Vervangende toestemming vaccinatie
Beschikking op het op 4 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sazoglu te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 4 augustus 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht toestemming te verlenen, welke die van de moeder vervangt, om [minderjarige 1] te laten vaccineren volgens de richtlijnen van het Rijksvaccinatieprogramma, waaronder – maar niet uitsluitend – het HPV-vaccin en de moeder te veroordelen in de proceskosten van het geding.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft zij zelfstandig verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten, dan wel kosten de kosten van de procedure te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
Beoordeling
Vervangende toestemming
Wettelijk kader
Op grond van artikel 7:450, eerste lid, BW is voor een medische verrichting de toestemming van de patiënt vereist. Op grond van het tweede lid geldt dat indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, daarnaast ook de toestemming van de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen is vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] te laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma, in het bijzonder met het HPV-vaccin. De heersende leer is immers dat vaccineren in het belang van kinderen is en dat het Rijksprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd.
De moeder voert verweer. Volgens de moeder wenst [minderjarige 1] de vaccinatie niet, zodat vaccinatie niet kan plaatsvinden, met of zonder toestemming van de ouders. Indien [minderjarige 1] de vaccinatie wel zelf wil, zal de moeder daarmee instemmen. [minderjarige 1] heeft die toestemming op grond van art. 7:450, tweede lid, BW echter niet nodig als zij de vaccinatie zelf weloverwogen wenst. Het verzoek van de vader mist daarom juridische en feitelijke grondslag en moet niet-ontvankelijk worden verklaard althans worden afgewezen.
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen en overweegt daartoe als volgt. [minderjarige 1] heeft een gesprek met de kinderrechter gevoerd naar aanleiding van het verzoek van de vader. Daarin heeft zij verteld dat zij niet weet of zij de vaccinatie wel wil. Zij kan niet kiezen, omdat het voor haar voelt alsof zij dan kiest voor de ene of de andere ouder. Ook als zij geen rekening zou hoeven houden met de mening van haar ouders weet [minderjarige 1] niet of zij de vaccinatie wel wil.
Op grond hiervan constateert de rechtbank dat op dit moment geen sprake is van een wens van [minderjarige 1] zelf tot vaccinatie. Dat maakt dat er niet wordt voldaan aan het vereiste van de toestemming van de minderjarige zelf, zoals neergelegd in artikel 7:450, eerste lid, BW. In het geval dat [minderjarige 1] de vaccinatie op enig moment wel zou willen, heeft de moeder toegezegd dat zij daarvoor haar toestemming zal verlenen. Daarnaast geldt dat de toestemming van de moeder (en de vader) niet noodzakelijk is als [minderjarige 1] de vaccinatie, weloverwogen wenst.
Het voorgaande maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen grond is voor toewijzing van het verzoek van de vader. De toestemming van de moeder is niet vereist en kan door de rechtbank dus ook niet vervangen worden.
Proceskostenveroordeling
Partijen hebben over en weer verzocht de ander te veroordelen in de proceskosten.
In familiezaken is het uitgangspunt dat proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij. Deze nodeloze kosten kunnen dan ten laste worden gebracht van de partij die deze kosten heeft veroorzaakt. Hieronder vallen ook nodeloze kosten die zijn veroorzaakt doordat onnodig wordt geprocedeerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De mening van [minderjarige 1] is pas duidelijk geworden tijdens het gesprek met de kinderrechter, zodat daarvoor geen sprake was van een uitgemaakte zaak. Er is dan ook geen sprake van nodeloos procederen door een van partijen. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader tot vervangende toestemming;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.