Stichting [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Staal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: L. Walraven).
Inleiding
1. In het besluit van 9 december 2025 heeft het Uwv bepaald dat de loonsanctie die aan eiseres is opgelegd niet wordt verkort. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 31 augustus 2026 ontvangen.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 8 juli 2026 en het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te bevelen om binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een groot tekort aan verzekeringsartsen.
6. Het is de rechtbank niet gebleken dat een medische beoordeling moet worden verricht om te kunnen beslissen op het bezwaar. Het betreft immers een besluit over het niet verkorten van een loonsanctie wegens het niet herstellen van de tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen. Aan de beoordeling van het bezwaar hierover gaat in het algemeen alleen een arbeidsdeskundige beoordeling vooraf. Uit de stukken die de rechtbank heeft ontvangen, blijkt niet dat het Uwv voornemens is ook een beoordeling door een verzekeringsarts te laten verrichten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat het Uwv binnen vier weken na deze uitspraak moet beslissen op het bezwaar, zoals door eiseres is verzocht.
Rechterlijke dwangsom
7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van C.M. Kole, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.