ECLI:NL:RBDHA:2026:28789

ECLI:NL:RBDHA:2026:28789

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL25.47542
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.47542

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiseres heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft op 7 februari 2024 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw aangevraagd. Eiseres stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn, tot de inheemse bevolkingsgroep te behoren en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.

De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2025 de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, afgewezen als ongegrond en aan haar een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026, gelijktijdig met het beroep van de heer [naam], op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Gutierres als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft Colombia verlaten vanwege de algemene onveilige situatie in Colombia en de problemen met de dissidenten van de FARC. Eiseres heeft verklaard dat zij op jonge leeftijd tweemaal ontheemd is door de FARC. De laatste ontheemding heeft plaatsgevonden toen eiseres 17 jaar oud was. Eiseres is toen misbruikt. Ook is de familie van eiseres afgeperst door de dissidenten van de FARC. In 2022 heeft eiseres het land van herkomst verlaten vanwege de grote criminaliteit, de onstabiliteit en de ontheemding. Eiseres vreest bij terugkeer naar Colombia voor de dissidenten van de FARC.

Standpunten partijen

Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de ontheemding door de FARC.

De minister heeft - kort samengevat - de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst en de ontheemding door de FARC geloofwaardig geacht. De minister concludeert echter dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat eiseres sinds de laatste ontheemding nog jaren zonder problemen in Colombia kon verblijven.

Eiseres heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.

Heeft de minister op goede gronden vastgesteld dat er bij terugkeer naar Colombia geen gegronde vrees voor vervolging bestaat?

Eiseres voert aan dat zij niet kan terugkeren naar Colombia. Zij loopt daar een gegronde vrees voor vervolging, omdat zij tot de inheemse bevolkingsgroep behoort en deze groep structureel gemarginaliseerd en bedreigd wordt. Daarnaast is eiseres als vrouw extra kwetsbaar binnen dit geweldsspectrum. Het misbruik dat zij heeft ondergaan tijdens haar ontheemding is daar een voorbeeld van. Er is gelet op het voorgaande wel sprake van vrees voor vervolging op basis van de gronden politieke overtuiging, etniciteit en het behoren tot een bepaalde sociale groep, namelijk inheemse vrouwen uit conflictgebieden. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat in de kamerbrief van 30 januari 2025, over het landenbeleid in Colombia, de Minister van Asiel en Migratie vaststelt dat ‘vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor gender gerelateerd geweld’ geen bescherming van de autoriteiten kunnen krijgen in Colombia.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiseres uit Colombia komt en tot de inheemse bevolkingsgroep behoort is daarvoor onvoldoende. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat de geloofwaardig geachte problemen niet te herleiden zijn tot één van de vervolgingsgronden, te weten ras, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. De minister heeft terecht geconcludeerd dat uit eiseres haar verklaringen niet blijkt dat zij politieke, etnische en persoonlijke problemen heeft ondervonden. Zo heeft eiseres expliciet verklaard dergelijke problemen niet te hebben ondervonden en blijkt consistent uit het asielrelaas van eiseres dat zij voornamelijk voor de algehele situatie in Colombia vreest. Voor zover eiseres aanvoert dat zij als vrouw in Colombia tot een sociale groep behoort, heeft de minister terecht betrokken dat vrouwen niet zonder meer als sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Evenmin is uit het landenbeleid of uit de door eiseres aangehaalde kamerbrief van de minister gebleken dat vrouwen in Colombia als zodanig als een afwijkende of vervolgde groep worden beschouwd. Hoewel de rechtbank betreurt wat eiseres is overkomen toen zij 17 jaar was, maakt dit op zichzelf niet dat eiseres om die reden tot een sociale groep behoort of dat hierdoor aannemelijk is dat zij bij terugkeer zal worden vervolgd. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres na deze gebeurtenis nog jarenlang zonder problemen in Colombia heeft verbleven. Eiseres heeft verder geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het beleid van de minister niet gevolgd kan worden, noch is de rechtbank met dergelijke feiten ambtshalve bekend. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister op goede gronden vastgesteld dat in het departement Huila geen enkel niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen?

