder en van woensdag uit school tot en met maandag naar school bij de vader;
- indien woensdag geen schooldag is, brengt de moeder de kinderen uiterlijk om 12.00 uur bij de vader, tenzij partijen schriftelijk dan wel aantoonbaar anders overeenkomen;
- indien maandag geen schooldag is, brengt de vader de kinderen uiterlijk om 10.00 uur bij de moeder, tenzij partijen schriftelijk dan wel aantoonbaar anders overeenkomen;
- de bestaande vakantie- en feestdagenregeling blijft voor het overige ongewijzigd van kracht, behoudens andersluidende afspraken tussen ouders;
een en ander voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
- primair te bepalen dat met ingang van de datum van de beschikking de volgende zorgregeling zal gelden:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij partijen volgens een week-op-week-af regeling, waarbij de wissel plaatsvindt op maandagochtend voor school, en waarbij de schoolvakanties evenredig in gehele weken tussen partijen worden verdeeld, een en ander overeenkomstig de in randnummers 64 en 65 van dit verweerschrift opgenomen verdeling per oneven en even jaar;
subsidiair de bestaande zorgregeling volgens het 5-5-2-2-patroon, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 1 juni 2023, te handhaven;
- de bepalingen van het ouderschapsplan van 1 juni 2023 te verduidelijken op de volgende punten:
- het aanvangsmoment van de schoolvakanties per ouder, te weten op de eerste maandag van de betreffende vakantie om 9.00 uur;
- de wisseltijden bij feestdagen en studiedagen vast te stellen om 9.00 uur in de ochtend;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad van [datum 1] 2020 tot [datum 2] 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
- Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 30 juni 2023, hersteld bij herstelbeschikking van 11 juli 2023, is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken en is het door beide partijen ondertekende ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
- In het ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen, waarbij de kinderen, kort samengevat, in de even weken twee dagen bij de moeder en vijf dagen bij de vader verblijven en in de oneven weken vijf dagen bij de moeder en twee dagen bij de vader. Daarnaast is in het ouderschapsplan een verdeling van de schoolvakanties en feestdagen opgenomen. Verder zijn de ouders onder andere het volgende overeengekomen:
“ Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort
(…)
Bij een voorgenomen verhuizing waarbij één van de ouders verder dan 12,5 km vanaf [plaats 2] wil gaan wonen, zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden.
(…)
Artikel 3 – Verzorging en opvoeding
(…)
Redenen die aanleiding kunnen zijn om de zorg-/contactregeling in de toekomst aan te passen kunnen onder andere zijn:
- leeftijden van de kinderen;
- school en voortgezet onderwijs;
- problemen met de opvoeding;
- woonomgeving ouders wijzigt zich en de reisafstand bedraagt meer dan 12,5 km;
- nieuwe partners;
- nieuwe gezinssituatie van één van de ouders;
- wijzigingen werkzaamheden en werktijden van de ouders.”
Beoordeling
Vervangende toestemming verhuizing
Wettelijk kader
In het geval dat ouders die het ouderlijk gezag over een kind hebben het niet eens zijn over waar een kind in de toekomst zal wonen, geldt het volgende. Iedere ouder heeft het recht om zijn of haar leven met het kind in te richten op een manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt in beginsel ook de vrijheid om op een andere plek met het kind te gaan wonen. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan moet de rechtbank alle omstandigheden van het geval in kaart brengen en een belangenafweging maken. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen. De criteria die bij deze belangenafweging in ogenschouw moeten worden genomen zijn in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vastgelegd.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft zij het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft een nieuwe bestendige relatie waarmee zij wil samenwonen. Deze wens is zorgvuldig overwogen. Op dit moment woont de moeder in [plaats 3], maar zij voelt geen binding met deze stad en wil de kinderen bovendien graag laten opgroeien in een klein dorpje zoals [plaats 1]. De moeder heeft deze wens tijd aan de vader kenbaar gemaakt en pas nadat hij herhaaldelijk had laten weten dat hij toestemming zou gaan verlenen, heeft zij de woning in [plaats 1] gekocht.
De gevolgen van de verhuizing voor de kinderen blijven volgens de moeder beperkt. De reistijd van de kinderen naar school neemt slechts in beperkte mate toe. [minderjarige 1] zal na de zomervakantie naar [schoolnaam] gaan. De reistijd naar deze school neemt in vergelijking met haar huidige woonplaats in [plaats 3] slechts met vijf minuten toe. [minderjarige 2] zal naar dezelfde school blijven gaan. Zijn reistijd zal met de auto met vijf minuten toenemen en blijft met de fiets gelijk. De sportclubs van de kinderen blijven ongewijzigd en de moeder is bereid de kinderen daar naartoe te brengen. Aangezien de kinderen op dit moment in [plaats 2] op school zitten, maar bij moeder in [plaats 3] wonen, zijn zij het al gewend dat zij voor het contact met vriendjes en vriendinnetjes veelal met de auto moeten worden gebracht. Verder wordt het contact van de kinderen met de vader niet beperkt door de verhuizing. Hij wordt ook niet opgezadeld met extra reistijd, omdat de wisselmomenten op school plaatsvinden. In vakanties is de moeder bereid het halen en brengen op zich te nemen.
De vader voert verweer. Er is volgens hem geen sprake van een noodzaak om te verhuizen. De moeder had immers ook een woning in de buurt van [plaats 2] kunnen zoeken. De vader betwist dat de moeder op zorgvuldige wijze met hem in overleg is getreden over de verhuizing. Zij heeft hem pas geïnformeerd over haar wens tot verhuizing toen het bod op de woning in [plaats 1] al was geaccepteerd. De vader betwist ook dat door de moeder goed is nagedacht over de gevolgen van de verdere afstand, de mogelijkheden om de sociale omgeving van de kinderen te behouden en de praktische uitvoerbaarheid van het halen en brengen. De moeder is vanwege haar werk niet in de gelegenheid om de kinderen naar sociale activiteiten te brengen. [minderjarige 1] zal hierdoor naarmate zij ouder wordt meer uitwijken naar activiteiten in de buurt van [plaats 1] en daarmee verder verwijderd raken van haar huidige sociale netwerk en het gezin van vader. Voor [minderjarige 2] geldt dat hij vanwege zijn leeftijd nog zeer afhankelijk is van zijn ouders qua vervoer. Daarnaast stelt de vader dat de reistijd van [minderjarige 1] wel degelijk significant, te weten met 15 minuten, toeneemt en is hij van mening dat de route vanuit [plaats 1] naar [schoolnaam] onvoldoende veilig is. Verder verwacht de vader dat de al moeizame communicatie tussen ouders zal verslechteren door de grotere afstand tussen de woonplaatsen van ouders.
Bij het maken van de belangenafweging overweegt de rechtbank dat de moeder in beginsel het recht heeft om in vrijheid haar leven opnieuw in te richten en samen met haar partner en de kinderen een leven op te bouwen in [plaats 1]. Dit recht kan begrensd worden door het belang van de kinderen bij het contact met hun vader. De zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt echter niet door de verhuizing geraakt. De vader heeft dat ook niet betwist. De bezwaren die hij tegen de verhuizing heeft opgeworpen zijn voornamelijk gelegen in het gebrek aan (tijdig) overleg door de moeder en de gevolgen van de verhuizing voor het sociale leven van de kinderen. De rechtbank begrijpt dat de vader onvrede voelt over de wijze waarop hij kennis heeft genomen van de verhuisplannen. Dit weegt echter niet zodanig zwaar dat de verhuizing daarop zou moeten afstuiten. Voor [minderjarige 2] geldt verder dat hij op dit moment ook al in een andere woonplaats naar school gaat dan waar hij met de moeder woont. De verhuizing heeft daarom geen verstrekkende gevolgen voor zijn sociale leven. De moeder heeft zich bovendien bereid verklaard om [minderjarige 2] te (blijven) brengen naar sociale activiteiten. Voor [minderjarige 1] geldt dat zij na de zomervakantie naar de middelbare school zal gaan. De ouders en [minderjarige 1] hebben gezamenlijk de keuze gemaakt voor [schoolnaam] in [geboorteplaats]. Het (centrum van het) sociale leven van [minderjarige 1] zal zich hierdoor mogelijk gaan verplaatsen. De rechtbank overweegt echter dat deze eventuele verplaatsing eerder gevolg is van de keuze voor een middelbare school in een andere plaats dan waar partijen wonen dan van de verhuizing zelf. De overgang naar de middelbare school gaat voor kinderen bovendien in het algemeen regelmatig gepaard met een verplaatsing van het sociale leven. Voor zover de reistijd van [minderjarige 1] bezien vanuit [plaats 1] langer wordt dan vanuit [plaats 3] vindt de rechtbank dat onvoldoende zwaarwegend om de verhuizing te verbieden. Ten aanzien van de communicatie tussen de ouders overweegt de rechtbank dat zij niet inziet hoe deze zal verslechteren ten gevolg van de afstand tussen ouders. Bovendien hebben beiden ouders op de zitting aangegeven dat zij bereid zijn hieraan te gaan werken.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen beperkt zullen zijn. Gelet hierop weegt het recht van de moeder om haar leven opnieuw in te richten zwaarder dan het belang van de vader bij een afwijzing van het verzoek van de moeder. Daarom zal de rechtbank de moeder vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per 1 oktober 2026 te verhuizen naar [plaats 1].
