RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42047
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hem opgedragen terug te keren naar China. Daarbij heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Chinese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1988.
2. Niet in geschil is dat eiser in Spanje beschikt over een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft aan eiser niettemin een terugkeerbesluit opgelegd waarbij hem een vertrektermijn is onthouden. Daarbij is China als land van terugkeer aangewezen. Tevens heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Aan deze besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld wegens mensensmokkel.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartegen aan dat hij niet naar China kan worden teruggestuurd, omdat hij beschikt over een verblijfsrecht in Spanje voor onbepaalde tijd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij daarom als EU-ingezetene moet worden aangemerkt. Verder betwist eiser dat verweerder hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft kunnen opleggen. Tot slot voert eiser aan dat hij in aanmerking komt voor strafonderbreking om naar Spanje te gaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser, gelet op zijn Chinese nationaliteit, een derdelander is. Dat eiser beschikt over een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd in Spanje maakt hem niet tot Unieburger.
5. Op grond van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw wordt een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft en die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning in beginsel opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die lidstaat te begeven. Ingevolge het derde lid wordt, indien het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling om redenen van openbare orde is vereist, tegen hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
6. Verweerder heeft het terugkeerbesluit voldoende gemotiveerd en daaraan ten grondslag gelegd dat het onmiddellijke vertrek van eiser om redenen van openbare orde is vereist. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser is veroordeeld wegens mensensmokkel. Eiser heeft niet betwist dat het onmiddellijke vertrek om redenen van openbare orde is vereist. Dat eiser beschikt over een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd in Spanje staat hieraan niet in de weg. Verweerder heeft daarom niet hoeven volstaan met een bevel aan eiser om zich naar Spanje te begeven.
7. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw legt verweerder een inreisverbod op tegen de vreemdeling die Nederland op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw onmiddellijk moet verlaten. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. Het inreisverbod van tien jaar is voldoende gemotiveerd en op de juiste gronden opgelegd.
8. Voor zover eiser aanvoert dat hij in aanmerking komt voor strafonderbreking heeft hij deze stelling niet met stukken onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet dat eiser een verzoek om strafonderbreking heeft ingediend, dat aan hem strafonderbreking is verleend of anderszins is vastgesteld dat hij daarvoor in aanmerking komt.
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.
10. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.