Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie
Beschikking op het op 12 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Zennipman te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken;
- het bericht van 21 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het bericht van 23 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 24 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 24 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 29 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 3 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad tot april 2024.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- Uit de aantekening in het gezagsregister van 3 oktober 2020 volgt dat partijen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen.
- [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders hebben op 2 oktober 2024 een ouderschapsplan ondertekend, inhoudende – voor zover hier van belang – :
een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling), waarbij [de minderjarige] bij de moeder is van maandag tot en met donderdag en bij de vader is van vrijdag tot en met zondag;
een verdeling van de schoolvakanties, waarbij de reguliere zorgregeling doorloopt tijdens vakanties die korter duren dan twee weken (voorjaars- en herfstvakantie) en waarbij de overige vakanties gelijk zullen worden verdeeld. De moeder heeft in de even jaren de eerste keuze om te bepalen welke vakantieweken haar voorkeur hebben en de vader in de oneven jaren. De kinderen zullen maximaal drie weken aaneengesloten bij een ouder verblijven.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
Beoordeling
Gezag
De moeder stelt dat er sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders en dat de vader dreigementen naar haar heeft geuit sinds zij een nieuwe partner heeft. Ook stelt de moeder dat er sprake was van fysieke en verbale bedreiging en mishandeling door de vader tijdens hun relatie. Volgens de moeder heerst er wantrouwen tussen de ouders en maakt de vader misbruik van zijn gezag door bijvoorbeeld op het laatste moment toestemming voor de aanvraag van een paspoort en voor buitenlandse vakanties te geven. Daarnaast meent de moeder dat de vader steeds minder betrokken is bij [de minderjarige] , bijvoorbeeld als het gaat om zijn schoolgang. Dit alles maakt dat de ouders niet staat zijn om in overleg weloverwogen beslissingen te nemen over [de minderjarige] , waardoor het gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is, aldus de moeder.
De vader stelt dat er geen sprake is van een wettelijke grond voor het beëindigen van het gezamenlijk gezag. Hij erkent dat de communicatie moeizaam verloopt, maar stelt dat dit niet voldoende is om het gezamenlijk gezag te beëindigen en dat dit ook niet betekent dat hij niet in het belang van [de minderjarige] handelt. Volgens de vader is beëindiging van het gezamenlijk gezag prematuur en disproportioneel en hij geeft aan dat hij openstaat voor hulpverlening en mediation. De vader wijst er tot slot op dat de moeder hem onvoldoende (tijdig) informeert over [de minderjarige] , dat hij niet gekend is bij het inschrijven van [de minderjarige] op zijn nieuwe school en dat hij wel toestemming heeft gegeven voor de vakantie, maar dat het door praktische problemen wat langer duurde om de formulieren volledig in te kunnen vullen.
Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de communicatie tussen de ouders niet altijd soepel verloopt. Ook heeft de vader aangegeven dat hij inziet dat de manier waarop hij zich in het verleden tegen de moeder heeft uitgelaten onwenselijk was en heeft gezorgd voor wantrouwen bij de moeder. De vader heeft verder aangegeven dat hij openstaat voor hulpverlening om de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren en dat hij daarvoor ook de kosten zou willen dragen, maar de moeder heeft uitdrukkelijk gezegd dat zij hier niet voor openstaat.
Ondanks deze moeizame communicatie en het onderlinge wantrouwen tussen de ouders ziet de rechtbank in de onderhavige situatie onvoldoende aanleiding om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de ouders ter zitting een zorgregeling zijn overeengekomen. Daarnaast is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de ouders voorafgaand aan de zitting onderling afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de zomervakantie. Hieruit maakt de rechtbank op dat de ouders wel degelijk in staat zijn om met elkaar te overleggen in het belang van [de minderjarige] . Hoewel de frustratie van de moeder met betrekking tot het wachten op toestemming voor vakanties invoelbaar is, is duidelijk geworden dat de vader deze toestemming wel steeds verleend. Ook is door de moeder niet betwist dat zij de vader niet heeft betrokken bij [de minderjarige] inschrijving op zijn nieuwe school, waardoor hij daarvoor ook geen toestemming heeft kunnen geven. Op basis van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders als het gezamenlijk gezag in stand blijft of dat eenhoofdig gezag anderszins in zijn belang noodzakelijk is. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag afwijzen.
Zorgregeling
De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de manier waarop de zorgregeling moet worden gewijzigd. Zij hebben afgesproken dat [de minderjarige] steeds twee weekenden per drie weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader is. Het daarop volgende (derde) weekend brengt [de minderjarige] bij de moeder door. De ouders zijn hebben ook afgesproken dat de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt als [de minderjarige] dat weekend bij hem is, en dat de moeder [de minderjarige] op zondag ophaalt bij de moeder van de vader. Verder zullen de ouders onderling afspreken of en in hoeverre van deze afspraken moet worden afgeweken in verband met de zwemlessen en voetbaltrainingen van [de minderjarige] .
De ouders hebben eveneens overeenstemming over de verdeling van vakanties en feestdagen, in die zin dat zij beide willen laten vastleggen dat de verdeling uit het ouderschapsplan blijft gelden. De rechtbank zal deze verdeling dan ook vastleggen in de beschikking, zoals de ouders hebben verzocht. De rechtbank bepaalt daarbij dat als een vakantieweek of feestdag die [de minderjarige] bij de vader doorbrengt niet aan het einde van een schoolweek begint, de moeder [de minderjarige] naar de moeder van de vader brengt, om hem daar aan het einde van de vakantieperiode bij de vader ook weer op te halen. Partijen hebben hier op zitting geen afspraken over gemaakt. De rechtbank acht dit het best aansluiten bij de wens van de moeder om [de minderjarige] op een zo neutraal mogelijke plek over te dragen.
Omdat de rechtbank de overeengekomen zorgregeling en verdeling van vakanties en feestdagen in het belang van [de minderjarige] acht, zal de rechtbank verder conform de overeenstemming van de ouders beslissen.
Kinderalimentatie
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ontvankelijkheid
Uit het ouderschapsplan blijkt dat de ouders in 2024 hebben afgesproken dat de vader aan de moeder € 150,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Een dergelijke overeenkomst kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).
Volgens de moeder laat de vader na om dit bedrag maandelijks over te maken. Ook stelt zij dat het afgesproken bedrag niet toereikend is om in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te kunnen voorzien en dat de vader wegens zijn hoge inkomen in staat is om meer te betalen.
De vader stelt – naar de rechtbank begrijpt – dat hij de kinderalimentatie altijd heeft betaald, totdat de moeder in september/oktober van 2025 heeft aangegeven dat de vader het geld niet langer naar haar moest overmaken, maar aan [de minderjarige] moest besteden. Volgens hem voldoet de afgesproken kinderalimentatie wel aan de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeenkomst niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechter zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechter is in dit geval niet langer gebonden aan wat de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken.
In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. De vader heeft weliswaar gesteld dat de moeder hem in september of oktober 2025 heeft verzocht om het afgesproken bedrag aan kinderalimentatie niet langer aan haar over te maken en in plaats daarvan uit te geven aan [de minderjarige] , maar hij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Hij heeft ook nagelaten met stukken te onderbouwen dat hij sindsdien het afgesproken bedrag aan [de minderjarige] heeft besteed. De rechtbank ziet daarom in redelijkheid aanleiding om de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, ook omdat de vader vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventueel te betalen kinderalimentatie.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] in 2024 € 831,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 885,- per maand.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 29.182,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave van 2024, omdat uit de door de moeder overgelegde salarisspecificaties van 2025 hetzelfde bruto jaarloon blijkt en in de jaaropgave reeds de inhouding van de gedifferentieerde WGA-verzekering van de moeder is verdisconteerd.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 2.919,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De ouders zijn het erover eens dat over en weer rekening moet worden gehouden met de maandelijkse aflossing van hun respectievelijke studieschulden. Daarom zal de rechtbank aan de zijde van de moeder rekening houden met een aflossing van € 45,- per maand, nu uit het overgelegde aflossingsoverzicht van de moeder blijkt dat zij dit bedrag in 2026 maandelijks aflost. De rechtbank acht het redelijk om met deze aflossing te rekenen, omdat de wijziging van de kinderalimentatie zal ingaan halverwege de laatste maand van 2025 en omdat aan de zijde van de vader ook wordt gerekend met de aflossing die hij in 2026 doet.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,- en de rechtbank rekening houdt met een maandelijkse schuldaflossing van € 45,- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- + € 45,- (aflossing studieschuld))] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.919 – (876 + 1.310 + 45)] = € 482,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 56.807,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave van 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 3.511,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Ook aan de zijde van de vader zal de rechtbank rekening houden met de studieschuld, waarop de vader € 260,- per maand aflost in 2026.
Tussen partijen is in geschil of rekening dient te worden gehouden met de overige door de vader aangevoerde lasten. Daarbij gaat het om een aflossing van een schuld aan Intrum, die het gevolg is van een lening die de vader is aangegaan om een auto te kopen. Daarnaast stelt de vader dat rekening moet worden gehouden met de benzinekosten die zijn verbonden aan de zorgregeling. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het rekening houden met deze lasten.
De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de vader geen rekening houden met de aflossing van de schuld aan Intrum, omdat de vader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze schuld niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is. De vader heeft ook aangegeven dat de auto inmiddels verkocht is en hij had dit geld dan ook kunnen benutten om de schuld bij Intrum (gedeeltelijk) af te lossen. Gesteld noch gebleken is dat hij dit heeft gedaan. Ten aanzien van de benzinekosten in het kader van de zorgregeling overweegt de rechtbank dat beide ouders een deel van het halen en brengen van [de minderjarige] voor hun rekening zullen nemen, en daarvoor ieder hun eigen kosten zullen moeten dragen. Daarom houdt de rechtbank geen rekening met de benzinekosten die verband houden met de zorgregeling bij het berekenen van de draagkracht van de vader.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125,- en de rechtbank rekening houdt met een maandelijkse studieschuldaflossing van € 260,- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- + € 260,- (aflossing studieschuld))] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.511 – (1.053 + 1.310 + 260)] = € 622,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.104,- per maand (€ 482 + € 622 ). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 622 / 1.104 x 885 = € 499,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 482 / 1.104 x 885 = € 386,-
samen € 885,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 499,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 386,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Gelet op de door de ouders overeengekomen zorgregeling, zal de rechtbank een zorgkortingspercentage van 25% hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 221,- per maand (25% van € 885,- (behoeftebedrag)).
Conclusie
Op basis van het voorgaande zal de rechtbank de kinderalimentatie wijzigen, in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat de vader met ingang van 12 december 2025 een kinderalimentatie van € 278,- per maand aan de moeder zal betalen, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 291,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Veroordelen tot overleggen financiële gegevens
Omdat de vader in het kader van deze procedure financiële gegevens heeft overgelegd, heeft de moeder ter zitting haar verzoek om de vader te veroordelen tot het overleggen van die gegevens ingetrokken. De rechtbank zal daarom niet beslissen op dat verzoek.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren zoals hierna is vermeld.
Beslissing
vakanties en feestdagen
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling – :
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
reguliere zorgregeling
- twee weekenden per drie weken van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur;
waarbij geldt dat de vader [de minderjarige] op vrijdag (tijdens reguliere zorgregeling) dan wel de eerste vakantiedag (tijdens vakantieregeling) uit school haalt en de moeder [de minderjarige] op zondag (tijdens de reguliere zorgregeling) dan wel de laatste vakantiedag (tijdens de vakantieregeling) bij de moeder van de vader ophaalt en waarbij geldt dat als de eerste dag in de vakantie dat [de minderjarige] bij de vader zal verblijven geen schooldag is, de moeder [de minderjarige] naar de moeder van de vader zal brengen, waar de vader hem ophaalt;
*
bepaalt dat de vader met ingang van 12 december 2025 aan de moeder een kinderalimentatie van € 278,- per maand zal betalen, en met ingang van 1 januari 2026 van € 291,- per maand per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het anders of meer verzochte;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.