ECLI:NL:RBDHA:2026:28813

ECLI:NL:RBDHA:2026:28813

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL25.54576
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel Syrië - onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege toegedichte afvalligheid, nu de ervaringen van zijn echtgenote en kinderen niet zijn betrokken in de beoordeling - onvoldoende gemotiveerd dat er in Latakia sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld (15c) - onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van schending artikel 3 EVRM - beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.

Eiser heeft op 7 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 7 november 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 februari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 7 april 2024 asiel aangevraagd. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de pogingen van de gewapende groepering Al-Difaa Al Watani om eiser te rekruteren en vanwege de bedreigingen die deze groepering op de condoleance van zijn vader heeft geuit. Eiser vreest bij terugkeer ook voor problemen met het marinebedrijf waar hij werkzaam was. Verder heeft eiser verklaard dat hij zal worden gezien als afvallige en dat hij vreest vanwege de onveilige situatie in Syrië.

Het bestreden besluit:

3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst;

- Problemen met Al-Difaa Al Watani;

- Problemen met het marinebedrijf;

- Eiser kan beschouwd worden als afvallige.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt de problemen met de groepering Al-Difaa Al Watani niet geloofwaardig. Eiser heeft hier namelijk niet samenhangend en aannemelijk over verklaard. Zo berust het verband tussen de pogingen tot rekrutering in 2019 en de bedreiging op de condoleance van eisers vader op vermoedens. Verder zijn er geen concrete aanknopingspunten dat de groepering nog steeds op zoek naar eiser zou zijn. Eiser heeft eerder de rekrutering zonder problemen kunnen weigeren, er is veel tijd verstreken sinds het laatste incident en de groepering heeft eiser niet opgezocht toen hij in het verleden terugkeerde naar Syrië. Ook heeft eiser alleen via-via gehoord dat de groepering nog naar hem op zoek zou zijn.

Daarnaast vindt verweerder het niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met het marinebedrijf waar hij voor werkte. Ook hierover heeft eiser niet aannemelijk en samenhangend verklaard. Volgens verweerder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom hij zou vrezen vermoord te worden door of in opdracht van het marinebedrijf. De gestelde problemen zijn gebaseerd op vermoedens van eiser en zijn niet aannemelijk gemaakt met objectieve documenten. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat eiser dit asielmotief te laat in de procedure heeft ingebracht door pas aan het eind van zijn nader gehoor erover te verklaren.

Verweerder vindt het verder geloofwaardig dat eiser bij terugkomst als afvallige gezien kan worden. Eiser en zijn familie conformeren zich niet aan de leefregels in Syrië en zijn vrouw en kinderen ondervinden daardoor problemen. Verweerder vindt echter dat er voor eiser geen aanwijzingen zijn dat hij zal worden vervolgd. Verder blijkt volgens verweerder uit landeninformatie niet dat er sprake is van bestraffing of andere vormen van vervolging bij het niet naleven van de islamitische leefregels. Het bericht dat eiser heeft overgelegd (waarop hij te zien is in een kerk en wat veel ophef zou hebben veroorzaakt), valt volgens verweerder niet te herleiden naar eiser en leidt niet tot de conclusie dat eiser in de negatieve aandacht staat.

Verder is er volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in [plaats] zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Uit het ambtsbericht blijkt dat er sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en gevechten, en dat er met name sprake is van gericht geweld. De situatie is volgens verweerder weliswaar fragiel, maar er is slechts sprake van een lage mate van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Eiser heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van verzwarende individuele omstandigheden.

Ten slotte vindt verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor het traumatabeleid.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen. Ten eerste stelt verweerder ten onrechte dat er geen risico bestaat dat Al-Difaa Al Watani eiser zal benaderen bij terugkeer naar Syrië. Eiser staat in de negatieve aandacht van de groepering vanwege het incident op de condoleance en omdat hij in het verleden heeft geweigerd zich bij hen aan te sluiten. De groepering is nog steeds actief in [plaats] en het is niet redelijk om van eiser te verlangen dat hij moet aantonen dat de groepering nog steeds naar hem op zoek is. Verweerder werpt daarbij ten onrechte tegen dat eiser niet is gezocht toen hij korte periodes in Syrië verbleef, omdat hij gedurende die bezoeken aan Syrië ondergedoken zat – thuis of op een schip waar de groepering geen toegang toe heeft.

Ten tweede voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de problemen met het marinebedrijf ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft de overgelegde stukken onvoldoende onderzocht en betrokken. Daarnaast heeft eiser documenten ondertekend waardoor het bedrijf hem aansprakelijk zou kunnen stellen voor geleden schade. Hieruit volgt een duidelijk risico dat het bedrijf een juridische procedure tegen eiser zal starten. In Syrië is sprake van een gebrekkig functionerend rechtssysteem en eiser zal als afvallige onder de sharia wetgeving berecht worden. Verweerder heeft dit alles niet onderkend.

Ten derde voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen persoonlijke problemen zouden ontstaan vanwege het feit dat eiser wordt gezien als afvallige. De foto van eiser in de kerk heeft bij zijn gemeenschap in Syrië veel reacties losgemaakt. Ook uit de problemen die de echtgenote en kinderen van eiser ondervinden, volgt dat eiser te vrezen heeft.

Ten vierde voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Uit het ambtsbericht volgt dat de situatie van 1 mei 2025 tot en met 31 december 2025 in [plaats] ernstig en instabiel was. Er vinden geweldsincidenten plaats waarbij ook veel burgerslachtoffers vallen. Verweerder heeft de humanitaire omstandigheden in Syrië en de individuele omstandigheden van eiser ten onrechte niet betrokken in de beoordeling. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd terugkeer naar Syrië geen schending oplevert van artikel 3 van het EVRM.

Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een situatie die onder het traumatabeleid valt. Het overlijden van de vader van eiser en de bijna-dood ervaring van eiser na zijn val in zee zijn ernstige gebeurtenissen die psychisch impact hebben.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. De rechtbank gaat eerst kort in op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.

Het beroep niet tijdig beslissen

6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.

Eiser heeft verweerder met de brief van 20 oktober 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 7 november 2026 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 23 februari 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Mocht verweerder vinden dat de problemen met de groepering Al-Difaa Al Watani niet geloofwaardig zijn?

7. In het arrest Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de enigszins terughoudende toets – zoals de Nederlandse rechter die voorheen verrichte bij de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken – niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de problemen van eiser met de groepering Al-Difaa Al Watani niet geloofwaardig zouden zijn. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren en overweegt daartoe als volgt.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich niet duidelijk uitgelaten over de vraag of hij de gestelde problemen met de groepering geloofwaardig vindt. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat hij het ongeloofwaardig vindt dat de groepering in het verleden pogingen heeft gedaan om eiser te rekruteren, dat eiser weerstand heeft kunnen bieden tegen die pogingen en dat eiser op de condoleance van zijn vader door de groepering is bedreigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. De motivering in de besluitvorming, het verweerschrift en de toelichting ziet alleen op het risico dat eiser zal lopen vanwege deze problemen en niet op de geloofwaardigheid van de problemen. Zo licht verweerder toe dat er geen aanwijzingen zijn dat de groepering tot op heden naar eiser op zoek is, dat hij eerder geen problemen heeft ondervonden bij het weigeren van de rekrutering, en dat hij enkel van horen-zeggen heeft dat de groepering hem na de condoleance van zijn vader nog zoekt. De rechtbank overweegt dat deze motivering de conclusie van verweerder over de geloofwaardigheid van het asielmotief niet kan dragen. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.

De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder heeft namelijk voldoende gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser in de problemen zal komen met de groepering Al-Difaa Al Watani bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft er ten eerste terecht op gewezen dat eiser niet heeft onderbouwd dat de groepering nog actief is in Syrië. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de groepering nog naar eiser op zoek is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij niets meer heeft gehoord van de groepering sinds het incident op de condoleance van zijn vader, ondanks dat hij meerdere malen is teruggekeerd naar Syrië in de daaropvolgende periode. De verklaringen van eiser over dat buurtgenoten hem (nog tijdens zijn verblijf in Syrië) waarschuwden en dat de supermarkteigenaar in 2025 aan zijn vrouw vroeg waar eiser verbleef, geven onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de groepering hem (al dan niet indirect) nog heeft getracht te benaderen. Ook de familieleden van eiser die in Syrië wonen hebben tot op heden geen problemen ondervonden van de groepering. Daar komt bij dat eiser in het verleden meerdere keren heeft geweigerd zich bij de groepering aan te sluiten en daarbij niet in de problemen is gekomen. De rechtbank passeert daarom het in de voorgaande rechtsoverweging geconstateerde gebrek, nu eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

Mocht verweerder vinden dat de problemen met het marinebedrijf waar eiser voor werkte niet geloofwaardig zijn?

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft met het marinebedrijf waar hij voor werkte. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het bedrijf juridische stappen tegen eiser zou zetten bij terugkeer naar Syrië en/of hem zelfs zou willen (laten) vermoorden.

Ter onderbouwing van de gestelde juridische problemen heeft eiser een brief overgelegd. Deze brief – wat er ook zij van de echtheid daarvan – geeft echter geen aanleiding om te veronderstellen dat er een juridische procedure zou worden gestart in Syrië, nu uit de brief niet blijkt dat eiser aansprakelijk wordt gesteld voor enige schade. De brief biedt ook anderszins geen inzicht in de redenen waarom en de wijze waarop het bedrijf eiser (juridisch) zou vervolgen. Ter zitting is verder gebleken dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken – bijvoorbeeld door te verwijzen naar landeninformatie of andere bronnen – dat dergelijke juridische vervolging door bedrijven voorkomt en/of gebruikelijk is in Syrië.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser ook zijn vrees om vermoord te worden door (of in opdracht van) het bedrijf niet aannemelijk heeft gemaakt. De verklaringen van eiser geven hiertoe onvoldoende aanleiding en verweerder heeft er terecht op gewezen dat in openbare bronnen geen informatie is te vinden over buitenrechtelijke vervolging door (maritieme) bedrijven. Eiser heeft dergelijke informatie ook niet aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht verweerder vinden dat eiser geen risico loopt vanwege het worden gezien als afvallige?