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
Volgens de moeder is sprake van gewijzigde omstandigheden, waardoor een wijziging van de zorgregeling naar een 9/5-regeling noodzakelijk is. Al vanaf 2023 en met name vanaf medio 2025 heeft [minderjarige 1] herhaaldelijk bij moeder, bij de schoolarts en bij de interne begeleider aangegeven dat zij spanning ervaart bij de vader thuis, onder meer door ruzies tussen de vader en zijn partner en doordat zij door hem wordt belast met de onenigheden tussen de ouders. Mede om deze reden wil zij een 9/5-regeling. Recent zijn de zorgen over het emotionele welzijn van [minderjarige 1] groter geworden. Zij heeft tweemaal na een verblijf bij de vader krassen op haar armen gemaakt. Ook [minderjarige 2] laat veel spanning zien in zijn lichaam. De moeder heeft daarnaast zorgen over de communicatie met vader. Zij heeft bij hem aangedrongen op het zoeken van hulp voor emotieregulatie, maar hij weigert dit. Gelet op deze zorgen acht de moeder het in het belang van de kinderen dat zij in oneven weken volledig bij haar verblijven en dat zij bij vader zijn in even weken van woensdag tot en met maandag.
De vader voert verweer. Hij staat niet achter een wijziging van de zorgregeling naar een 9/5-regeling. Het is juist dat er zorgen zijn over het emotionele welzijn van [minderjarige 1], maar hij betwist dat deze zorgen uitsluitend of in overwegende mate zijn toe te schrijven aan zijn thuissituatie. Door zowel de school van [minderjarige 1] als door Veilig Thuis is aangegeven dat de spanningen die [minderjarige 1] ervaart, zijn toe te schrijven aan de wijze waarop ouders met elkaar omgaan. [minderjarige 1] lijkt al langer last te hebben van de scheiding van haar ouders. Daarom hebben de ouders op voorstel van de vader psychologische hulp voor [minderjarige 1] ingeschakeld.
De vader betwist verder dat hij de kinderen belast met de strijd tussen de ouders. Het is juist de moeder die de kinderen daaraan blootstelt. De vader vermoedt dat de moeder de door haar verzochte wijziging van de zorgregeling heeft besproken met [minderjarige 1]. Sinds de indiening van het verzoekschrift van de moeder geeft zij plotseling aan dat zij een 9/5-regeling wenst. De zelfbeschadiging is ook in deze periode gestart. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn er volgens de vader geen concrete zorgen. Gelet op het bovenstaande is er volgens de vader geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die maken dat een aanpassing naar een 9/5-regeling gerechtvaardigd is.
De vader ziet wel aanleiding om de zorgregeling aan te passen naar een week-op-week-af-regeling (7/7-regeling). Dit geeft de kinderen meer rust en zal vooral voor [minderjarige 1] prettiger zijn, omdat zij dan minder met haar schoolboeken hoeft te slepen. Daarnaast verzoekt hij om een vakantieregeling vast te stellen.
Het verzoek van de moeder is voornamelijk gelegen in de spanning die [minderjarige 1] volgens haar bij de vader heeft. De vader betwist dat en stelt dat de spanningen bij [minderjarige 1] worden veroorzaakt door de strijd tussen ouders. [minderjarige 1] heeft de rechtbank een korte brief geschreven, waarin zij aangeeft dat zij een 9/5-regeling wenst. Tussen de ouders bestaat echter discussie over de totstandkoming van dit briefje. De moeder betwist met klem dat zij [minderjarige 1] heeft gestuurd. Volgens de moeder heeft [minderjarige 1] zelf aangegeven dat zij samen met de huisarts een brief aan de rechtbank wilde schrijven. Op 27 juni 2026 heeft zij samen met de huisarts een voorbeeldbrief geschreven. De inhoud van deze brief komt overeen met de inhoud van de brief die zij enkele weken later bij de huisarts aan de rechtbank heeft geschreven.
De vader stelt dat [minderjarige 1] door de moeder is beïnvloed om dit briefje bij de huisarts te schrijven. Aanvankelijk zou [minderjarige 1] gesprekken met de huisarts hebben tot zij bij een psycholoog terecht kon. Hoewel [minderjarige 1] pas in september zal gaan starten bij een psycholoog, zijn de gesprekken met de huisarts gestopt nadat de brief aan de rechtbank is geschreven. Dit wekt bij de vader de indruk dat de moeder naar de huisarts heeft gestuurd met het doel om haar daar deze brief te laten schrijven. Volgens de vader ging [minderjarige 1] met veel tegenzin naar de gesprekken bij de huisarts en ervaarde zij daarbij veel druk.
Gelet op deze discussie kan de rechtbank niet vaststellen of het daadwerkelijk de wens is van [minderjarige 1] om de zorgregeling te wijzigen naar een 9/5-regeling of dat zij mogelijk vastzit in een loyaliteitsconflict. Dit maakt dat er volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten zijn om een 9/5-regeling vast te stellen. De verhuizing en de overgang naar de middelbare school zal bovendien al veel veranderingen met zich meebrengen. Dat maakt dat een nóg een verandering in hun leven, te weten een wijziging van de zorgregeling, niet in het belang van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2]) is.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er evenmin voldoende aanknopingspunten om de door de vader gewenste 7/7-regeling vast te stellen. Het voornaamste argument van de vader is dat een 7/7-regeling praktischer is in verband met de middelbare school van [minderjarige 1]. Ook in dit geval overweegt de rechtbank echter dat een bijkomende verandering in het leven van [minderjarige 1] niet in haar belang is.
De rechtbank zal daarom de verzoeken van de ouders tot wijziging van de reguliere zorgregeling afwijzen.
De Raad heeft op de zitting benadrukt dat [minderjarige 1] duidelijk last heeft van de scheiding van haar ouders. Het is daarom fijn dat zij binnenkort gesprekken zal gaan voeren met een psycholoog. Daarnaast zou een instantie zoals [zorginstantie] ook hulp kunnen bieden. Zolang de strijd tussen ouders echter blijft voortduren, zal [minderjarige 1] daartussen in blijven staan en die spanning blijven meekrijgen. De ouders zijn dus aan zet om de situatie voor [minderjarige 1] te verbeteren. In dat kader is op de zitting gesproken over de mogelijkheid van het traject ouderschapsbemiddeling. De vader staat daarvoor open. De moeder staat hiervoor in beginsel ook open, maar zal in september een individueel traject gaan starten om de scheiding te verwerken. Zij wil daarom graag met haar behandelaar bespreken wat de logische volgorde is.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal wordt per email verzonden naar Jeugdteams [regio 1] voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio 1].
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Aangezien de moeder de wens heeft om van [plaats 3] (regio [regio 2]) te verhuizen naar [plaats 1] (regio [regio 3]), is op de zitting gesproken over de regio waarin de hulpverlening zal moeten plaatsvinden. Aangezien de moeder en de kinderen op dit moment ingeschreven staan in de regio [regio 2] zal de rechtbank de ouders doorverwijzen naar deze regio. De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen, zodat de verwachting is dat zij op korte termijn zal gaan verhuizen. Het is de verantwoordelijkheid van de moeder om het aanmeldpunt op de hoogte te stellen van haar verhuizing, zodra zij en de kinderen staan ingeschreven op het nieuwe adres in [plaats 1].
Het verzoek tot een Raadsonderzoek zal de rechtbank afwijzen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk onderzoek op dit moment geen toegevoegde waarde heeft.
Ten aanzien van de vakantieregeling heeft de moeder (gedeeltelijk) ingestemd met het voorstel van de vader, zodat de rechtbank conform die overeenstemming zal beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 30 juni 2023, hersteld bij herstelbeschikking van 11 juli 2023:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om te verhuizen naar [plaats 1], meer in het bijzonder naar de woning aan het [adres 1] te [plaats 1] met de minderjarigen:
bepaalt de volgende vakantie- en feestdagenregeling, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen verblijven:
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende te [adres 2],
en
[de moeder] ,
wonende te [adres 3];
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams [regio 1] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams [regio 1], Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.