Eiseres voert aan dat de FARC in Colombia nog steeds actief is. Als onderbouwing daarvan heeft eiseres brieven overgelegd van Vluchtelingenwerk Nederland over de veiligheidssituatie in Colombia. Op zitting heeft eiseres toegelicht dat zij met de overgelegde landeninformatie beoogt te onderbouwen dat het geweld is toegenomen en niet is verdwenen in Neiva, de woonplaats van eiseres en hoofdstad van het departement Huila. Huila behoort tot het departement waar de FARC actief is en de gewapende groeperingen aanzienlijk zijn gegroeid. Gedwongen ontheemding, rekrutering en afpersingen behoren tot de vaste werkwijze van de FARC, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt dat de minister in zijn beleid over Colombia voor het departement Huila niet aanneemt dat sprake is van (een gradatie van) willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. In de kamerbrief van de minister van 30 januari 2025 waarin – kort gezegd – staat dat het Landgebonden beleid naar aanleiding van het ambtsbericht wordt gewijzigd, wordt het departement Huila niet genoemd. Dit betekent dat het beleid ten aanzien van het departement Huila niet wordt aangepast en geen sprake is van (een gradatie van) willekeurig geweld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met het overleggen van de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor Huila wel een situatie van enige mate van willekeurig geweld moet worden aangenomen. Daarbij is van belang dat in de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland het departement Huila slechts één keer wordt genoemd en deze brieven verder geen concrete informatie bevatten ten aanzien van het departement Huila. Het enkele gegeven dat InSight Crime in een bericht van 28 mei 2026 spreekt over criminele conflicten in Huila is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De enkele verwijzing van eiseres naar de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland leidt dus niet tot twijfel aan de juistheid van het Landgebonden beleid van de minister. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over informatie die daaraan doet twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister op goede gronden vastgesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade?

Eiseres voert aan dat zij niet kan terugkeren naar Colombia. Zij loopt daar een reëel risico op ernstige schade omdat eiseres eerder slachtoffer is geworden van ontheemding door de FARC en daarbij seksueel is misbruikt. Het voorgaande maakt aannemelijk dat eiseres bij terugkeer wederom slachtoffer wordt. Gewapende groeperingen zoals de FARC

zijn diepgeworteld in het land en daarom zeer onvoorspelbaar. Dat eiseres de risico’s die voor haar en haar familie bestaan niet expliciet kan benoemen, doet niet af aan het feit dat de dreiging er wel is. Het feit dat eiseres eerder slachtoffer is geworden, onderschrijft de ernst van het risico dat eiseres loopt in het geval van terugkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat eiseres bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat de minister de ontheemding door de FARC geloofwaardig heeft geacht, betekent niet dat reeds daarom sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de geloofwaardig geachte gebeurtenissen hebben plaatsgevonden toen eiseres ongeveer 17 jaar oud was en zij sindsdien geen persoonlijke problemen heeft ondervonden in Colombia tot aan haar vertrek in 2022. De gebeurtenissen hebben ruim 10 jaar geleden plaatsgevonden. Nergens blijkt uit dat specifiek eiseres in de negatieve aandacht staat van de FARC. Hoewel het valt te betreuren dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, maakt dit niet dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij een dergelijk risico loopt. Eiseres heeft echter geen concrete, persoonlijke en objectieve informatie aangeleverd die aannemelijk maakt dat zij persoonlijk gevaar loopt. De rechtbank overweegt tot slot dat de door eiseres aangehaalde uitspraak van 9 juni 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2026:15584) niet tot een ander oordeel leidt, nu de daarin geschetste situatie niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. De beroepsgrond slaagt niet.

De rechtbank stelt tot slot vast dat de vraag of iemand bescherming kan krijgen van de autoriteiten in het land van herkomst pas aan de orde komt, wanneer die persoon aannemelijk heeft gemaakt een gegronde vrees voor vervolging te hebben of een reëel risico te lopen op ernstige schade. De rechtbank heeft reeds hierboven, onder r.o. 5.2 en 7.2, geoordeeld dat eiseres dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of eiseres bescherming kan krijgen, behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Jongmans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Hoekstra

Griffier

  • mr. S. Jongmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand