[verzoekster] , verzoekster,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de Minister van Asiel en Migratie
Inleiding
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit van 10 augustus 2026 beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Op 13 augustus 2026 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voordat dit verzoek in behandeling genomen kan worden, dient het griffierecht van € 200,- te worden betaald.
Op 22 augustus 2026 is de gemachtigde van verzoekster per aangetekende brief op de hoogte gesteld van het verzuim en in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te voldoen binnen vier weken na de dagtekening van de brief.
De rechtbank stelt vast dat de uiterlijke termijn is verstreken, en het griffierecht niet is bijgeschreven. Het is niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster in betalingsonmacht verkeert.
Daarom verklaart de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk, op grond van artikel 8:82 derde lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2026 door mr. W.H. Bel rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.