RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/702429 / HA ZA 26-330
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
CBP B.V. te Rotterdam,
eiseres,
hierna te noemen: CBP,
advocaat: mr. M.H.G. de Neef, te Oud-Beijerland,
tegen
De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Raad voor de Rechtspraak) te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. V. van Druenen te Amsterdam.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 maart 2026, met producties 1 tot en met 22;
- de conclusie van antwoord van 13 mei 2026, met producties 1 tot en met 21;
- de akte overlegging aanvullende producties van CBP, met producties 23 tot en met 26.
Op 13 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Vanaf 2020 was bij de civielrechtelijke kamer van het Gerechtshof Amsterdam (‘het hof’) een civielrechtelijke procedure (in hoger beroep) aanhangig tussen, enerzijds, de Stichting bedrijfstak pensioenfonds voor de bouwnijverheid, de Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds bouw & infra en de Stichting aanvullingsfonds bouw & infra (samen: ‘de Bouwfondsen’) en, anderzijds, [bedrijfsnaam] B.V. (‘ [bedrijfsnaam] ’). Kernvraag in deze procedure was of [bedrijfsnaam] werkzaamheden verrichtte die vielen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, de cao bouw en de cao BTER (de ‘bouwregelingen’). Hiertoe moest de vraag worden beantwoord of [bedrijfsnaam] een onderneming is waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie of dienstverlening voor of aan derden op het gebied van overige werken die naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend. Hierbij heeft het hof met partijen tot uitgangspunt genomen dat de brandpreventiewerkzaamheden van [bedrijfsnaam] uit zes fases bestaan.
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 19 januari 2021 overwogen dat het hof voor de beantwoording van de bovenstaande vraag behoefte had aan voorlichting door een deskundige.
De heer [de deskundige] (‘de Deskundige’) was tot aan zijn pensioen werkzaam als hoofd pensioenjuristen en actuariële diensten. Hij deed dit via CBP, waarvan hij ook medeaandeelhouder was. CBP opereerde tot 2 november 2021 onder de statutaire en handelsnaam “ [handelsnaam] ”.
Via een wederzijdse relatie was de Deskundige door één van de raadsheren van het hof, mr. [raadsheer] (‘mr. [raadsheer]’), gevraagd of hij als deskundige kon optreden in de rechtszaak. De Deskundige heeft zich daartoe in staat en bereid verklaard.
Het hof heeft de Deskundige bij tussenarrest van 1 juni 2021 als deskundige benoemd. Het hof heeft hem daarbij verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
1) Indien als uitgangspunt heeft te gelden dat onder bouwactiviteiten van [bedrijfsnaam] – waaronder begrepen de aan dochteronderneming Projecten uitbestede werkzaamheden die worden verricht door werknemers van, of door of in opdracht van, of via, [bedrijfsnaam] ingeleende werknemers - moet worden verstaan werkzaamheden die vallen onder fase 5, maar ook de werkzaamheden onder de fasen 1 tot en met 4 voor zover die werkzaamheden hebben geleid tot werkzaamheden vallend onder fase 5, en werkzaamheden in fase 6 indien voortvloeiend uit fase 5, wat is dan in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 de jaarlijkse loonsom van de werknemers die zich bezighouden met bouwactiviteiten?
2) Wat is in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 de jaarlijkse loonsom van de werknemers binnen [bedrijfsnaam] die zich bezighouden met niet-bouwactiviteiten zoals (maar niet beperkt tot) (groot)handel, certificering, BHV-cursussen verzorgen en andere niet onder de werkingssfeer van de bouwregelingen vallende, respectievelijk uitgezonderde of vrijgestelde activiteiten, alsmede met werkzaamheden in fase 1 tot en met 4 die niet hebben geleid tot werkzaamheden door, in opdracht van of namens [bedrijfsnaam] of Projecten (advies werkzaamheden)?
3) Wat is in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 de jaarlijkse loonsom van de UTA werknemers (uitvoerend technisch en administratief personeel) en hoeveel van die loonsom dient te worden toegerekend aan de bouwactiviteiten genoemd onder vraag 1 en hoeveel aan de niet-bouwactiviteiten genoemd onder vraag 2?
4) Hoe verhoudt zich voor ieder van de jaren 2013 tot en met 2020 de loonsom die volgt uit vraag 1 en 3 tot de loonsom die volgt uit vraag 2 en 3?
5) Bedraagt de loonsom die volgt uit vraag 1 en 3 in ieder van de jaren 2013 tol en met 2020 totaal meer dan 50% van de totale loonsom binnen [bedrijfsnaam] (en Projecten)?
Het hof heeft het voorschot voor de Deskundige in het tussenarrest begroot op € 5.000 (exclusief btw) en bepaald dat [bedrijfsnaam] het voorschot moest voldoen. De datum voor het inleveren van het deskundigenbericht werd bepaald op 2 november 2021.
Het hof heeft de Deskundige bij brief van 5 juli 2021 van zijn aanstelling op de hoogte gesteld. Het hof heeft de Deskundige hierbij ook gewezen op de op rechtspraak.nl gepubliceerde ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ (‘de Leidraad’). De Leidraad heeft tot doel aan door de rechtbank benoemde deskundigen informatie te verschaffen die relevant is voor de uitvoering van hun onderzoek. Ook is de Leidraad bedoeld als eerste informatievoorziening voor deskundigen, als tijdens hun onderzoek vragen naar boven komen. In de Leidraad staat onder meer het volgende:
“10 Inschakeling van derden in het onderzoek
Algemeen
79. Het is niet toegestaan het gehele onderzoek aan een ander uit te besteden. U bent immers aangezocht omdat in uw deskundigheid vertrouwen bestaat.
80. Als u een bepaalde onderzoekshandeling niet zelf kunt of wilt verrichten, kunt u in beginsel gebruik maken van derden. Dat moet voor partijen wel kenbaar zijn. Als partijen er bezwaar tegen hebben, moet u met partijen overleggen. Komen partijen en u er onderling niet uit, dan moet de Contactpersoon worden ingeschakeld.
81. Het is in een voorkomend geval verstandig partijen tevoren te laten weten dat u een bepaald deel van het onderzoek niet zelf doet. Het is af te raden hen daarmee pas te confronteren op het moment dat het onderzoek volgens afspraak zal worden gedaan of zelfs pas naderhand.
82. Bedenkt u tijdig dat inschakeling van derden tot kosten kan leiden. Betrekt u deze kosten niet in uw opgave van het voorschot of in een aanvullend voorschotverzoek, dan loopt u een potentieel incassorisico. Zie over de aanpak daarvan hierna onder par. 14.
(…)
Ondersteuning bij het onderzoek
85. Soms heeft u anderen nodig in het kader van uw deskundigen onderzoek. U behoort partijen hiervan op de hoogte te stellen voordat u anderen onderzoek laat verrichten.
86. Het kan zijn dat u iemand nodig heeft die een gedeelte van uw onderzoek zelfstandig zal moeten verrichten of die aanvullend onderzoek moet doen voordat u verder kunt met uw onderzoek. (…) In geen geval behoort u zonder partijen te raadplegen zelf een derde in te schakelen. Dit vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor. (…)
Verwerking in de kosten
94. In alle gevallen waarin u een derde inschakelt of aanvullend onderzoek laat verrichten, kunt u de kosten daarvan slechts in rekening brengen op uw voorschotnota en uw eindnota. U factureert hiervoor niet afzonderlijk, noch bij het gerecht, noch bij partijen (zie par. 14). De persoon die u heeft ondersteund in het onderzoek, kan dus niet zelf een rekening indienen bij het gerecht. Dat kan alleen bij u. U verwerkt diens rekening in uw nota. De reden hiervan is dat degene die u heeft ondersteund niet door het gerecht als deskundige is benoemd. Volgens de wet kunnen alleen de kosten worden begroot van de persoon die door de rechter als deskundige is benoemd. Dat bent u en daarom verwerkt u de kosten van degene die u heeft ondersteund in uw nota.
(…)
14. Betaling
Algemeen
127. Bij het onderwerp betaling wordt onderscheid gemaakt tussen het voorschot en de eindafwikkeling. Op enkele algemene aspecten daarvan wordt hierna ingegaan. Daarna wordt afzonderlijk de werkwijze rondom het voorschot en de eindnota beschreven.
128. De wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid een voorschot te begroten ter beperking van de incassorisico’s van u als deskundige. Dit risico ligt namelijk volgens de wet uiteindelijk bij de deskundige. Ieder gerecht heeft ter beperking van dit risico een vaste werkwijze rondom het voorschot voor en de betaling van deskundigenkosten. Door hiervan gebruik te maken, dekt u het incassorisico af.
(…)
130. Bij inlevering van het deskundigenbericht bij het gerecht begint de financiële eindafwikkeling. U levert dan tevens uw eindnota in, waarop u salaris declareert en kosten die u heeft moeten maken om het onderzoek te kunnen doen. Art. 199 Rv spreekt van schadeloosstelling (kosten) en loon (salaris). Het salaris biedt een vergoeding voor verrichte werkzaamheden van uzelf. De kostenvergoeding betreft bijvoorbeeld (…)
kosten van de inzet van derden, reiskosten en dergelijke.
(…)
133. Het beginsel van hoor en wederhoor geldt ook voor voorschotten en eindnota’s. Na ontvangst van uw opgaven stelt de griffier partijen in de gelegenheid daarop te reageren. De voorschotbedragen en het bedrag
waarop u na afloop aanspraak heeft, worden begroot door de rechter.
Werkwijze voorschot
134. Voorafgaand aan of kort na uw benoeming ontvangt u van het gerecht het verzoek een voorschot op te geven. Zo mogelijk geeft u dan al het bedrag op dat naar verwachting ook op de eindnota zal staan. Het is van belang hierin realistisch te zijn. U houdt niet alleen rekening met uw verwachte onderzoekswerkzaamheden, maar bouwt ook een marge in voor de kosten die naar schatting gepaard zullen gaan met opmerkingen en verzoeken van partijen.
(…)
140. Tijdens het onderzoek houdt u in het oog of het voorschotbedrag wordt overschreden. Dreigt dit te gebeuren, dan is het raadzaam het onderzoek tijdelijk te onderbreken, een schriftelijk verzoek om een
aanvullend voorschot aan de Contactpersoon te zenden en te wachten op bericht van de Contactpersoon dat u het onderzoek kunt voort zetten. In de tussentijd wordt door het gerecht dezelfde begrotings procedure gevolgd als bij het eerste voorschot (zie nr. 134).
(…)
Werkwijze eindnota
141. Bij inlevering van het schriftelijke rapport voegt u de eindnota. Daarop zijn kosten, salaris en BTW afzonderlijk vermeld. Bij de kosten waarvoor u schadeloos wilt worden gesteld specificeert u de verrichtingen en de kosten per verrichting, bijvoorbeeld bloedonderzoek, röntgenonderzoek en dergelijke. Indien u andere personen in het onderzoek heeft betrokken, noemt u hen bij naam en specificeert u hun uurtarief en hun aantal gewerkte uren. Bij het salaris specificeert u uw eigen uurtarief en het aantal uren dat u aan het onderzoek en de verslaglegging heeft besteed.
142. Zolang het gerecht niet over uw eindnota beschikt, kunnen de financiën van het deskundigenonderzoek niet worden afgewikkeld en ontvangt u dus geen betaling. Ontbreekt de eindnota bij het deskundigenbericht, dan zal de Contactpersoon u verzoeken deze alsnog toe te zenden aan het gerecht.
143. Na ontvangst van uw deskundigenbericht en eindnota zendt de griffier deze in kopie door naar de procespartijen. Zij krijgen daarbij gelegenheid binnen een bepaalde termijn te reageren op de eindnota. Vervolgens begroot de rechter de totale kosten van het deskundigen onderzoek met inachtneming van uw eindnota en de eventuele reacties van de procespartijen. Soms wordt u tussentijds door de griffier nog om een schriftelijke toelichting van (een onderdeel van) de eindnota gevraagd.
(…)”
Het hof heeft de Deskundige bij brief van 15 juli 2021 op de hoogte gesteld dat het voorschot was ontvangen en dat met het deskundigenonderzoek kon worden begonnen. Het hof heeft de Deskundige in de brief erop gewezen dat hij zijn rapport vóór 3 november 2021 moet indienen, in drievoud en voorzien van een gespecificeerde einddeclaratie. Ook staat in de brief:
“3. Aanvullend voorschot
Indien in de loop van het onderzoek blijkt dat het gedeponeerde voorschot ontoereikend is, dan kunt u vragen om een aanvullend voorschot.
Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan, vergezeld van een specificatie van de gemaakte en nog te maken kosten.
Het vaststellen van een aanvullend voorschot kan mogelijk voorkomen dat partijen worden verrast door een eindafrekening die veel hoger uitkomt dan het vooraf geschatte bedrag.
Bovendien loopt u minder risico dat u werkzaamheden verricht waarvoor de betaling niet is verzekerd.
4. Vaststelling vergoeding en betaling
Nadat u uw rapport met gespecificeerde einddeclaratie hebt ingediend, krijgen partijen de gelegenheid eventuele opmerkingen over de einddeclaratie te maken. De termijn hiervoor beloopt twee weken.
Na afloop van deze termijn zal het hof beslissen over de vaststelling van de vergoeding.
Indien partijen bezwaar hebben gemaakt tegen de einddeclaratie, dan kan het enige tijd duren voordat de vergoeding wordt vastgesteld.
In bijzondere gevallen wordt de vergoeding pas bij de einduitspraak vastgesteld. Na de vaststelling van de vergoeding wordt het bedrag zoveel mogelijk uitbetaald uit het gedeponeerde voorschot.
Indien het voorschot niet toereikend is, dan dient u het restant zelf bij partijen te incasseren.
Ik verwijs u naar § 14.3 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken.”
Op 21 juli 2021 heeft de Deskundige, gezien de omvang en complexiteit van het dossier, verzocht het voorschot te verhogen naar € 10.000. Dit verzoek wees het hof toe.
Op 2 maart 2022 heeft de Deskundige aan het hof verzocht om het voorschot naar € 50.000 te verhogen en een tussentijdse uitbetaling van € 26.302,98 (inclusief btw) toe te staan. Ter toelichting op dit verzoek schreef de Deskundige onder meer:
“1. Inmiddels heb ik u een nota gestuurd ad € 26.302,98 incl. btw met specificatie. Met partijen is overeenstemming bereikt over het ophogen van het voorschot tot € 30.000. (…)
2. Bijgaand treft u een Plan van aanpak plus de begroting hiervoor aan. Overeenstemming is over het feit, dat we accountants expertise nodig hebben. Met partijen is tevens besproken dat de te beantwoorden vragen zeer complex zijn en hiermee alsnog een aanzienlijke tijdsbesteding gemoeid zal zijn. Als benoemde deskundige dien ik hierbij andere expertises in te huren, hierop heeft het in de bijlage uitgewerkte plan dan ook betrekking. De aanvullende werkzaamheden worden begroot op 17.583 incl btw. Dat is exclusief mijn eigen tijd, die ik begroot op 15 uur, waarmee een budget is gemoeid ad € 4.810 excl btw. Het totaal bedraagt dan € 22.393;
3. Het is partijen bekend, dat voor het onder punt 2 genoemde bedrag ‘slechts’ de situatie voor het jaar 2014 in kaart kan worden gebracht. Ook de overige jaren dienen nog beoordeeld te worden, doch de verwachting is, dat dit relatief minder tijd zal vergen. Dit kan echter pas ingeschat worden als 2014 is verwerkt;
4. Om de bovenstaande redenen verzoek ik u om een aanvullende voorschotnota aan [bedrijfsnaam] te sturen, waardoor het totale voorschot € 50.000,- bedraagt;
(…) .”
De Bouwfondsen hebben bezwaar gemaakt tegen de gevraagde verhoging naar € 50.000. Ook ontstond discussie over de scope van het uit te voeren onderzoek. Het hof heeft daarop bij brief van 22 juli 2022 onder meer het volgende aan de Deskundige en aan partijen bericht:
“(…) De deskundige dient zich te beperken tot beantwoording van de in het tussenarrest onder r.o. 3.9 gestelde vragen. Alle daarvoor naar het uitsluitend oordeel van de deskundige noodzakelijke gegevens dient [bedrijfsnaam] aan de deskundigen ter beschikking te stellen. Voor zover [bedrijfsnaam] nog niet alle gevraagde gegevens heeft overgedragen zal zij dat per omgaande alsnog dienen te doen.
• Gegeven het voorgaande kan de deskundige zijn onderzoek voortzetten conform het op 6 oktober 2021 opgestelde plan van aanpak, wat door beide partijen wordt onderschreven. Het hof benadrukt dat de deskundige tot een zelfstandig en onafhankelijk antwoord dient te komen op de door het hof gestelde vragen, waarbij het hem vrijstaat hulp van derden in te roepen indien hij daaraan behoefte heeft en die hulp bijdraagt aan een kostenefficiënte en tijdige uitvoering van de opdracht.
• (…) Op basis van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en de deskundige heeft verklaard, acht het hof het noodzakelijk het voorschot te verhogen met € 40.000,00, derhalve naar € 50.000,00 (exclusief BTW). (…)
De deskundige dient bij de toelichting op de eindnota met betrekking tot het bedrag dat boven de € 30.000,- (exclusief BTW) uitstijgt duidelijk aan te geven of er (extra) kosten zijn toe te rekenen aan de wijze waarop de administratie van [bedrijfsnaam] is ingericht en/of de houding van een of beide partijen gedurende het deskundigenonderzoek en die kosten te begroten, opdat het hof, zo nodig, een oordeel kan geven over de verdeling van die kosten tussen beide partijen.
• Omdat het hof begrijpt dat de deskundige al ver gevorderd is met zijn werkzaamheden acht het hof het redelijk dat de deskundige een schriftelijk, door hem ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof uiterlijk op dinsdag 25 oktober 2022.”
Op 31 oktober 2022 heeft de Deskundige aan het hof bericht dat het onderzoek toch meer tijd kost dan was voorzien. Ook heeft de Deskundige gemeld dat het huidige budget van € 50.000 niet voldoende is om de werkzaamheden af te ronden en verzocht om het voorschot te verhogen tot € 78.841,75.
[bedrijfsnaam] heeft per e-mail van 11 november 2022 gereageerd op het verzoek van de Deskundige. [bedrijfsnaam] heeft hierin medegedeeld dat zij erop had vertrouwd dat het eerder verhoogde voorschot van € 50.000 voldoende zou zijn om het onderzoek af te ronden. Een overschrijding van dit budget met nog eens € 30.000 vond [bedrijfsnaam] extreem en zonder nadere toelichting niet te begrijpen. [bedrijfsnaam] heeft vragen gesteld over onder meer onduidelijkheden en onvolkomenheden in de urenspecificatie, de vele uren die waren besteed aan intern overleg en de hoeveelheid ingezette derden. Niettemin heeft [bedrijfsnaam] bij brief van 11 januari 2023 aan het hof laten weten in te stemmen met de gevraagde verhoging van het voorschot.
Op 17 april 2023 heeft de Deskundige zijn conceptrapport uitgebracht.
Op 19 juni 2023 heeft de Deskundige het hof om een aanvullende verhoging van het voorschot tot € 130.816,73 (exclusief btw) verzocht, op basis van een (verwachte) kostenbegroting van € 154.456 met aftrek van een projectkorting van € 20.000. Ter toelichting op dit verzoek schrijft de Deskundige onder meer:
“Allereerst merk ik op, dat deze zaak, door diverse oorzaken, een lange doorlooptijd heeft en mede daardoor tot hogere kosten leidt. Een deel van deze kosten wordt veroorzaakt doordat het proces herhaaldelijk voor lange tijd is opgeschort, waardoor extra tijd nodig is om telkens weer het benodigde overzicht te verkrijgen. In hoeverre dit aan partijen te wijten is geweest zal ik toelichten bij het indienen van mijn einddeclaratie, zoals mij in de brief van het Hof d.d. 22-07-2022 is verzocht.
Vanwege de complexiteit van het dossier heb ik de expertise moeten inroepen van een register accountant en een jurist, beiden zijn partijen bekend. De complexiteit van het onderzoek is reeds uitvoerig op 6 oktober 2021 met partijen besproken. Uiteindelijk is meer tijd geïnvesteerd dan vooraf ingeschat.
(…)
Het onderzoek heeft zich, zoals herhaaldelijk aangegeven, gericht op het jaar 2014. Derhalve blijft de vraag voor de jaren 2013 en 2015 tot 2020 vooralsnog onbeantwoord. De kosten voor de ontbrekende jaren kunnen aanzienlijk lager zijn, desalniettemin geef ik het Hof en partijen in overweging te trachten hiervoor een
pragmatischer methode te kiezen.
(…)”
Bij brief van 10 juli 2023 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om op de verzoeken van de Deskundige te reageren. De Bouwfondsen hebben dat bij brief van 19 juli 2023 gedaan. De Bouwfondsen hebben hierin kenbaar gemaakt het gevraagde budget niet uitlegbaar en ongeloofwaardig hoog te vinden, mede in aanmerking genomen dat het budget alleen nog maar één jaar omvat voor een toch niet zeer grote onderneming en het onderzoek door (deskundigen van) de bouwfondsen als betrekkelijk eenvoudig wordt geduid gezien de vraagstelling van het hof.
[bedrijfsnaam] heeft bij brief van 16 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen de verzochte voorschotverhoging. [bedrijfsnaam] heeft in de brief onder meer geschreven:
Bezwaren tegen verzoeken deskundige
Het verzoek van de deskundige om een aanvullend voorschot is buiten proportioneel. (…)
De deskundige vraagt steeds pas achteraf en zonder enige onderbouwing om extra budget waarbij de stijging van de kosten telkens enorm zijn.
Door de herhaaldelijke verzoeken om extra budget heeft het onderzoek diverse malen stil gelegen. Mede hierdoor diende de werkzaamheden iedere keer opnieuw te worden opgestart. Dat werkt kostenverhogend. Een groot deel van de geboekte uren is besteed aan communicatie over deze budgetstijgingen en niet aan het feitelijke onderzoek.
Daarnaast vraagt [bedrijfsnaam] zich af of de werkzaamheden efficiënt zijn uitgevoerd. Op basis van de urenspecificatie ziet [bedrijfsnaam] dat er maar een beperkt deel van de kosten is besteed aan het feitelijke onderzoek. Het grootste deel is besteed aan vele uren onderling overleg.
De deskundige heeft zeer veel andere personen ingeschakeld voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Dit heeft tot aanzienlijk hoge en extra kosten geleid. Een gezamenlijk overleg om de zaak te bespreken, kost zo al gauw meer dan € 1.000 per uur. De deskundige heeft vooraf slechts gemeld dat hij een accountant en een jurist zou inschakelen voor bepaalde werkzaamheden.
Hiermee handelt de deskundige in strijd met hoofdstuk 10 van de Leidraad (…) . De Leidraad bepaalt duidelijk dat het incasso risico bij de deskundige ligt, eens te meer indien derden worden ingeschakeld zonder toestemming van partijen of indien deze kosten niet vooraf begroot zijn.
(…)
Vragen urenspecificatie deskundige
De accountants zijn door de deskundige ingehuurd om de administratie van [bedrijfsnaam] te beoordelen. Dat kan [bedrijfsnaam] begrijpen aangezien dat een specifieke expertise is. (…)
Het heeft [bedrijfsnaam] zeer verbaasd is dat er totaal 18 verschillende personen tijd hebben geschreven op het project " [bedrijfsnaam] ". Waaronder 1 deskundige, 3 accountants, 6 juristen, 6 secretarieel medewerkers, en 2 partners/vennoten.
1. [bedrijfsnaam] wil uitleg van de deskundige over de bijdrage van al deze personen. Hierom is eerder gevraagd maar tot op heden is er geen goede verklaring ontvangen. Er is slechts aangegeven dat er advies is ingewonnen. [bedrijfsnaam] wil graag een inhoudelijke onderbouwing ontvangen van de werkzaamheden van al deze medewerkers.
2. Ook stelt [bedrijfsnaam] vraagtekens bij de werkwijze van de vele medewerkers. Uit de urenadministratie blijkt dat er zeer vaak maar korte tijd per dag op het project " [bedrijfsnaam] " wordt geschreven. Door nagenoeg iedere medewerker. Als er maar 0,5 tot 1,0 uur per dag aan een project wordt gewerkt, duidt dat erop dat er niet efficiënt gewerkt kan zijn als er telkens op zoveel verschillende dagen opnieuw gestart moet worden met een bepaalde taak. Dit werkt kostenverhogend en [bedrijfsnaam] wil graag uitleg over de reden waarom op deze manier is gewerkt.
3. De deskundige schrijft in zijn e-mail aan [de griffie van het hof] op 23 december 2022 dat de werkzaamheden "bijna" zijn afgerond. Uit de aangeleverde urenspecificatie blijkt dat er vervolgens in 2023 nog 259,45 uren zijn geboekt op het "project" [bedrijfsnaam] met een totale kostenpost van € 53.430,50 excl. BTW. Er is nog 32,5 dag ofwel 6,5 volle werkweken gewerkt aan dit dossier.
Er is in deze periode op 6 april 2023 aan [bedrijfsnaam] slechts één inhoudelijke e-mail gestuurd met daarin het verzoek om informatie aan te leveren over de functies binnen [bedrijfsnaam] . Deze informatie is nog dezelfde dag door [bedrijfsnaam] verstuurd. Overigens is helaas gebleken dat deze informatie niet juist in het deskundigenbericht is verwerkt. Welke werkzaamheden hebben de deskundige en zijn medewerkers nog moeten verrichten in de
periode januari - mei 2023 aan een dossier dat al bijna afgerond was?
4. Het hoofd van de juridische afdeling van [handelsnaam] , mevrouw [naam] heeft aanzienlijk meer uren geschreven in de periode waarin het rapport werd opgesteld dan de deskundige. Welke juridische werkzaamheden heeft mevrouw [naam] nog moeten verrichten in het eerste half jaar van 2023? Wat was de taakverdeling tussen de deskundige en mevrouw [naam] ?
(…)”
De Deskundige heeft bij brief van 2 oktober 2023 op de bezwaren en vragen en opmerkingen van partijen gereageerd. In deze brief heeft de Deskundige onder meer een toelichting gegeven op het aantal personen dat betrokken was geweest bij de uitvoering van het onderzoek. Ook heeft de Deskundige het volgende antwoord gegeven op de vragen van [bedrijfsnaam] :
Vraag 1
In het voorgaande en in samenhang met de in bijlage 2 vermelde gegevens is reeds een toelichting gegeven
op het aantal werknemers dat aan het dossier heeft gewerkt en de bijdrage van die werknemers. De meeste
werkzaamheden van ingeschakelde experts zijn uitgevoerd door twee senior juristen die niet tegelijkertijd
aan het dossier hebben gewerkt, maar waarbij het dossier in verpand met personeelsmutaties is
overgedragen. Verder is één medior jurist (voorheen junior jurist) nagenoeg gedurende de gehele looptijd
het dossier betrokken geweest
Voorts is er werk verricht door een (tekenbevoegd) sr. accountant en accountant ten behoeve van het
rapport van feitelijke bevindingen. Ook hier is het dossier overgedragen tijdens de looptijd van het dossier
naar een andere collega in verband met personeelsmutaties.
De secretariële en overige ondersteunende werkzaamheden zijn uitgevoerd door verschillende personen,
maar deze zijn zoals toegelicht steeds beperkt in omvang. De vestigingsleider en het directielid zijn eveneens
maar heel beperkt betrokken geweest. Bij de aanvang van de werkzaamheden is er kort overleg gevoerd over
de uitvoering.
Vraag 2
Voorts stelt [bedrijfsnaam] vraagtekens bij de efficiëntie van de werkwijze. Zij merkt op dat relatief veel tijd is
besteed aan overleg. Zoals bovenstaand uitgebreid uiteengezet is, betreft het een langdurige dossier waarbij
veelvuldig tussen partijen gecommuniceerd is. Daardoor was veelvuldige afstemming ook noodzakelijk. De
lange doorlooptijd heeft er mede toe geleid dat er tussentijds personeelsmutaties hebben plaatsgevonden.
Noodzakelijkerwijs dient er dan ook dossieroverdracht plaats te vinden.
Bovendien is slechts in 83 van de 328 tijdregels korter dan één uur aan tijd geregistreerd. Daarbij betreft dit
meestal administratieve ondersteuning. Het betreft hier dus geen inhoudelijk dossierwerk, behalve in enkele
situaties, een en ander zoals reeds in het voorgaande onder ‘3. Toelichting op het aantal werkzame personen’
is toegelicht.
Vraag 3
Bij vraag 3 stelt [bedrijfsnaam] dat er na 23 december 2022 nog 259,45 uren zijn besteed aan de afronding van het
concept van het deskundigenbericht.
Van deze 259.45 uren hebben 49,75 uren betrekking op werkzaamheden die zijn uitgevoerd naar aanleiding
van de vragen die [bedrijfsnaam] heeft gesteld na het uitbrengen van het concept van het deskundigenrapport dat
op 17 april 2023 aan partijen en aan de griffie is gestuurd.
Verder heeft de afronding van het concept van het deskundigenrapport meer werk gevergd dan op 23
december 2022 was verwacht. Het rapport van feitelijke bevindingen is opgesteld om de betrouwbaarheid
van de feiten en gegevens te garanderen zoals in het voorgaande reeds is toegelicht. Echter bleek tijdens de
uitvoering van het onderzoek voor de beantwoording van de door het Hof gestelde vragen meer aanvullend
onderzoek noodzakelijk dan op 23 december 2022 werd ingeschat.
De noodzaak tot aanvullend onderzoek is pas tijdens de uitvoering daarvan duidelijk geworden. Gelet op de
reeds weergegeven doublures in het werkproces - zoals extra inlezen bij medewerkers die werden vervangen
gedurende de looptijd van het dossier - is reeds een korting verstrekt van € 20.000. Uitgaande van een
gemiddeld uurtarief, ad € 216,92, komt dit neer op 93 uur. Derhalve kan gesteld worden dat na 23 december
2022 voor het opstellen en controleren van het rapport nog 117 uren (259,45 minus 49,75 minus 93)
gedeclareerd zijn.
Tot slot stelt [bedrijfsnaam] bij vraag 3 dat de deskundige in deze periode slechts één inhoudelijke e-mail heeft
gestuurd met een verzoek om informatie. Het is weliswaar correct dat na 6 april 2023 slechts één keer om
informatie is verzocht, maar in de periode daarvoor is juist heel veel informatie verstrekt. De voor de
voormelde datum beschikbaar gestelde informatie bevatte documenten als loonsommen, verzamelloonstaten,
urenspecificaties, personeelsoverzichten, omzetspecificaties etc. Een groot deel van deze informatie is
gebruikt bij het opstellen van het rapport. Dat er na een bepaalde datum slechts één keer om aanvullende
informatie is gevraagd, zegt niets over de hoeveelheid gebruikte informatie.
Vraag 4
Voor de uitvoering van het onderzoek en het opstellen van het rapport is door de deskundige ondersteuning
ingeschakeld ten behoeve van accountancy werkzaamheden en juridische werkzaamheden. Per saldo is
mevrouw mr. [naam] (respectievelijk haar voorganger) verzocht te ondersteunen bij juridisch complexe
materie. De gehanteerde berekeningswijze en uitgangspunten moeten er immers toe leiden dat de vragen
van het Hof zo objectief mogelijk beantwoord konden worden.
Bij brief van 3 oktober 2023 heeft het hof de Deskundige en partijen geïnformeerd over het vervolg van de procedure. In deze brief schreef het hof onder meer:
“Het is nu van belang dat de deskundige zo snel mogelijk zijn rapport definitief maakt en bij het hof indient. Het hof ziet geen reden waarom de deskundige zijn concept rapport ingrijpend zou moeten aanpassen op basis van door een van beide partijen ingebrachte vragen of opmerkingen, behoudens voor zover het gaat om correcties van zuiver feitelijke aard. In de toelichting op het rapport kan de deskundige verantwoording afleggen over de opzet van zijn onderzoek en door hem gemaakte keuzes voor de beantwoording van de door het hof gestelde vragen en daarbij de vragen en opmerkingen van [bedrijfsnaam] gemotiveerd betrekken. Het hof herhaalt dat de deskundige bij de toelichting op de eindnota met betrekking tot het bedrag dat boven de € 30.000,- (exclusief BTW) uitstijgt duidelijk dient aan te geven of er (extra) kosten zijn toe te rekenen aan de wijze waarop de administratie van [bedrijfsnaam] is ingericht en/of de houding van een of beide partijen gedurende het deskundigenonderzoek en die kosten te begroten, opdat het hof, zo nodig, een oordeel kan geven over de verdeling van die kosten tussen partijen. (…)
Gegeven het voorgaande verwacht het hof dat de deskundige zijn onderzoek thans kan afronden conform het op 6 oktober 2021 opgestelde plan van aanpak dat door beide partijen is onderschreven en het conceptrapport van 17 april 2023, met uitsluitend aanpassing ter correctie van onjuiste feiten e.d. Het hof benadrukt dat de deskundige tot een zelfstandig en onafhankelijk antwoord dient te komen op de door het hof gestelde vragen, waarbij het hem vrijstaat hulp van derden in te roepen indien hij daaraan behoefte heeft en die hulp bijdraagt aan een kostenefficiënte en tijdige uitvoering van de opdracht. Omdat het hof begrijpt dat de deskundige nagenoeg gereed is met het rapport, acht het hof het redelijk dat de deskundige een schriftelijk, door hem ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof uiterlijk op dinsdag 31 oktober 2023. Het is niet de bedoeling om het rapport eerst (nogmaals) aan partijen voor te leggen.”
Op 12 oktober 2023 vond mailcontact plaats tussen de Deskundige en mr. [raadsheer], naar aanleiding van de discussie over het depot en onduidelijkheden bij de Deskundige over de brief van het hof. Mr. [raadsheer] heeft vervolgens het volgende aan de Deskundige geantwoord:
“Wij hebben impliciet toestemming verleend voor uitbetaling. Dat heb ik [de griffie] gemeld. Ook het gevraagde budget is impliciet goedgekeurd omdat wij het belangrijker vinden dat er nu een rapport komt.”
De griffie van het hof heeft vervolgens per e-mail van 18 oktober 2023 aan de Deskundige bevestigd dat opdracht is gegeven voor tussentijdse uitbetaling van € 52.538,77 vanuit het gestorte depot.
Omdat het hof signalen kreeg dat er bij partijen onduidelijkheden waren over de aanvulling van het voorschot, heeft het hof partijen en de Deskundige 15 november 2023 hierover nader bericht (via een e-mail van de griffie). Het hof schreef in dit bericht:
“Het hof begrijpt dat er nog onduidelijkheid is over de aanvulling van het depot voor afronding van het deskundigenrapport.
Met de brief van 3 oktober jl. heeft het hof besloten dat snelle oplevering van het rapport belangrijker is dan een discussie over de hoogte van het voorschot.
[bedrijfsnaam] zal derhalve een nota ontvangen van het LDCR voor het aanvullende voorschot van € 51.974,98.
Bij het te wijzen eindarrest zal het hof een oordeel geven over het aan de deskundige toekomende honorarium.
Het hof verwacht dat de deskundige zijn rapport definitief zal indienen op de rol van 12 december en dat [bedrijfsnaam] voor die datum de voorschot nota zal hebben voldaan.”
Op 27 november 2023 heeft de Deskundige weer mailcontact gezocht met mr. [raadsheer]. De Deskundige mailde aan mr. [raadsheer]:
“Inmiddels staat het stil in de zaak [bedrijfsnaam] /Bouwfondsen. Kunnen we hier morgen even over overleggen, want ik ben bang dat hier een impasse ontstaat. Daarnaast wil ook ik de zaak snel opgelost hebben, ik beëindig voor zover nu te overzien ook mijn carrière op korte termijn.”
Mr. [raadsheer] heeft hierop diezelfde dag het volgende geantwoord:
“Er is toch betaalverzoek gestuurd aan [bedrijfsnaam] en de datum inleveren staat voor 12/12. Meer kan ik nu niet doen.”
[bedrijfsnaam] heeft bij brief van haar advocaat van 11 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het hof tot oplegging van een aanvullend voorschot van € 51.974,98 en de tussentijdse uitbetaling van € 52.538,77. [bedrijfsnaam] heeft hiertoe onder meer verwezen naar de eerdere bezwaren van partijen van 19 juli 2023 en 16 augustus 2023.
Op 11 december 2023 heeft de Deskundige het definitieve rapport met de eindnota via e-mail in drie delen aan het hof verstuurd. Omdat de Deskundige een foutmelding ontving ten aanzien van één van de mails, heeft hij het rapport met de eindnota van 8 december 2023 per aangetekende post aan het hof verstuurd. De eindnota kwam inclusief btw uit op een bedrag van € 182.374,80 (€ 150.723,- vermeerderd met 21% btw).
De griffie heeft het per post verzonden rapport op of omstreeks 14 december 2023 ontvangen. Naar aanleiding van de ontvangst van het pakket heeft de griffie van het hof per e-mail van 18 december 2023 het volgende aan de Deskundige bericht:
“Ik heb uw deskundigenbericht met de eindnota op 14 december jl. per post ontvangen.
Helaas in enkelvoud
In de brief van 21 juli 2021 (bijgevoegd) staat dat - Uw rapport dient u in drievoud en vergezeld van een gespecificeerde einddeclaratie bij het hof in te dienen.
Tevens staat in deze brief dat het hof zorgdraagt voor de verzending van het rapport aan partijen.
Bij punt 4 staat dat vaststelling vergoeding en betaling.
Nadat u uw rapport met gespecificeerde einddeclaratie hebt ingediend, krijgen partijen de gelegenheid eventuele opmerkingen over de einddeclaratie te maken. De termijn hiervoor beloopt twee weken.
Na afloop van deze termijn zal het hof beslissen over de vaststelling van de vergoeding.
Indien partijen bezwaar hebben gemaakt tegen de einddeclaratie, dan kan het enige tijd duren voordat de vergoeding wordt vastgesteld.
In bijzondere gevallen wordt de vergoeding pas bij de einduitspraak vastgesteld. Na de vaststelling van de vergoeding wordt het bedrag zoveel mogelijk uitbetaald uit het gedeponeerde voorschot.
Indien het voorschot niet toereikend is, dan dient u het restant zelf bij partijen te incasseren.
Ik verwijs u naar § 14.3 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken.
Het hof verzoekt u alsnog 2 rapporten en een gespecificeerde nota per post toe te sturen.”
De Deskundige heeft vervolgens aanvullende afschriften van het definitieve rapport en de eindnota per aangetekende post aan het hof toegestuurd.
Op 14 januari 2024 heeft mr. [raadsheer] per e-mail contact opgenomen met de Deskundige, met daarin de volgende vraag:
Ik heb via de administratie de eerste (rapport) en derde mail (eindnota) met het digitale rapport ontvangen.
[De griffie] heeft de tweede mail (met alle bijlagen) niet ontvangen. Zou je die alsnog willen sturen?
Ik hoop dat je nu alle stukken als gevraagd hebt ingeleverd. Ging met name nog om de gespecificeerde einddeclaratie met toelichting in drievoud per post.
De Deskundige heeft hierop per e-mail van 18 januari 2024 als volgt geantwoord:
“Alle stukken zijn per post in drievoud naar [de griffie] gestuurd inclusief de specificatie van de eindnota.
Momenteel ronden we de beantwoording van de vraag van het Hof af in hoeverre specifieke kosten te wijten zijn aan de medewerking van een van beide partijen. Deze stuur ik een dezer dagen in.”
Per e-mail van 24 januari 2024 heeft de Deskundige de niet door het hof ontvangen mail van 11 januari 2024 (deel 2 van 3), met daarin de bijlagen 1 tot en met 12 van het rapport, alsnog aan het hof toegestuurd.
Diezelfde ochtend heeft de Deskundige via e-mail een aanvullende toelichting aan het hof, [bedrijfsnaam] en de Bouwfondsen gestuurd, met daarin een antwoord op de eerder door het hof gestelde vragen. De nadere toelichting houdt het volgende in:
“Het Hof heeft ondergetekende verzocht om bij het toezenden van de eindnota inzake het
deskundigenbericht in de zaak [bedrijfsnaam] /Bouwfondsen te willen begroten, voor zover de eindnota € 30.000 overschrijdt, welk bedrag van de eindnota:
1.Toe te rekenen is aan de wijze waarop de administratie van [bedrijfsnaam] is ingericht;
2. Toe te rekenen is aan de houding van een van de partijen tijdens het onderzoek.
1. Administratie [bedrijfsnaam]
Ten aanzien van de administratie van [bedrijfsnaam] merk ik op dat zowel het aanleveren van gegevens, als de overzichtelijkheid van de administratie niet heeft geleid tot extra kosten. Hooguit kan gesteld worden dat de administratie van [bedrijfsnaam] er niet op was ingericht om hieruit direct af te kunnen leiden welke loonkosten waren toe te rekenen aan de in mijn eindrapport omschreven fase 5 en werkzaamheden uit de fasen I t/m 4 en fase 6, die hebben geleid tot werkzaamheden in fase 5. In het rapport is gekozen onderscheid te maken naar werkzaamheden geboekt in Handsoft en niet geboekt in Handsoft. Mocht het Hof van oordeel zijn dat dit [bedrijfsnaam] zou moeten worden aangerekend, dan kan gesteld worden, dat met uitzondering van onderstaand onder punt 2 omschreven kosten, de kosten voor het gehele onderzoek aan [bedrijfsnaam] te wijten is.
2. Toe te rekenen kosten aan partijen
Tijdens het onderzoek is twee maal vertraging opgetreden doordat partijen hebben geaarzeld om akkoord te gegeven op verhoging van het voorschot. Deze perioden vonden plaats tussen 2 maart 2022 tot 22 juli 2022 en 31 oktober 2022 tot 17 februari 2023. Tijdens deze periodes zijn resp. 13,5 en 61,7 uren geboekt op het dossier. Deels zijn deze uren veroorzaakt doordat de bouwfondsen geen akkoord gaven en/of niet meewerkten aan het plannen van besprekingen. Een schatting is, dat zeker 50% van de geregistreerde tijd direct is gespendeerd aan emailverkeer etc. n.a.v. de opgetreden vertraging.
De overige tijd in deze perioden is besteed aan een aantal onderdelen van het onderzoek die moeilijk konden worden stilgelegd, zoals bijvoorbeeld de afstemming met de accountant.
Naast de directe tijd is ook in de perioden nadat het werk weer was aangevangen extra tijd ‘verloren gegaan’ aan het opnieuw oppakken van het dossier. Dit is niet exact te bepalen, doch een schatting is dat dit zeker 30 uur heeft gevergd.
3 Aanvullende verzoeken
Op 17 april 2023 is een concept deskundig bericht aan partijen verstuurd. [bedrijfsnaam] heeft aanvullende vragen gesteld. Op verzoek van [bedrijfsnaam] heeft op 31 mei 2023 een bespreking plaatsgevonden n.a.v. vragen en opmerkingen van de zijde van [bedrijfsnaam] . Naast voorbereiding en het voeren van de bespreking (17 uur) zijn op verzoek van [bedrijfsnaam] opmerkingen in het dossier verwerkt. Het totaal hiervan, inclusief de tijd om de opmerkingen in het eindrapport te verwerken, wordt geschat op 35 uur.”
De Deskundige heeft de extra kosten vanwege de aan partijen toe te rekenen vertraging (als omschreven onder 2 en 3) begroot op in totaal € 26.929,75 (€ 22.255,99 exclusief btw).
Op 1 mei 2024 heeft het hof partijen gelegenheid gegeven om te reageren op de eindnota van de Deskundige.
[bedrijfsnaam] heeft bij brief van haar advocaat van 27 mei 2024 (met tien bijlagen) bezwaar gemaakt tegen de eindnota. In de brief schrijft [bedrijfsnaam] onder meer dat bij de eindnota een urenspecificatie ontbreekt en dat het hof, in antwoord op een verzoek van [bedrijfsnaam] tot inzage in het griffiedossier, op 13 mei 2024 aan [bedrijfsnaam] heeft bericht dat ook bij het hof een specificatie van de uren ontbreekt. [bedrijfsnaam] wijst erop dat de Deskundige hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 14.3 van de Leidraad. Daarnaast maakt [bedrijfsnaam] bezwaar tegen de, volgens [bedrijfsnaam] , buitenproportioneel hoge kosten van de Deskundige, waarbij mede wordt verwezen naar de reeds kenbaar gemaakte bezwaren van partijen in de brieven van 19 juli 2023, 16 augustus 2023 en 11 december 2023. [bedrijfsnaam] schrijft in haar brief onder meer het volgende:
“(…)
Reeds kenbaar gemaakte bezwaren
[bedrijfsnaam] heeft meerdere malen bezwaar gemaakt tegen de buitenproportioneel hoge kosten en de aanpak van de deskundige. De bezwaren van [bedrijfsnaam] zijn onder meer:
• De kosten zijn ongeloofwaardig hoog en staan niet in verhouding tot het geleverde werk.
• De deskundige onderbouwt de hoogte van zijn kosten niet.
• Een deugdelijke specificatie ontbreekt.
• De deskundige heeft onnodig veel mensen ingeschakeld.
• De deskundige heeft in strijd met de Leidraad deskundige in civiele zaken gehandeld.
• Het deskundigenbericht is gebaseerd op fouten van de deskundige.
• De deskundige heeft slechts één jaar onderzocht en heeft hier jaren overgedaan.
• Het deskundigenonderzoek is onnodig vertraagd door de deskundige, hetgeen bovendien tot onnodige extra kosten heeft geleid.
(…) [bedrijfsnaam] merkt daarbij op dat deze brieven en e-mail niet inhoudelijk zijn beantwoord. (…) Ter illustratie van de bezwaren verwijst [bedrijfsnaam] naar (…) de brief d.d. 11 december 2023 (…). Uit deze tekst volgen concrete bezwaren en vragen omtrent de kosten van de deskundige. Tot op heden heeft [bedrijfsnaam] geen inhoudelijke reactie ontvangen op haar bezwaren en vragen. Sterker, de deskundige heeft ondanks deze bezwaren en vragen nog steeds geen specificatie van de factuur ter griffie ingediend.
Aanvullende bezwaren
In aanvulling op de reeds kenbare gemaakt bezwaren van partijen, gaat [bedrijfsnaam] hieronder nader in op de factuur van de deskundige.
Memorie na deskundigenbericht
Het afgeleverde deskundigenbericht staat redelijkerwijs niet in verhouding tot de gemaakte kosten. [bedrijfsnaam] heeft de nodige twijfels bij de deskundigheid en professionaliteit van de deskundige. Allereerst vanwege de inhoudelijke fouten in het deskundigenbericht, welke [bedrijfsnaam] nader heeft uitgewerkt in haar memorie na deskundigenbericht (bijlage 1). (…)
Deskundigheid en kwaliteit van de deskundige
Daarnaast twijfelt [bedrijfsnaam] aan de deskundigheid en kwaliteit van de deskundige gezien zijn extreem hoge factuur alsmede het onduidelijke en niet transparante proces: zowel qua werk, uren als facturatie. De deskundige lijkt de grip op het onderzoek en het proces volledig te zijn kwijtgeraakt. (…)
Periode mei 2023 tot en met december 2023
Voor de periode mei 2023 t/m december 2023 is door de deskundige in zijn geheel geen specificatie van de uren gegeven. Dat gaat totaal om € 42.610 excl. BTW aan kosten waarover niets is toegelicht. Ook hiervoor geldt dat partijen de mogelijkheid wordt ontnomen om hier inhoudelijk op te reageren, ondanks dat de deskundige herhaaldelijk is verzocht om een specificatie aan te leveren. De deskundige heeft enkel een algemene tijdlijn opgesteld welke loopt tot 6 september 2023 en waaruit geen (uren)specificatie volgt.
Inschakelen externe deskundige
[bedrijfsnaam] heeft zich genoodzaakt gevoeld om een externe deskundige in te schakelen, gezien de onjuiste werkwijze en onjuiste conclusies van de deskundige. De kosten van NPB Legal voor het beantwoorden van de vragen van het hof en het beoordelen van het deskundigenbericht bedragen EUR 12.446,06 (bijlage 7). Dit bevestigt eveneens dat de kosten van de deskundige buitensporig zijn. (…)
Reactie deskundige d.d. 2 oktober 2023
De deskundige heeft op 2 oktober 2023 gereageerd op de bezwaren en vragen van partijen (bijlage 8).
[bedrijfsnaam] stelt dat de reactie onduidelijk en niet inhoudelijk is. Voor zover [bedrijfsnaam] in haar brief d.d. 11 december 2023 nog niet heeft gereageerd op de reactie van de deskundige, doet zij dat hieronder puntsgewijs:
Het antwoord op vraag 2 (pagina 6) is onjuist. [bedrijfsnaam] heeft in vraag 2 van haar brief d.d. 16 augustus 2023 aangegeven dat er door de medewerkers maar zeer beperkt tijd is geschreven op een dag en dat er daardoor niet efficiënt is gewerkt. De deskundige schrijft dat slechts 83 van de 328 regels minder dan een uur is geschreven. Dat klopt niet. (…) als ook de regels waarbij precies 1,0 uur is geschreven worden meegenomen, dan komt het totaal uit op 158 regels (van 328 regels) ofwel 48,17%. (…)
Uit het antwoord op vraag 2 en 3 maakt [bedrijfsnaam] op dat de bestede uren als gevolg van de 'personeelsmutaties' zijn gefactureerd. Deze tijd dient voor rekening en risico van de deskundige te komen. [bedrijfsnaam] ziet niet in waarom partijen dubbel dienen te betalen vanwege het vertrek van een personeelslid. Daar komt bij dat onduidelijk is hoe veel uren zijn besteed aan de gevolgen van deze personeelsmutaties.
In vraag 4 van de brief van [bedrijfsnaam] d.d. 16 augustus 2023 vraagt [bedrijfsnaam] welke juridische werkzaamheden mevrouw [naam] (sr. Jurist) heeft verricht en wat de taakverdeling is tussen de deskundige en mevrouw [naam] . De deskundige geeft aan dat ze heeft ondersteund bij de complexe juridische materie. Er wordt opnieuw niet toegelicht welke juridische vraagstukken mevrouw [naam] heeft beantwoord. Daarnaast geeft de deskundige geen antwoord op de vraag welke taakverdeling er was tussen de deskundige en mevrouw [naam] .
Gezien het grote aantal gewerkte uren van alle juridische medewerkers en het gebrek aan onderbouwing van deze uren, heeft [bedrijfsnaam] de stellige indruk dat de juristen het rapport hebben opgesteld en dat de deskundige als supervisor heeft gefunctioneerd. Dat is niet toegestaan op grond van artikel 10.2 van de Leidraad voor deskundigen in civiele procedures.
(…)
6. Tot slot stelt de deskundige dat hij en partijen veel met elkaar hebben gecommuniceerd (pagina 4). [bedrijfsnaam] stelt dat deze ruime hoeveelheid aan communicatie is te wijten aan het gebrek aan deskundigheid aan de zijde van de deskundige. Van een deskundige mag immers worden verwacht dat duidelijk en transparant wordt gecommuniceerd. Door het gebrek hieraan in onderhavige zaak is onduidelijkheid ontstaan, met veel communicatie tot gevolg. De hieraan gespendeerde uren dienen derhalve niet voor rekening van Partijen te vallen.
Toelichting d.d. 23 januari 2024
Op 23 januari 2024 heeft de deskundige een e-mail gestuurd aan partijen en het hof waarin staat: "Bijgaand zend ik u de door het Hof verzochte toelichting op de eindnota." De toelichting is als bijlage 10 toegevoegd. Ten eerste betreft dit geen specificatie zoals omschreven in de Leidraad. Het betreft slechts een algemene toelichting en er wordt marginaal ingegaan op de vragen welke klaarblijkelijk zijn gesteld door het hof.
(…) In de vraag wat is toe te rekenen aan de houding van een van de partijen tijdens het onderzoek, geeft de deskundige enkel aan dat het onderzoek tweemaal is vertraagd doordat partijen aarzelden om akkoord te geven op de verhoging van het voorschot. Echter, partijen hebben alle redenen om hun vraagtekens te zetten bij de verhoging van het voorschot, zoals uitvoerig omschreven in deze reactie alsmede bijlagen. Ter illustratie, de deskundige heeft in eerste instantie zijn kosten begroot op € 5.000,-, terwijl de uiteindelijk factuur circa 30 maal hoger is uitgevallen. Dat partijen 'aarzelden', zoals de deskundige dat benoemt, is daar een logisch gevolg van. De vertraging en de gevolgen daarvan dienen derhalve niet voor rekening en risico van Partijen te komen.
Daar komt bij dat voor deze periodes van 'aarzelen' 13,5 en 61,7 uren zijn geboekt door de
deskundige. Dit is een exorbitant hoog aantal. (…)
Conclusie
[bedrijfsnaam] verzoekt U Edelachtbare om al het bovenstaande en bijgevoegde te betrekken in uw oordeel en de reactie op de declaratie en de memorie na deskundigenbericht gezamenlijk te behandelen. Daarnaast verzoekt [bedrijfsnaam] :
- de totale kosten van het deskundigenonderzoek te begroten op € 32.500,- dan wel het bedrag aanzienlijk te matigen en te begroten op een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen bedrag;
(…)
- indien U Edelachtbare besluit dat [bedrijfsnaam] (een deel van) de kosten van het deskundigenonderzoek moet betalen, de deskundige te veroordelen om een factuur te verstrekken die juist is en waarin minstens de door [bedrijfsnaam] kenbaar gemaakte fouten op een juiste manier zijn verwerkt.”
De Bouwfondsen hebben bij brief van 28 mei 2024 eveneens bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de eindnota. De Bouwfondsen hebben ter toelichting hierop onder meer het volgende geschreven:
“(…)
10. Bij mail van 2 maart 2022 stuurde de deskundige een plan van aanpak naar Uw Hof, ruim een jaar na Uw arrest, met aankondiging dat het budget naar eur 50.000 verhoogd moest worden. Bij brief van 2 maart 2022 hebben de bouwfondsen daar bezwaar tegen gemaakt met duiding van zorgen of de deskundige zijn opdracht wel aan kon. Zie ook de mail van 28 maart 2022 aan Uw Hof. De deskundige heeft de opdracht aanvaard zoals die luidde met het voorschot van eur. 5.000. Laat het eens eur 30.000,- worden, maar 10x overschrijding is voor iemand die deskundig wordt geacht te zijn en dus weet hoe de opdracht uit te voeren, niet acceptabel. (…)
(…)
12. De ontwikkeling daarna met meer dan 3x hoger budget dan 50.000 en een vertraging van inzenden van zo’n 1 ½ jaar is voor de bouwfondsen onverteerbaar. Een onderzoek dat in juli 2022 vergevorderd is en dan begroot op 50.000,- kan in redelijkheid voor afronding, niet een budget van meer dan eur 180.000,- kosten.
13. De bouwfondsen vinden het beneden alle peil om in de toelichting op de eindnota van de deskundige te moeten lezen dat 50% van de verhoging van het budget is veroorzaakt door de houding van de bouwfondsen, bestaande uit het niet akkoord gaan met verhoging budget en niet meewerken aan besprekingen. Over budget: de fondsen zijn terecht aanvankelijk niet akkoord gegaan met hoger budget zonder onderliggend werkplan. De deskundige heeft het verzoek om verhoging ook ingetrokken op dat moment. Over het niet meewerken aan plannen van een afspraak: dat was omdat de bouwfondsen het volstrekt zinloos beschouwden om maar overleg na overleg na overleg te hebben, zonder dat de deskundige eens aan het werk ging en resultaat van zijn onderzoek zou rapporteren. Uit de mailwisseling blijkt een hoger budget veroorzaakt doordat [bedrijfsnaam] de juistheid van de vragen betwistte, maar vooral ook omdat de deskundige zich daardoor heeft laten sturen in plaats van op de in het arrest vastgelegde opdracht af te gaan en als deskundige boven de beïnvloeding die [bedrijfsnaam] wilde bewerkstelligen te staan.”
Het hof heeft op 14 januari 2025 een eindarrest gewezen in de rechtszaak (‘het eindarrest’). Hierin heeft het hof het aan de Deskundige toekomende honorarium begroot op een bedrag van € 95.398,52 (inclusief btw). Ten aanzien van die begrotingsbeslissing heeft het hof in het eindarrest het volgende overwogen:
“2.13 Met betrekking tot de kosten van het deskundigenbericht overweegt het hof als volgt. Van toepassing is de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: Leidraad) waarvan artikel 14.3 als volgt luidt:
“14.3 Werkwijze eindnota
141. Bij inlevering van het schriftelijke rapport voegt u de eindnota. Daarop zijn kosten, salaris en BTW afzonderlijk vermeld. Bij de kosten waarvoor u schadeloos wilt worden gesteld specificeert u de verrichtingen en de kosten per verrichting, bijvoorbeeld bloedonderzoek, röntgenonderzoek en dergelijke. Indien u andere personen in het onderzoek heeft betrokken, noemt u hen bij naam en specificeert u hun uurtarief en hun aantal gewerkte uren. Bij het salaris specificeert u uw eigen uurtarief en het aantal uren dat u aan het onderzoek en de verslaglegging heeft besteed.
142. Zolang het gerecht niet over uw eindnota beschikt, kunnen de financiën van het deskundigenonderzoek niet worden afgewikkeld en ontvangt u dus geen betaling. Ontbreekt de eindnota bij het deskundigenbericht, dan zal de Contactpersoon u verzoeken deze alsnog toe te zenden aan het gerecht.
143. Na ontvangst van uw deskundigenbericht en eindnota zendt de griffier deze in kopie door naar de procespartijen. Zij krijgen daarbij gelegenheid binnen een bepaalde termijn te reageren op de eindnota. Vervolgens begroot de rechter de totale kosten van het deskundigen onderzoek met inachtneming van uw eindnota en de eventuele reacties van de procespartijen. Soms wordt u tussentijds door de griffier nog om een schriftelijke toelichting van (een onderdeel van) de eindnota 39 gevraagd.”
De deskundige heeft zijn kosten begroot op € 182.374,80 (inclusief btw) zoals daarvan blijkt uit een bij het deskundigenbericht gevoegde factuur van 8 december 2023 gericht aan [bedrijfsnaam] . De deskundige heeft evenwel geen specificatie verstrekt van de verrichtingen en de kosten per verrichting, een en ander als bedoeld in artikel 14.3 van de Leidraad, ondanks dat het hof de deskundige hier meermalen om heeft verzocht met een verwijzing naar de Leidraad en hem in kennis heeft gesteld van de door [bedrijfsnaam] geuite bezwaren tegen de eindnota. De bij e-mail van 24 januari 2024 door de deskundige aan partijen en het hof verzonden toelichting op de eindnota voldoet niet aan de eisen die de Leidraad stelt aan de specificatie aangezien die toelichting algemeen van aard is en de in artikel 14.3 bedoelde gegevens ontbreken. Bij gebreke van de gegevens als bedoeld in artikel 14.3 van de Leidraad kan het hof de kosten van het deskundigenonderzoek niet begroten op het door de deskundige in zijn factuur van 8 december 2023 vermelde bedrag. Immers, niet valt in te zien waarom het onderzoek dat beperkt is geweest tot het jaar 2014 de door de deskundige opgevoerde uren rechtvaardigt. Evenmin valt na te gaan dat het daarbij vermelde totaalbedrag tot stand is gekomen met toepassing van hetgeen in de Leidraad is opgenomen omtrent het inschakelen van hulppersonen en het ten behoeve van hen te hanteren tarief. Mede gelet op de bij brief van 27 mei 2024 geuite bezwaren van [bedrijfsnaam] tegen de ingediende declaratie, leidt het voorgaande ertoe dat het hof de kosten van de deskundige in goede justitie zal vaststellen op het reeds door hem ontvangen totaalbedrag aan voorschotten, te weten een bedrag van € 78.841,75 (exclusief btw). Dit bedrag dat [bedrijfsnaam] - door middel van storting in het depot - als voorschot heeft betaald ten behoeve van het deskundigenonderzoek, zal ten laste blijven van [bedrijfsnaam] aangezien zij in de onderhavige zaak in het ongelijk is gesteld met dien verstande dat [bedrijfsnaam] nog gehouden is de btw hierover - een bedrag van € 16.556,77 - aan de deskundige te voldoen. Het hof zal bepalen dat de deskundige een factuur tot een bedrag van € 95.398,52 (inclusief btw) zal uitbrengen aan [bedrijfsnaam] ter zake van de kosten van het deskundigenbericht, onder creditering van alle reeds uitgebrachte facturen.”
De Deskundige heeft geen afschrift ontvangen van het eindarrest. De Deskundige is begin februari 2025 op het gepubliceerde eindarrest gestuit. De Deskundige heeft het hof bij brief van 31 maart 2025 aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen en het hof verzocht om het niet toegewezen deel van de nota alsnog te betalen of alsnog een bevelschrift af te geven voor het restant. Het hof heeft dit geweigerd.
3. Het geschil
CBP vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. Voor recht verklaart:
primair: dat de Staat onrechtmatig jegens de Deskundige althans jegens CBP heeft gehandeld;
subsidiair: dat de Staat zich ten koste van CBP ongerechtvaardigd heeft verrijkt doordat het hof gebruik heeft gemaakt van het deskundigenbericht terwijl niet het volledige, door CBP gefactureerde bedrag is voldaan;
de Staat veroordeelt om aan CBP een bedrag van € 71.881,22 aan schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
CBP legt primair aan de vorderingen ten grondslag dat het hof onrechtmatig jegens de Deskundige heeft gehandeld door in strijd met een op het hof rustende zorgvuldigheidsnorm jegens de Deskundige te handelen (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, BW). Daartoe voert CBP het volgende aan.
Vanwege het feit dat de Deskundige geen procespartij is en alleen met het hof te maken heeft, rust op het hof jegens de Deskundige een bijzondere zorgplicht, die ertoe strekt dat voor de werkzaamheden van de Deskundige wordt betaald, althans dat hij er niet toe wordt bewogen zijn dwangmiddelen prijs te geven in de veronderstelling dat de kosten conform einddeclaratie in het eindarrest zouden worden toegekend. Door de discussie over aanvulling van het depot uit de weg te gaan en door bij de Deskundige (ook met een telefonische mededeling van mr. [raadsheer]) de indruk te wekken dat zijn kosten conform zijn opgaaf in het eindarrest zouden worden vastgesteld, is de Deskundige er actief toe bewogen om het rapport alvast in te dienen en zijn enige dwangmiddel - het opschortingsrecht - prijs te geven.
Daarnaast strekt de op het hof rustende zorgplicht ertoe dat het hof de Deskundige betrekt in de discussie over het aanvullende voorschot of de einddeclaratie en actief contact met de Deskundige als er stukken ontbreken of als niet op verzoeken gereageerd wordt. Zeker nu het hof wist dat de Deskundige met pensioen zou gaan. Het hof heeft deze zorgplicht geschonden door (i) niet actief aan de Deskundige te laten weten dat de specificatie bij de eindnota ontbrak, en (ii) de Deskundige niet op de hoogte te stellen van de tegen de eindnota ingediende bezwaren van partijen. Het hof had de Deskundige in de gelegenheid moeten stellen om hierop te reageren en een nadere toelichting te geven. In plaats daarvan is er een jaar lang radiostilte geweest vanuit het hof en heeft de Deskundige naderhand in het gepubliceerde eindarrest moeten lezen dat een groot deel van zijn declaratie was afgewezen.
Ten derde heeft het hof in het eindarrest de op haar rustende motiveringsplicht jegens de Deskundige geschonden door zonder inhoudelijke onderbouwing een groot deel van de eindnota af te wijzen. Hiermee is sprake van schending van een fundamentele rechtsregel.
Ter zitting heeft CBP haar standpunt dat de Deskundige actief door het hof is bewogen om zijn rapport in te dienen aangevuld met de stelling dat mr. [raadsheer] (eind oktober/begin november 2023) telefonisch aan de Deskundige heeft medegedeeld dat “het goed zou komen met zijn kosten in het arrest”. Subsidiair stelt CBP zich op het standpunt dat het hof daarmee een toezegging heeft gedaan waaraan het hof is gebonden. Niet nakoming daarvan is onrechtmatig.
Meer subsidiair stelt CBP dat de Staat ten koste van CBP ongerechtvaardigd is verrijkt in de zin van artikel 6:212 BW, doordat het hof de beschikking heeft gekregen over een volledig deskundigenrapport (dat het hof blijkens het eindarrest ook als volwaardig bewijsmiddel heeft gebruikt), zonder dat hiervoor de volledige, redelijke kosten zijn vergoed.
De Staat voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van CBP in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien nodig, verder ingegaan.
4. De beoordeling
Het juridisch kader
CBP heeft primair gesteld dat zij als (formeel) benoemde deskundige de vorderingsgerechtigde partij is, maar voor het geval de Deskundige vorderingsgerechtigd is, heeft de Deskundige bij akte zijn vordering op de Staat aan CBP overgedragen. Hiermee is het geen punt van geschil dat CBP in deze zaak de vorderingsgerechtigde partij is.
Deze zaak draait in de kern genomen om de vraag of het hof bij de uitoefening van zijn taak tot het begroten van het honorarium onrechtmatig jegens de Deskundige heeft gehandeld. De rechtbank stelt hierbij volgende voorop.
De in een civielrechtelijke rechtszaak tot gerechtsdeskundige benoemde partij heeft geen contractuele aanspraak op loon. Tussen de rechter en de gerechtsdeskundige bestaat geen rechtsverhouding uit overeenkomst in de zin van artikel 7:400 BW. De rechter die een deskundige benoemt, maakt gebruik van een bevoegdheid die de wet aan hem geeft. De aanspraak van de deskundige op beloning voor verrichte werkzaamheden, berust op een wettelijke grondslag. Op grond van artikel 191, lid 1 Rv (vóór 1 januari 2025: artikel 199, lid 1 Rv) heeft de deskundige aanspraak op schadeloosstelling en loon (verkort: ‘het honorarium’). Het aan de deskundige toekomende honorarium wordt begroot door de rechter die de deskundige heeft benoemd. Deze rechter heeft hierbij beoordelingsvrijheid en stelt het honorarium vast met inachtneming van de omstandigheden van het geval, en met wederhoor van partijen. In geval van onderbouwde bezwaren van partijen tegen de omvang van de nota van de deskundige, wordt naar analogie van artikel 7:405 lid 2 BW als toetsingsmaatstaf gehanteerd of het uurtarief redelijk is en of de verrichte werkzaamheden en de gemaakte kosten redelijk zijn.
De beslissing tot begroting van het deskundigenhonorarium is geen vonnis ter beslechting van een geschil of een beschikking op een verzoek, maar een administratieve beschikking, waarmee de rechter zijn wettelijke taak tot het begroten en toekennen van beloning voor verrichte werkzaamheden van een gerechtsdeskundige vervult. Deze rechterlijke taak strekt tot bescherming van de belangen van de deskundige, die een redelijk loon voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taak dient te ontvangen. De deskundige kan zelf geen rechtsmiddelen instellen tegen de door de rechter genomen begrotingsbeslissing. Wel kan de deskundige een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat instellen, indien hij schade heeft geleden doordat de rechter bij de uitvoering van zijn begrotingstaak niet de jegens de deskundige in acht te nemen zorgvuldigheid heeft betracht. Bij het aannemen van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechterlijke taakvervulling past wel terughoudendheid, gelet op de autonomie en beoordelingsvrijheid die de rechter bij de uitvoering van zijn taak heeft. Niet elke fout of onzorgvuldigheid bij de begrotingsbeslissing kan tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de Staat leiden. Aansprakelijkheid kan pas aan de orde zijn, indien de rechter bij de uitvoering van zijn begrotingstaak de rechten en belangen van de deskundige op ernstige wijze heeft veronachtzaamd, of een begrotingsbeslissing heeft genomen die apert onbegrijpelijk is.
Toezegging tot betaling?
CBP heeft onder meer gesteld dat de Deskundige na het laatste verzoek om een voorschotverhoging van circa € 52.000 is gebeld door mr. [raadsheer]. Naar de rechtbank uit de dagvaarding begrijpt, heeft dit telefoongesprek ergens tussen 27 oktober 2023 en 15 november 2023 plaatsgevonden. CBP stelt dat mr. [raadsheer] in dit telefoongesprek tegen de Deskundige heeft gezegd “Stuur dat rapport door, wij zorgen dat het goedkomt met de extra kosten in het arrest.”, of woorden van gelijke strekking. CBP stelt dat het hof daarmee de Deskundige actief heeft bewogen om zijn rapport in te dienen en daarmee zijn enige dwangmiddel op te geven. Daardoor heeft het hof diens zorgplicht geschonden, althans heeft het hof door deze toezegging tot betaling een verbintenis geschapen, waaraan het hof gebonden was. Het niet-nakomen van die verbintenis is onrechtmatig jegens de Deskundige, aldus CBP.
De Staat heeft betwist dat mr. [raadsheer] zich over de telefoon in de door CBP gestelde zin heeft uitgelaten. CBP heeft aangeboden dit door middel van het horen van getuigen te bewijzen. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. Ook als mr. [raadsheer] zich over de telefoon in de door CBP gestelde bewoordingen heeft uitgelaten, kan dit namelijk niet tot een schadevergoedingsplicht van de Staat leiden. Daarvoor is het volgende redengevend.
Allereerst moest het eindrapport ten tijde van het telefoongesprek met mr. [raadsheer] nog worden afgerond. Naar de Deskundige ook uit de Leidraad heeft moeten begrijpen, zou het hof pas na de indiening van dit rapport – na uitlating van partijen – op grond van artikel 199, lid 1 (oud) Rv een beslissing nemen over het aan de Deskundige toekomende honorarium. Een raadsheer kan niet op voorhand over de telefoon rechtens bindende toezeggingen aan een deskundige doen met betrekking tot de inhoud van die toekomstige begrotingsbeslissing. Die beslissing wordt immers niet alleen door mr. [raadsheer], maar door de voltallige combinatie genomen. Daarbij geldt dat de combinatie ook mogelijk door partijen in te dienen bezwaren tegen de eindnota moet beoordelen.
De rechtbank is van oordeel dat de Deskundige op basis van deze ene telefonische uitlating van mr. [raadsheer] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat al zijn loon- en onkosten in het eindarrest volledig zouden worden toegewezen. Gekeken moet ook worden naar alles wat vóór en na dit telefoongesprek vanuit het hof en partijen naar de Deskundige is gecommuniceerd. Toen de Deskundige mr. [raadsheer] aan de telefoon had, was al langere tijd een discussie gaande met partijen over de (hoog) opgelopen kosten van het onderzoek, die sinds de start van het onderzoek waren gestegen van € 5.000 (exclusief btw) naar circa € 80.000 (exclusief btw) (per januari 2023). Bij de Deskundige was ook bekend dat zowel [bedrijfsnaam] als de Bouwfondsen ernstige bezwaren hadden geuit, nadat de Deskundige in juni 2023 bovenop het reeds verhoogde voorschot van € 80.000 nogmaals om een verdere voorschotverhoging met € 52.000 (exclusief btw) had verzocht. Het geschil hierover is vervolgens enige tijd blijven liggen. Uit de stukken blijkt dat het hof uiteindelijk op 15 november 2023 – nadat het telefoongesprek met mr. [raadsheer] had plaatsgevonden – duidelijkheid heeft willen verschaffen, door in een e-mail aan de Deskundige en aan partijen te berichten dat het hof zal bepalen dat [bedrijfsnaam] het gevraagde aanvullend voorschot van circa € 52.000 moet deponeren, maar dat het hof dit doet omdat hij heeft besloten dat snelle oplevering van het rapport belangrijker is dan een discussie over de hoogte van het voorschot. Het hof heeft zich in zijn beslissing verder niet inhoudelijk uitgelaten over het gevraagde voorschot. Het hof heeft in deze e-mail juist nogmaals benadrukt dat bij het te wijzen eindarrest een beslissing zal worden gegeven over het aan de Deskundige toekomende honorarium.
Het hof heeft hiermee voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht dat hij de beslissing over de kosten tot ná de ontvangst van het rapport en de eindnota uitstelde, omwille van de voortgang van het onderzoek. Alle geuite (omvangrijke) bezwaren van partijen lagen daarmee nog steeds onverkort op tafel. Bovendien is in paragraaf 14 van de Leidraad – waarvan de Deskundige kennis heeft moeten nemen – voldoende duidelijk toegelicht dat de voorschotbeslissing moet worden onderscheiden van de eindafwikkeling, en dat een toegewezen voorschot dus niet impliceert dat de Deskundige na afronding van het onderzoek en indiening van zijn eindnota, ook dat hele voorschot krijgt uitbetaald. Ook als mr. [raadsheer] eind oktober/begin november 2023 over de telefoon heeft gezegd ‘dat het in het arrest wel goedkomt met de kosten’, heeft de Deskundige op basis van al het voorgaande moeten begrijpen dat de discussie over het aan hem toekomende honorarium nog geenszins was beslecht, en dat het hof na ontvangst van het rapport en de nota alsnog een deel van het gedeclareerde honorarium zou kunnen afwijzen.
Uit het voorgaande volgt ook dat niet als juist kan worden aanvaard dat het hof de Deskundige op onrechtmatige wijze ertoe heeft bewogen om zijn belangrijkste zekerheid (opschorting van het indienen van het definitieve rapport) prijs te geven, door bij de Deskundige de indruk te wekken dat zijn kosten conform de einddeclaratie zouden worden toegekend. Die gerechtvaardigde indruk heeft het hof niet gewekt, ook niet als mr. [raadsheer] op enig moment over de telefoon heeft gezegd ‘dat het wel goed zou komen met de kosten’. Bovendien vloeit de door CBP gevorderde schade niet voort uit het ontbreken van voldoende zekerheid voor het aan de Deskundige toekomende honorarium. Het hof had [bedrijfsnaam] verplicht extra zekerheid te stellen en CBP heeft uiteindelijk het volledige toegekende bedrag aan honorarium vanuit het depot betaald gekregen. De door CBP gevorderde schade vloeit eruit voort dat het hof in het eindarrest uiteindelijk een (flink) deel van het gedeclareerde honorarium heeft afgewezen. Met het ontbreken van voldoende zekerheid heeft die schade niets van doen.
De conclusie is dat het beroep van CBP op een toezegging of gewekte verwachting ten aanzien van toekenning van het volledige honorarium, niet kan slagen, ook niet als mr. [raadsheer] over de telefoon heeft gezegd wat CBP stelt dat hij heeft gezegd.
Schending recht op wederhoor/niet (na)vragen naar ontbrekende urenspecificatie
CBP heeft daarnaast gesteld dat het hof in strijd met een op hem rustende zorgplicht jegens de Deskundige heeft gehandeld, door (1) niet bij de Deskundige aan de bel te trekken dat de specificatie bij de eindnota ontbrak, en (2) de Deskundige niet op de (uitgebreide) bezwaren van partijen tegen de eindnota te laten reageren, ook niet nadat de administratie van CBP op 31 mei 2024 nog naar de griffie van het hof had gebeld met de vraag wat de status was van de uitbetaling van de nota. Het hof heeft toen niets gemeld over de op 27 mei 2024 ingediende akte met bezwaren van [bedrijfsnaam] . Door zich inactief op te stellen en geen wederhoor bij de Deskundige toe te passen, heeft het hof volgens CBP onrechtmatig jegens de Deskundige gehandeld.
De rechtbank volgt CBP niet in dit betoog. Vooropgesteld wordt dat, anders dan CBP betoogt, op het hof geen algemene verplichting rust om de deskundige op bezwaren van partijen tegen de eindnota te laten reageren of de deskundige actief te wijzen op het ontbreken van stukken. Een dergelijke algemene verplichting vloeit niet voort uit de wet. Ook is van belang dat de Rechtspraak in de Leidraad ten behoeve van de deskundige nader heeft uitgewerkt en toegelicht hoe de deskundigenprocedure procedureel dient te verlopen en wat de deskundige ingeval van twijfel of vragen moet doen. De Leidraad kleurt hiermee nader in wat de rechter en de deskundige met betrekking tot het deskundigenonderzoek in hun onderlinge verhouding van elkaar mogen verwachten.
In paragraaf 14.3 van de Leidraad (nr. 141) is toegelicht dat de deskundige in de eindnota zijn onkosten dient te specificeren, evenals de gewerkte uren en het uurtarief van hemzelf en van alle andere personen die hij bij het onderzoek heeft betrokken. De Deskundige heeft van deze bepaling kennis moeten nemen. Weliswaar is in randnummer 142 van de Leidraad opgenomen dat (de contactpersoon van) het gerecht contact opneemt met de deskundige indien de gespecificeerde eindnota bij de ingezonden stukken ontbreekt, maar dat heeft het hof in dit geval ook gedaan. Immers, nadat de Deskundige eerst begin december 2023 per e-mail en in enkelvoud zijn rapport met de eindnota aan het hof had toegestuurd, heeft de griffie van het hof per e-mail van 18 december 2023 nadrukkelijk aan de Deskundige gevraagd om zijn rapport in drievoud en met een gespecificeerde nota per post toe te zenden. Ook heeft de Deskundige op 14 januari 2023 een e-mail van mr. [raadsheer] ontvangen, waarin mr. [raadsheer] schrijft dat hij hoopt dat de Deskundige inmiddels alle stukken zoals gevraagd heeft ingeleverd en dat het hierbij ‘met name nog ging om de gespecificeerde eindnota’. Aldus was de Deskundige er voldoende nadrukkelijk door het hof op gewezen dat bij de op 8 en 11 december 2023 toegezonden stukken de gespecificeerde eindnota ontbrak en dat de Deskundige die alsnog diende aan te leveren.
Weliswaar stelt de Deskundige dat hij de gespecificeerde eindnota op 18 december 2023 met de twee nagezonden schriftelijke rapporten per aangetekende post bij het hof heeft laten bezorgen, maar gelet op de brief van [bedrijfsnaam] van 27 mei 2024 – waarin valt te lezen dat kennelijk noch [bedrijfsnaam] noch het hof een urenspecificatie had ontvangen – gaat de rechtbank ervan uit dat die urenspecificatie ook bij de nagezonden rapporten ontbrak. De rechtbank kan op zichzelf begrijpen dat het bij CBP wringt dat het hof de Deskundige vervolgens geen seintje heeft gegeven dat de urenspecificatie eveneens ontbrak bij de op 18 december 2023 nagezonden stukken (ook niet toen de administratie van CBP de griffie van het hof op 31 mei 2024 aan de telefoon had), maar niet kan worden geoordeeld dat het hof hiermee onrechtmatig jegens de Deskundige heeft gehandeld. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verantwoordelijkheid voor het indienen van een gespecificeerde einddeclaratie primair bij de Deskundige ligt en het hof hem tweemaal op het ontbreken van een urenspecificatie heeft gewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hof evenmin onrechtmatig gehandeld door de Deskundige niet in kennis te stellen van de in mei 2024 ontvangen brieven met bezwaren van partijen op de eindnota en hem nog gelegenheid te geven op die brieven te reageren en zijn declaratie verder toe te lichten. Zowel de wet als paragraaf 14.3 van de Leidraad laten ruimte aan de rechter om te beslissen of hij de deskundige in de gelegenheid stelt om een nadere reactie te geven op geuite bezwaren tegen de eindnota. In randnummer 143 van de Leidraad staat dat de deskundige soms tussentijds nog om een schriftelijke toelichting van (een onderdeel van) de eindnota wordt gevraagd. Het hof was hiertoe dus niet zonder meer verplicht. In dit geval is van belang dat op het moment dat het hof de procespartijen in staat stelde om op de eindnota te reageren, al een uitgebreid debat had plaatsgevonden over de (sterk opgelopen) omvang van de kosten van het onderzoek. Zo hadden de Bouwfondsen en (met name) [bedrijfsnaam] bij brieven van 19 juli en 16 augustus 2023 in reactie op de laatste voorschotverhoging uitgebreide bezwaren geuit tegen de omvang van de door de Deskundige in rekening gebrachte kosten, die volgens zijn opgave tot en met mei 2023 waren opgelopen tot een bedrag van € 139.456 (exclusief btw). De destijds door partijen geuite bezwaren zijn in de kern genomen hetzelfde als de bezwaren die zij in mei 2024 tegen de eindnota hadden geuit, namelijk dat:
de kosten van de Deskundige ongeloofwaardig hoog waren en niet in verhouding stonden tot het geleverde werk;
de Deskundige onnodig en zonder voorafgaand overleg een grote hoeveelheid andere personen heeft ingeschakeld voor zijn werkzaamheden, wat tot aanzienlijke extra kosten heeft geleid;
de werkzaamheden niet efficiënt zijn uitgevoerd en het grootste deel is besteed aan uren voor onderling overleg;
de Deskundige slechts één jaar heeft onderzocht.
De Deskundige heeft al bij brief van 2 oktober 2023 gereageerd op de bezwaren die partijen in de brieven van 19 juli 2023 en 16 augustus 2023 hadden geuit tegen de tot dan toe gemaakte kosten (van bijna € 140.000 exclusief btw) én tegen het extra voorschot dat werd verzocht om het onderzoek af te ronden. De Deskundige wist op dat moment ook, of had in elk geval behoren te weten, dat hij bij het indienen van zijn eindnota de door hem gemaakte keuzes en de door hem gemaakte kosten goed moest specificeren, toelichten en onderbouwen, te meer omdat het hof de Deskundige bij brief van 3 oktober 2023 nogmaals had verzocht om bij de toelichting op de eindnota het bedrag dat boven de € 30.000 (exclusief btw) duidelijk te maken in hoeverre die kosten aan de houding van partijen of de inrichting van de administratie van [bedrijfsnaam] waren toe te rekenen. De Deskundige heeft vervolgens op 24 januari 2024 hierover nog een nadere toelichting ingediend. Aldus had de Deskundige in mei 2024 al uitgebreid gelegenheid gehad om de (sterk gestegen) hoogte van zijn kosten goed toe te lichten en te onderbouwen en te reageren op de kernbezwaren die partijen tegen de uitvoering van het onderzoeken en de omvang van de kosten hadden geuit. Niet kan dan ook worden geoordeeld dat het hof op onrechtmatige wijze is voorbijgegaan aan de rechten en de belangen van de Deskundige, door hem niet in staat te stellen om op de schriftelijke bezwaren van partijen tegen de eindnota te reageren.
Schending motiveringsplicht
CBP heeft gesteld dat het hof in strijd heeft gehandeld met een fundamentele rechtsregel door in het eindarrest niet behoorlijk te motiveren waarom bepaalde posten niet redelijk of noodzakelijk zouden zijn.
Dit betoog slaagt evenmin. Het hof heeft in het eindarrest gemotiveerd waarom het hof het honorarium van de Deskundige op een veel lager bedrag dan het bedrag van de eindnota heeft begroot. Anders dan CBP stelt, is het gedeclareerde bedrag niet uitsluitend afgewezen omdat een specificatie van alle verrichtingen en de kosten per verrichting ontbrak. Uit het eindarrest blijkt dat het hof het gedeclareerde bedrag ook niet toewijsbaar heeft geacht, omdat het aantal opgevoerde uren naar het oordeel van het hof niet in verhouding stond tot een onderzoek dat tot één boekjaar (2014) beperkt is geweest, en niet viel na te gaan dat het totaalbedrag tot stand was gekomen met toepassing van de in de Leidraad opgenomen bepalingen met betrekking tot het inschakelen van hulppersonen en het ten behoeve van hen te hanteren tarief. Ook heeft het hof verwezen naar alle bezwaren die [bedrijfsnaam] in haar brief van 27 mei 2024 had geuit, die voor een groot deel een herhaling waren aan de (uitgebreide) bezwaren die partijen in hun brieven van 19 juli, 16 augustus en 11 december 2023 kenbaar hadden gemaakt. Tot een verdergaande motivering was het hof in het kader van zijn op grond van artikel 199 (oud), lid 1 Rv genomen begrotingsbeslissing niet gehouden.
De beslissing van het hof is daarnaast niet apert onbegrijpelijk, mede gelet op de omvang van de einddeclaratie, de enorme stijging ten opzichte van het oorspronkelijke voorschot van € 5.000 (exclusief btw), en alle gemotiveerde klachten die lopende het deskundigentraject door [bedrijfsnaam] en de Bouwfondsen zijn geuit over de buitenproportionele omvang van de deskundigenkosten. Weliswaar kan aan CBP worden toegegeven dat de begroting van het honorarium op het reeds vanuit het voorschot uitbetaalde bedrag van € 78.841,75 (te vermeerderen met btw) enigszins arbitrair voorkomt, maar op grond van artikel 199, lid 1 (oud) Rv had het hof de vrijheid om bij gebrek aan concrete aanknopingspunten het aan de Deskundige toekomende redelijke honorarium schattenderwijs vast te stellen. Het hof hoefde die schatting niet nader te motiveren en mocht hiermee volstaan.
Ongerechtvaardigde verrijking
Uit het voorgaande volgt dat ook het subsidiaire beroep op ongerechtvaardigde verrijking niet kan slagen. Nog afgezien van de vraag of de Staat is verrijkt door het rapport, kan geen sprake zijn van een ongerechtvaardigde verrijking, nu het hof met gebruikmaking van zijn wettelijke begrotingsbevoegdheid heeft vastgesteld dat € 78.841,75 plus btw een redelijk honorarium is voor de hier uitgevoerde deskundigenwerkzaamheden.
Proceskosten
De vorderingen van CBP worden dus afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt CBP veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van de Staat begroot op € 5.852 (€ 3.083 aan griffierecht, € 2.580 (2,0 punten x liquidatietarief IV) en € 189 aan nakosten), plus de kosten bij betekening.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af;
veroordeelt CBP in de proceskosten van de Staat van € 5.852, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als CBP niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet CBP € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart de bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op
30 september 2026.
Type: 2431