RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.55199
(gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A. Agayev als waarnemer van de gemachtigde van eiser, M.J. van Burken-Laskowska als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist niet dat bovengenoemde gronden kunnen worden tegengeworpen, maar hij betoogt dat de minister desondanks een lichter middel had moeten opleggen. Eiser is een burger van de Europese Unie, er zijn daarom zwaarwegender gronden nodig om tot vreemdelingenbewaring over te gaan. Eiser zet ook zijn twijfels bij het onderzoek naar de vraag of hij detentiegeschikt is, nu in dat verband niet of nauwelijks met hem zelf is gesproken.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. Bij besluit van
28 januari 2026 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft op grond van het Unierecht. Dit besluit is op 8 juni 2026 aan eiser uitgereikt en eiser heeft daartegen geen beroep ingesteld. Eiser had een maand de tijd om te vertrekken, maar hij kan niet aantonen dat hij daadwerkelijk is vertrokken en bovendien zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Zijn niet onderbouwde stelling dat hij een paar weken in Duitsland is geweest is in dat verband onvoldoende. Gelet daarop ziet de rechtbank niet in waarom voor eiser zwaarwegender gronden nodig zouden zijn om hem in bewaring te stellen, nu eiser geen verblijfsrecht meer heeft en de verplichting om te vertrekken nog steeds bestaat. Verder is van belang dat eiser ook nu heeft verklaard niet te willen vertrekken naar Polen, dat hij niet beschikt over een reisdocument en dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en/of voldoende middelen van bestaan. Dat maakt het niet aannemelijk dat eiser bij oplegging van een lichter middel zal gaan (mee)werken aan zijn vertrek naar Polen. De rechtbank ziet ook geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de betrokken arts dat eiser detentiegeschikt is. De minister kon dus tot het oordeel komen dat eiser detentiegeschikt is en heeft geen lichter middel hoeven opleggen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.