RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.57249
V-nummer: [V nummer]
geboren op [geboortedatum] 2004, van Sierra Leoonse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
Procesverloop
Verzoeker heeft op 25 september 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening (hierna: het verzoek) ingediend. Het verzoek strekt ertoe de overdracht die staat gepland op 2 oktober 2026 te verbieden totdat op zijn bezwaarschrift is beslist en totdat een arts zijn medische situatie heeft kunnen beoordelen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Griffierecht
1. Verzoeker heeft verzocht om te worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Per brief van 29 september 2026 heeft de voorzieningenrechter verzoeker voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek definitief toe.
Spoedeisend belang
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De kennisgeving van 22 september 2026 (hierna: het bestreden besluit) die verzoeker heeft ontvangen waarin zijn overdracht wordt aangekondigd is aan te merken als een feitelijke handeling. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking waartegen bezwaar en vervolgens beroep openstaat. Omdat de overdracht aan Kroatië staat gepland op 2 oktober 2026 om 8:15 uur ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan het spoedeisende belang te twijfelen.
Beoordeling van de voorzieningenrechter
4. Door problemen met de postverwerking heeft verzoeker geen beroep ingediend tegen het besluit van 15 juli 2026 waarin de minister zijn asielaanvraag niet in behandeling neemt, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: de AMBV). Verzoeker stelt in zijn gronden van het verzoek dat hij enorm in paniek is geraakt door de geplande overdracht en kampt met psychische problemen als gevolg daarvan. Hij stelt dat hij zich onveilig voelt in Kroatië vanwege eerdere ervaringen in vreemdelingendetentie. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat hij aan het verkeerde land wordt overgedragen, dat zijn aanvraag niet onder AMBV maar onder de Dublinverordening beoordeeld had moeten worden en heeft er ten onrechte geen gehoor plaatsgevonden. Verzoeker wil onderzocht worden door een arts voordat een handeling met onherstelbaar gevolg intreedt door de overdracht aan Kroatië. Al deze omstandigheden nopen volgens verzoeker tot een heroverweging van de geplande overdracht.
5. De voorzieningenrechter heeft de minister op 29 september 2026 middels een e-mail en per bericht in het digitale dossier verzocht om uiterlijk morgen (30 september 2026) vóór 12 uur te laten weten of hij zich verzet tegen de toewijzing het verzoek. Ook heeft de voorzieningenrechter de gemachtigde van de minister twee keer gebeld en een voicemail achtergelaten waarin wordt gewezen op de termijn. De minister heeft nagelaten om binnen de gestelde termijn te reageren.
6. Omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd, gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op zijn bezwaar is beslist en ten behoeve van de feitelijke overdracht medisch is onderzocht of de overdracht medisch verantwoord is te achten.
8. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op zijn bezwaar is beslist en ten behoeve van de feitelijke overdracht medisch is onderzocht of de overdracht medisch verantwoord is te achten;
- schorst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €931,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.