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege het worden gezien als afvallige bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft namelijk niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn conclusie hierover betrokken. Eiser heeft verklaard dat zijn echtgenote en kinderen verschillende keren slachtoffer zijn geweest van bedreigingen en geweld vanwege het niet praktiseren van de islam. Zo heeft eiser onder meer verklaard dat zijn echtgenote en zoon zijn aangereden vanwege deze reden en dat zijn echtgenote en dochter dreigementen hebben ontvangen vanwege het niet dragen van een hoofddoek. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat niet is beoordeeld of het geloofwaardig is dat deze incidenten hebben plaatsgevonden, maar dat dit ook niet wordt betwist. De rechtbank stelt vast dat voornoemde incidenten – die verweerder dus uitdrukkelijk niet betwist – niet heeft betrokken bij de beoordeling van het asielmotief van eiser. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten en had deze bedreigingen en incidenten moeten betrekken in de beantwoording van de vraag wat eiser te wachten staat als hij terugkeert en als afvallige wordt gezien. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard dat de omgeving van zijn echtgenote en kinderen juist eiser verwijten dat zijn familie niet praktiserend genoeg is. Daarnaast heeft eiser in beroep gewezen op een rapport waaruit blijkt dat er strengere islamitische leefregels worden opgelegd en dat personen die worden gezien als afvallig en hun familieleden een verhoogd risico lopen op discriminatie en geweld. Ook deze informatie heeft verweerder niet betrokken in de beoordeling. De beroepsgrond slaagt.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, nu de in het besluit verrichte 15c-beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de meest actuele informatie over de algemene veiligheidssituatie en over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken.

Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft daarbij verwezen naar informatie over geweldsincidenten in [plaats] (de regio waar eiser vandaan komt) uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025. Ook heeft verweerder verwezen naar informatie over geweld in [plaats] in de maanden maart, april en mei 2025. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. De humanitaire omstandigheden spelen daarom geen rol in de 15c-beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voor de 15c-beoordeling heeft gebaseerd op onvoldoende actuele informatie, zowel voor de weging van de veiligheidssituatie als voor het beoordelen van de humanitaire situatie. Gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige situatie in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar verouderde informatie. Eiser heeft gewezen op actuelere openbare bronnen om te onderbouwen dat er nog altijd geweld plaatsvindt in [plaats] . Ter zitting heeft verweerder erkend dat er inderdaad actuelere informatie beschikbaar is, maar dat die in de beoordeling van de aanvraag van eiser niet is gebruikt. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.

Artikel 3 van het EVRM

12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

13. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft overwogen dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar het arrest Sufi en Elmi. Ook heeft de rechtbank er hierbij op gewezen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. De Kwalificatierichtlijn is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom dezelfde uitleg worden gegeven.

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 3 EVRM, nu er niet wordt voldaan aan de hogere lat van “very exceptional circumstances where the humantarian grounds against removal are compelling” omdat de humanitaire omstandigheden niet zijn veroorzaakt door partijen die actief zijn in een gewapend conflict. Volgens verweerder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd die er op wijzen dat deze lat wordt gehaald.

De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft niet inzichtelijk gemotiveerd dat de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt zijn door het (in)direct handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. Verweerder heeft daarbij niet gewezen op openbare bronnen of actuele informatie, waardoor de rechtbank niet na kan gaan waar deze conclusie op is gebaseerd.

Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende heeft gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. De rechtbank wijst er ook in dit kader opnieuw op dat verweerder zijn conclusie niet kenbaar heeft gebaseerd op informatie over de (humanitaire) situatie in Syrië. Bovendien heeft verweerder de individuele omstandigheden van eiser niet kenbaar betrokken in dit onderdeel van de beoordeling.

Heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan het traumatabeleid?

14. De rechtbank ziet ten slotte nog aanleiding om de beroepsgrond te bespreken over de toepassing van het traumatabeleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder het traumatabeleid. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het incident op zee heeft plaatsgevonden in of is gerelateerd aan het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom hij vanwege dit trauma niet terug zou kunnen keren naar Syrië. Wat betreft het overlijden van zijn vader, heeft verweerder terecht tegengeworpen dat er te veel tijd is verstreken tussen die gebeurtenis en zijn vertrek uit Syrië. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser.

16. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

17. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand