ECLI:NL:RBDHA:2026:28508

ECLI:NL:RBDHA:2026:28508

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer C/09/698644
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Eisers (consumenten) hebben een aanbetaling gedaan voor de verbouwing van hun woning, maar er zijn geen werkzaamheden uitgevoerd. Tussen partijen is in geschil wie de contractspartij is van eisers en wie aansprakelijk is/zijn voor de geleden schade: de eigenaar van de eenmanszaak of de man met wie alle contacten tussen eisers en de eenmanszaak zijn verlopen en die de aannemingsovereenkomst heeft ondertekend. Volgens de man heeft hij gehandeld namens de eenmanszaak, zodat de eigenaar aansprakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat door de verklaringen en gedragingen van de man bij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat de man contractspartij is bij de aannemingsovereenkomst. Aangezien niet is komen vast te staan dat de man beschikte over een door de eigenaar van de eenmanszaak verstrekte volmacht, slaagt zijn verweer niet. De man is aansprakelijk voor terugbetaling van de betaalde aanbetaling. De vorderingen van eisers worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/698644 / HA ZA 26-128

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

1. [eisers sub 1] te [woonplaats 1] ,2. [eisers sub 2] te [woonplaats 1] ,

eisers,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. A.F. Smid,

tegen

1. [gedaagden sub 1] te [woonplaats 2] (geheim),

niet verschenen,2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 3] ,

advocaat: mr. M.P. Harten,

gedaagden,

hierna te noemen: [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] .

1. Waar gaat deze zaak over?

[eisers] zijn particulieren en hebben met [bedrijfsnaam 1] een overeenkomst gesloten voor de verbouwing van hun woning. [eisers] hebben € 58.258,20 aanbetaald, maar er zijn geen werkzaamheden uitgevoerd. Het is niet in geschil dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Tussen partijen is wel in geschil wie de contractspartij is van [eisers] en wie aansprakelijk is voor de door hen geleden schade.

[eisers] wijzen er op dat alle contacten met [bedrijfsnaam 1] met [gedaagden sub 2] zijn verlopen.. Daarmee is [gedaagden sub 2] (mede) aansprakelijk, vinden [eisers] Volgens [gedaagden sub 2] heeft hij de overeenkomsten ondertekend namens [gedaagden sub 1] – de (enige) eigenaar van [bedrijfsnaam 1] – waarbij hij handelde krachtens een door [gedaagden sub 1] verleende volmacht, zodat [gedaagden sub 1] aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaringen en gedragingen van [gedaagden sub 2] , bij [eisers] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [gedaagden sub 2] contractspartij is bij de overeenkomst. Er bestond voor [eisers] geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagden sub 2] niet de eigenaar was van [bedrijfsnaam 1] en daarmee dat [gedaagden sub 2] geen contractspartij was. Aangezien niet is komen vast te staan dat [gedaagden sub 2] over een door [gedaagden sub 1] verstrekte volmacht beschikte om namens [bedrijfsnaam 1] te handelen, slaagt dat verweer van [gedaagden sub 2] niet en is hij aansprakelijk voor terugbetaling van de betaalde € 58.258,20 aan [eisers] De vorderingen van [eisers] worden toegewezen.

2. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 13 januari 2026, met producties 1 tot en met 13;

de conclusie van antwoord namens [gedaagden sub 2] , met productie 1;

de akte overlegging producties ingediend op 3 juni 2026 namens [eisers] , met producties 14 tot en met 16;

het bericht van 24 juni 2026 namens [eisers] waarmee is overgelegd een videofragment en screenshots;

het bericht van 16 juli 2026 namens [gedaagden sub 2] waarmee is overgelegd productie 2;

de akte van uitlating ingediend op 28 juli 2026 namens [eisers]

Op 15 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisers] en [gedaagden sub 2] zijn verschenen, vergezeld van hun advocaten. [gedaagden sub 1] is niet verschenen. [eisers] en [gedaagden sub 2] hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.

Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.

3. De feiten

Gelet op wat er in de processtukken staat en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[eisers] zijn particulieren en eigenaar van een tussenwoning (hierna: de “woning”) in [plaats 1] .

[bedrijfsnaam 1] is een eenmanszaak in [plaats 2] die zich bezighoudt met het verbouwen van woningen.

In november 2023 hebben [eisers] via Whatsapp contact gehad met [gedaagden sub 2] over verbouwingswerkzaamheden aan de woning door [bedrijfsnaam 1] . Nadat [gedaagden sub 2] de woning heeft bezocht, heeft hij [eisers] een offerte gestuurd voor de beoogde verbouwing van de woning. De werkzaamheden omvatten onder meer het maken van twee uitbouwen aan de woning, het aanbrengen van nieuwe kozijnen op de eerste en tweede verdieping, het plaatsen van een keuken, en het aanleggen van vloerverwarming op de begane grond.

Begin december 2023 hebben [eisers] een aannemingsovereenkomst (hierna: de “overeenkomst”) gesloten met [bedrijfsnaam 1] voor de verbouwing van de woning. De totale (vaste) aanneemsom bedraagt € 90.337. Alle pagina’s van de overeenkomst zijn geparafeerd en de eindpagina is ondertekend door [eisers] en [gedaagden sub 2] , waarbij de partijen als volgt zijn aangeduid:

“Klant

Dhr. [eisers sub 1] [handtekening van [eisers sub 1] ]

[bedrijfsnaam 1]

Dhr. [gedaagden sub 2] [handtekening van [gedaagden sub 2] ]”

[eisers] hebben meteen daarna op 6 december 2023 de factuur ontvangen voor een eerste aanbetaling – 30% betaling bij opdracht – op de aanneemsom. Op 7 december 2023 hebben [eisers] op aandringen van [gedaagden sub 2] € 27.1010,10 overgemaakt naar de rekening van [bedrijfsnaam 1] :

7 december 2023

[bedrijfsnaam 1] [lees: [gedaagden sub 2] ]: “Goedemorgen. Net contact gehad met de leveranciers en als de betaling binnenkomt voor maandag dan hebben we de prijs vast staan zoals contractueel overeengekomen. Heeft u nu zorg gedragen voor de betaling volgens de factuur?

[eisers sub 1] : “Goedemorgen, top! Wij zullen vandaag de betaling doen. Vanuit ons geen zorgen meer.”

Vanaf het moment van ondertekening hadden [eisers] en [gedaagden sub 2] intensief contact via Whatsapp ( [eisers] spreekt [gedaagden sub 2] aan als “ [gedaagden sub 2] ”) over de uitvoering van het project, en in het bijzonder over de planning en de vraag wanneer de werkzaamheden van start konden gaan. [eisers] hebben lange tijd geen duidelijkheid gekregen van [gedaagden sub 2] over de planning van de verbouwing:

9 januari 2024

[eisers sub 1] : “Goedemorgen [gedaagden sub 2] , heb jij al een beter beeld bij de

planning voor de verbouwing. Wij zijn in gesprek met onze hypotheekadviseur en willen het tekenen van het renteaanbod nog even uitstellen. Dit natuurlijk door de dalende rentes die even doorzetten.”

16 maart 2024

[eisers sub 1] : “Goedemorgen [gedaagden sub 2] , momenteel wachten wij het

constructierapport af. Daarna zou alles op groen licht moeten staan. Heb jij al een

beeld bij de planning voor de verbouwing? Dan kunnen we zelf ook onze plannen daarop aanpassen. Dank!”

22 april 2024

[eisers sub 1] : “Dag [gedaagden sub 2] , zouden wij binnenkort een afspraak kunnen maken om het proces door te lopen? Wij hebben geen zicht meer op wat er nu gebeurt en wat de planning gaat worden.”

Ook het ontwerp van de verbouwing door de architect komt niet voortvarend tot stand. [eisers] laten [gedaagden sub 2] in mei 2024 weten dat ze met hem verder willen, maar geen vertrouwen meer hebben in de architect:

8 mei 2024

[bedrijfsnaam 1] : “Ik heb contact gehad met de architect ze

zal jullie volledig en correct informeren etc.”

10 juni 2024

[eisers sub 1] : “Dag [gedaagden sub 2] . Na meermaals een terugkoppeling te hebben gekregen blijven daadwerkelijke resultaten van de architect uit. Sinds 23 mei is er wederom niks gedaan. Het traject met deze architect loopt al sinds 11 januari 2024. Dat is morgen 5 maanden verder. Ik heb heel lang het voordeel van de twijfel aan deze architect gegeven, maar dit vind ik onacceptabel. Wij willen uiteraard graag met jou verder, maar met deze architect lijkt dat er nooit van te komen.”

Op 4 augustus 2024 heeft [gedaagden sub 2] aan [eisers] laten weten dat de werkzaamheden half november 2024 daadwerkelijk van start zullen gaan:

4 augustus 2024

[bedrijfsnaam 1] : “We gaan uit van half november!!”

25 september 2024

[eisers sub 1] : “Goedenavond [gedaagden sub 2] , weet je ongeveer wanneer de

inmetingen plaats zullen vinden? Half november komt langzaamaan vrij dichtbij.”

[bedrijfsnaam 1] : “Begin oktober je hoort nog van mij.”

Half oktober heeft [gedaagden sub 2] aan [eisers] bericht dat de werkzaamheden niet in november 2024 zullen gaan starten. Volgens [gedaagden sub 2] werd dit veroorzaakt door drukte in de bouw en nieuwe regelgeving:

15 oktober 2024

[bedrijfsnaam 1] : “Omdat ik reeds ook andere werken heb staan

lijkt mij het de beste oplossing om het geheel over te zetten naar het voorjaar van

2025 vanaf maart april dan zijn ook de weersomstandigheden beter.”

14 januari 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Ik zal toch even aangeven hoe de situatie nu is in de gehele bouwsector. Vorig jaar 2024 was er al een toename van 30% in de faillissementen en dat is dus extreem. Het grootste probleem ligt hem in de extreme toename en drukte in de bouw. Naast constant extreme hogere prijzen dus verhogingen worden wij ook nog eens constant geconfronteerd met nieuwe regelwetgeving vanuit den haag. Al onze projecten lopen daardoor uit en dat is niet alleen bij ons zo maar overal in Nederland.”

In maart 2025 heeft [gedaagden sub 2] aan [eisers] bericht dat de werkzaamheden pas op 1 juni 2025 van start zullen gaan:

24 maart 2025

[eisers sub 1] : “Zou je wel al een inkijk kunnen geven op de planning. Volstaat 1 juni vooralsnog? Dit in verband met vakantieplanning. Dank!”

27 maart 2025

[bedrijfsnaam 1] : “1 juni staat oke”

Sinds de totstandkoming van de overeenkomst in december 2023, zijn de plannen van [eisers] enigszins gewijzigd. Een aantal werkzaamheden zijn uit de oorspronkelijke opdracht verwijderd en andere werkzaamheden zijn toegevoegd. [gedaagden sub 2] heeft omstreeks 12 april 2025 een aangepaste overeenkomst opgesteld (hierna samen met de eerste overeenkomst: “de overeenkomsten”), waarin de wijzigingen zijn verwerkt. De gewijzigde aanneemsom bedraagt € 97.097. [gedaagden sub 2] heeft er bij [eisers] op aangedrongen dat – om de aangepaste planning te kunnen halen – het van groot belang is dat de tweede aanbetaling van 30% van de aanneemsom snel wordt betaald:

12 april 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Goedemorgen. Vandaag maak ik en verwerk ik alle aanpassingen zo ook de nieuwe in het contract. Dat mail ik je dan toe en als je die dan goed doorneemt en ondertekend voor akkoord dan is alles geregeld zoals onderling eerder besproken. Belangrijk in dit verhaal is dat de factuur van 30% nu dan wel wordt betaald de komende week!! Dit zo ook duidelijk met u overeengekomen en besproken. Het totale werk wordt in 2 delen uitgevoerd 1 deel voor de bouwvak en 1 deel na de bouwvak.”

(…)

“Met de nieuwe planning is het belangrijk dat de factuur nu deze week wordt betaald!!!”

14 april 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Hallo [eisers sub 1] . Kan ik er nu dan wel vanuit gaan dat de betaling vandaag aan mij wordt uitgevoerd zodat ik die dan morgen heb dan kan ik de verdere aktie ook ondernemen m.b.t. de diverse bestellingen oké?”

[eisers sub 1] : “Contract is in ieder geval ondertekend jou kant op. Wij maken straks de betaling over.”

Op 15 april 2025 hebben [eisers] € 31.157,10 overgemaakt naar de rekening van [bedrijfsnaam 1] als tweede aanbetaling – 30% vooraf betaling in verband met aanvang project – op de aanneemsom. Daarmee hebben [eisers] in totaal € 58.258,20 aanbetaald aan [bedrijfsnaam 1] . [gedaagden sub 2] heeft [eisers] nog diezelfde dag laten weten dat [bedrijfsnaam 1] het geld heeft ontvangen:

15 april 2025

[eisers sub 1] : “Ik hoor ook graag als de betaling binnen is, aangezien het een flink bedrag is.”

