ECLI:NL:RBDHA:2026:28785

ECLI:NL:RBDHA:2026:28785

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL26.22340
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verlenging van de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Met het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een causaal verband tussen de gevangenzetting en het niet kunnen uitvoeren van de overdracht binnen de overdrachtstermijn. Rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22340

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman en mr. B. Goossens).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 13 april 2026, waarbij de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening heeft verlengd vanwege de gevangenzetting van eiser.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van artikel 8:64 van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken onder welke omstandigheden de gevangenzetting heeft plaatsgevonden.

De minister heeft op 21 augustus 2026 een schriftelijke reactie ingebracht. Eiser heeft op 25 augustus 2026 gereageerd.

Eiser heeft verzocht om een nadere zitting.

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.

2. Eiser heeft op 6 februari 2026 asiel aangevraagd. Nederland heeft de Duitse autoriteiten op 17 maart 2026 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18 van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 19 maart 2026 geaccepteerd. De minister heeft de aanvraag met het overdrachtsbesluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De minister heeft verder opgemerkt dat Nederland 6 maanden de tijd heeft om eiser over te dragen aan Duitsland.

Het standpunt van eiser

3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd op basis waarvan de overdrachtstermijn is verlengd, nu het besluit geen informatie bevat over de grondslag en de omstandigheden van de detentie. Zo blijkt uit de stukken niet of de detentie een overdracht aan Duitsland juridisch en feitelijk verhinderde. Volgens eiser is het besluit daardoor niet controleerbaar en kan hij daartegen geen adequaat verweer voeren. De minister heeft bovendien niet gemotiveerd dat tussen de gevangenzetting en het uitblijven van de overdracht een causaal verband bestaat. Daarnaast heeft de minister geen onderzoek gedaan naar de duur van de detentie en de vraag of overdracht vanuit detentie nog mogelijk was binnen de resterende overdrachtstermijn. Het uitleveringsverzoek is volgens eiser een nieuw en actueel feit dat de minister bij de beoordeling van het bestreden besluit had moeten betrekken. De minister had ook moeten onderzoeken of eiser na overdracht aan Duitsland een daadwerkelijk en actueel risico loopt op indirect refoulement.

Het oordeel van de rechtbank

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening vangt de overdrachtstermijn van zes maanden aan vanaf het moment waarop de lidstaat het verzoek tot over- of terugname heeft aanvaard. In dit geval hebben de Duitse autoriteiten op 19 maart 2026 het terugnameverzoek van de Nederlandse autoriteiten aanvaard. De overdrachtstermijn van zes maanden is dus vanaf dat moment ingegaan.

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening moet de overdracht in beginsel plaatsvinden binnen zes maanden nadat de verantwoordelijke lidstaat heeft ingestemd met overname of terugname. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze termijn worden verlengd tot maximaal één jaar als de overdracht wegens gevangenzetting van de vreemdeling niet kon worden uitgevoerd.

5. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde bepaling met zich meebrengt dat de minister bij het nemen van een verlengingsbesluit dient te motiveren dat de gevangenzetting het uitvoeren van de overdracht binnen de reguliere overdrachtstermijn van zes maanden verhindert. Er dient dus sprake te zijn van een causaal verband tussen de gevangenzetting en het niet kunnen uitvoeren van de overdracht binnen de overdrachtstermijn. De rechtbank acht daarvoor redengevend dat met de enkele omstandigheid dat sprake is van gevangenzetting gedurende de termijn waarbinnen kan worden overgedragen niet terstond vaststaat dat de vreemdeling niet beschikbaar is voor overdracht binnen de reguliere overdrachtstermijn. Hiermee zou de in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vereiste beoordeling of de overdracht wegens die gevangenzetting niet kon worden uitgevoerd immers feitelijk betekenisloos worden. Het is dan ook aan de minister om met het verlengingsbesluit te motiveren waarom de vreemdeling in het voorkomende geval niet kan worden overgedragen binnen de reguliere overdrachtstermijn. Het ligt op de weg van de minister om bij die beoordeling te onderzoeken wat de te verwachte duur (strafmaat) van de detentie zal zijn en wat dit betekent voor de resterende overdrachtstermijn. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de onderzoeksplicht van de minister niet zover reikt dat hij dient te motiveren dat sprake was van een geplande overdracht die werd gefrustreerd door de detentie, maar het ligt wel op de weg van de minister om te motiveren welke handelingen hij niet kan verrichten en waarom daardoor de overdrachtstermijn in gevaar komt.

6. De rechtbank volgt de minister verder niet in diens betoog dat, ondanks wanneer sprake is van een ruime resterende overdrachtstermijn, reeds vanaf de aanvang van de gevangenzetting de overdracht materieel onmogelijk wordt, omdat de minister anders wordt gedwongen te wachten met het verlengen van de overdrachtstermijn tot het einde van die termijn en dit leidt tot verhindering van het treffen van voorbereidingshandelingen. Het is aan de minister om actief gedurende de overdrachtstermijn de duur van de detentie en mogelijkheden tot overdracht te bewaken en te beoordelen. Indien feitelijk duidelijk wordt dat overdracht binnen de reguliere termijn niet mogelijk is, kan de minister gebruik maken van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De stelling van de minister dat naar analogie dient te worden aangesloten bij rechtspraak ten aanzien van de vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt, volgt de rechtbank evenmin. Het wezenlijke verschil is dat een vreemdeling in detentie juist onder het direct toezicht van de autoriteiten verblijft.

Kon de minister in eisers geval de overdrachtsdatum verlengen?

7. De rechtbank stelt vast dat de minister in eisers geval op 8 april 2026, binnen drie weken na het Duitse claimakkoord, de overdrachtsdatum heeft verlengd tot 12 maanden. Het komt de rechtbank voor dat het bestreden besluit zeer summier is gemotiveerd nu enkel wordt genoemd dat de overdrachtstermijn wordt verlengd met 12 maanden vanwege gevangenzetting. Uit het besluit blijkt niets over de aard van de gevangenzetting of de omstandigheid dat de gevangenzetting de feitelijke beschikbaarheid voor overdracht frustreert.

8. Pas in beroep heeft de minister onderzoek gedaan naar de aard en omstandigheden van de detentie. Daarbij heeft de minister een uitdraai uit de strafrechtketendatabank (SKDB) overgelegd waaruit volgt dat eiser per 31 maart 2026 verblijft in de P.I. [locatie] en dat de gevangenhouding/neming per 20 juli 2026 is verlengd. Uit een e-mailwisseling met Justitie van 21 augustus 2026 volgt verder dat eiser in detentie zit in afwachting van een mogelijke uitlevering naar Turkije. Bij de zitting van 16 september 2026 heeft de minister desgevraagd toegelicht dat verder geen informatie bekend is.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser wegens de detentie niet kon worden overgedragen aan Duitsland binnen de reguliere overdrachtstermijn van zes maanden. De rechtbank concludeert dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit niet bekend was met de omstandigheden van de gevangenzetting en dus niet bekend was of eiser daadwerkelijk niet kon worden overgedragen binnen de overdrachtstermijn. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de termijn reeds binnen 3 weken na claimakkoord is verlengd en daarom niet was uitgesloten dat de detentie – waarvan de minister geen enkele kennis had – niet binnen de resterende overdrachtstermijn zou worden beëindigd waardoor eiser weer beschikbaar was voor overdracht. De minister heeft verder niet gemotiveerd dat de verlenging van de overdrachtstermijn in eisers geval gerechtvaardigd was vanwege voorkomende problemen rondom de te verrichte voorbereidingshandelingen in het kader van de materiele overdracht. Gelet hierop heeft de minister het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

10. Voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte geen refoulementstoets heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat deze procedure daarvoor geen ruime biedt, nu het besluit enkel ziet op het verlengen van de overdrachtstermijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beroep is gebleken dat de detentie van eiser is bevolen vanwege een mogelijke uitlevering aan Turkije en getoetst door de daartoe bevoegde rechter. Hoewel niet kenbaar is geworden binnen welke termijn uitlevering aan Turkije kan plaatsvinden, en daarmee aanvankelijk niet duidelijk was of eiser op 19 september 2026 (bij het verstrijken van de overdrachtstermijn) nog steeds in detentie zou verblijven, is thans duidelijk geworden dat de overdrachtstermijn is verstreken terwijl eiser nog immer in detentie verblijft. Het causaal verband tussen de gevangenzetting en het niet kunnen uitvoeren van de overdracht aan Duitsland staat daarmee vast. De rechtbank concludeert daarom dat eiser niet in zijn belangen is geschaad en zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.L.M. Celie, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.P.W. Esmeijer

Griffier

  • mr. C.L.M. Celie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand