RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54174
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Ayash. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. Eiser is op 13 september 2026 aangekomen op Schiphol en heeft vervolgens een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over toegangsweigering uitgesteld en eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het beroep ziet, zoals de minister terecht op zitting heeft betoogd, uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, omdat tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Vereist is dat aan de grens een asielaanvraag is ingediend en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. De vrijheidsontnemende maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Eiser had namelijk een visum kort verblijf en geen machtiging tot voorlopig verblijf. Dat het visum door de minister was afgegeven maakt dit niet anders, omdat het is afgegeven voor een ander doel dan eiser voor ogen heeft. Daarbij heeft eiser niet bestreden dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser te volgen in zijn betoog dat de screening op grond van de Screeningsverordening afgerond had moeten zijn, voordat hij in de grensprocedure zou worden geplaatst. De rechtbank volgt het beroep van eiser op de uitspraak van zittingsplaats Roermond niet. Uit artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening volgt niet dat de minister een vreemdeling niet in de asielgrensprocedure mag opnemen voordat de screeningsprocedure is afgerond. Ook in de andere bepalingen hierover leest de rechtbank niet dat toepassing van de asielgrensprocedure pas is toegestaan na het doorlopen van alle stappen van de screeningsprocedure. De minister is daarbij op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening gehouden een geschikte procedure aan te wijzen als niet alle handelingen van de screening binnen zeven dagen worden afgerond. De rechtbank vindt hierin steun voor het oordeel dat een voltooide screeningsprocedure geen noodzakelijke voorwaarde is om een vreemdeling in een passende procedure zoals de asielgrensprocedure te plaatsen. Daar komt bij dat artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet in een grondslag voor grensdetentie tijdens zowel de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Anders dan de rechtbank Roermond in voormelde uitspraak heeft overwogen ziet de rechtbank niet in waarom het gebruik maken van één nationale wettelijke bepaling bij vrijheidsontneming op verschillende Unierechtelijke grondslagen afbreuk doet aan het verdedigingsbeginsel en de rechterlijke controle daarvan bemoeilijkt.
Voor wat betreft het standpunt van eiser dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de toepassing van een lichter middel om hetzelfde doel te bereiken, verwijst de rechtbank naar voormelde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 2 september 2026. Hierin is allereerst geoordeeld dat uit artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten een verzoeker alleen in bewaring mogen houden op grond van een individuele beoordeling van het geval en als dat noodzakelijk is.
Wat betreft de noodzakelijkheid heeft de Afdeling overwogen dat de minister op grond van de Schengengrenscode een verplichting heeft om de buitengrenzen te bewaken. Zoals hiervoor is overwogen voldeed eiser bij aankomst in Nederland niet aan de toegangsvoorwaarden uit artikel 6 van die verordening. De Afdeling heeft er verder op gewezen dat de Uniewetgever in overweging 6 van de considerans van de Schengengrenscode de waarde benadrukt die hij hecht aan het grensbewakingsbelang. Daarin staat dat grenstoezicht in het belang is van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft en dat het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen. In het grensbewakingsbelang mag de minister volgens de Afdeling voldoende noodzaak zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat. Dit is namelijk geen vereiste voor de grensdetentie.
De Afdeling volgt vervolgens het standpunt van de minister, dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend kon worden toegepast, gelet op het grensbewakingsbelang. Hoewel het Unierecht geen automatische koppeling kent tussen het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie, maakt het Unierecht het voor lidstaten wel mogelijk om grensdetentie toe te passen als de aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld. Daarbij wijst de Afdeling op overweging 69 van de considerans van de Procedureverordening. Hoewel artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn geen expliciet onderscheid maakt tussen detentie tijdens de asielgrensprocedure en andere vormen van detentie, betekent dat volgens de Afdeling nog niet dat de beoordeling voor detentie op alle grondslagen gelijk moet zijn. De omstandigheden verschillen immers. Voor verzoekers aan de buitengrens speelt namelijk het grensbewakingsbelang een rol, terwijl dat niet het geval is voor verzoekers die al toegang hebben tot het Schengengebied. De Afdeling heeft geconcludeerd dat zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien.
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat voormelde uitspraak onhoudbaar is. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de Afdeling ook heeft geoordeeld dat een meldplicht in de internationale lounge van Schiphol niet kan worden opgelegd, omdat daar geen geschikte voorzieningen zijn voor verblijf. Een meldplicht in Ter Apel brengt volgens de Afdeling met zich mee dat een verzoeker feitelijk toegang krijgt tot het Schengengebied, wat onomkeerbaar is. Dat betekent dat een verzoeker die geen recht heeft op een verblijfsvergunning niet meer met het oog op uitzetting in grensdetentie kan worden geplaatst op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, waarmee het nuttig effect van het Unierecht wordt ondergraven. Eiser heeft erop gewezen dat landen als Denemarken en Italië een waarborgsom als alternatief voor detentie hanteren en dat ook Duitsland onderzoekt of dit een mogelijkheid is, maar dat maakt dit niet meteen een realistisch alternatief voor grensdetentie.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel is gevraagd naar zijn medische omstandigheden en dat hij gelegenheid heeft gekregen om andere omstandigheden aan te voeren die aanleiding geven hem alsnog toegang te verlenen en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Hier was echter geen sprake van en de minister heeft zodoende geen aanleiding hoeven zien om de grensdetentie van eiser onevenredig bezwarend te vinden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eiser erin te volgen dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar of hij had kunnen volstaan met een lichter middel.
Nu de rechtbank met het voorgaande de haar voorliggende rechtsvragen heeft kunnen beantwoorden, ziet zij geen aanleiding om het beroep van eiser op zijn verzoek aan te houden in afwachting van het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.