[bedrijfsnaam 1] : “Betaling is binnen maar dit staat ook als bewijs als overschrijving!!!!”

Op 18 april 2025 is de eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] uitgeschreven uit het handelsregister. Eigenaar van [bedrijfsnaam 1] was [gedaagden sub 1] . Met ingang van diezelfde datum is de onderneming voortgezet door [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] is een eenmanszaak die op naam staat van [gedaagden sub 2] .

In mei 2025 heeft [gedaagden sub 2] in mei 2025 de toegezegde startdatum van 1 juni 2025 opnieuw uitgesteld: eerst naar 16 juni 2025, en vervolgens naar augustus 2025:

14 mei 2025

[eisers sub 1] : “Dag [gedaagden sub 2] , wanneer kan ik vandaag reactie verwachten op

de planning?

[bedrijfsnaam 1] : “Start is nu onzeker op maandag 16 juni.”

[eisers sub 1] : “Kan ik hierover een uitleg krijgen, want de startdata blijven maar schuiven.” (…) Je begrijpt dat ik twijfels begin te krijgen nu wij meer dan 60k hebben overgemaakt en er nog weinig van terug hebben gezien.”

[bedrijfsnaam 1] : “16 juni aanvang heipalen !!!”

9 juni 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Aangezien onderaannemers bij ons in uw traject failliet zijn gegaan moeten wij de aanvang van dit project ook verschuiven tot na de bouwvak. Hier zijn wij ook niet blij mee want wij dragen het financiële verlies en u dus niet. Het project zal nu verschoven worden naar augustus daar wij in july ook de bouwvak hebben.”

16 juni 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Planning ligt in de laatste week van augustus.”

[eisers sub 1] : “Graag een overeenkomst dat we dan daar vanuit kunnen

gaan en anders uit het proces kunnen stappen.”

[gedaagden sub 2] heeft [eisers] nadrukkelijk verzekerd dat er niets aan de hand is, en dat “alles” gewoon goed doorloopt. De nieuwe startdatum is 1 september 2025 geworden.

[eisers] hebben gesuggereerd om de overeenkomst te ontbinden:

19 juni 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Wij voeren het werk gewoon uit alleen mensen moeten ook begrijpen dat het 5x drukker is als normaal en dat wij situatie alleen kunnen oplossen door projecten te verschuiven. Er is verder niets aan de hand en alles loopt gewoon goed door.”

24 juli 2025

[eisers sub 1] : “Geef dan een planning. Ik begrijp niet goed waarom dat

zo onmogelijk voor je is. We kunnen nu ook bepalen dat we dit contract ontbinden.”

[bedrijfsnaam 1] : “U bent nu bezig om een rede te vinden om te

annuleren terwijl ik u de informatie al gegeven heb en die is per 1 september!!!!”

24 juli 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Wilt u stoppen met deze telefoon terror. U heeft laatst via de whatsapp al doorgegeven dat alles nu oké is !!!!

[bedrijfsnaam 1] : “Het zijn nu juiste inschattingen per 1 september startten wij bij u.”

Per 10 augustus 2025 is (ook) de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] van [gedaagden sub 2] uitgeschreven uit het handelsregister.

Op 11 augustus 2025 hebben [eisers] bericht ontvangen van een onbekende medewerker van [bedrijfsnaam 1] dat [gedaagden sub 2] arbeidsongeschikt is geworden:

11 augustus 2025

[bedrijfsnaam 1] : “Je spreekt nu met een medewerker. [gedaagden sub 2] is arbeidsongeschikt sinds vorige week dus even afwachten maar.”

[eisers sub 1] : “Zal de communicatie met een andere medewerker voortaan lopen?”

[bedrijfsnaam 1] : “U krijgt deze week uitsluitsel dus gewoon even afwachten.”

Na dit Whatsapp-bericht van 11 augustus 2025 hebben [eisers] niets meer van [bedrijfsnaam 1] gehoord. Er zijn geen werkzaamheden aan de woning uitgevoerd en de door [eisers] verrichte aanbetalingen zijn niet gerestitueerd.

Bij brief van 6 oktober 2025 hebben [eisers] [gedaagden sub 2] gesommeerd de aanbetaling van € 58.258,20 binnen 15 dagen terug te betalen.

Bij brief van 8 oktober 2025 hebben [eisers] [gedaagden sub 1] in gebreke gesteld en een termijn van 14 dagen gegeven om de werkzaamheden uit te voeren conform de overeenkomst. Vervolgens hebben [eisers] bij brief van 4 november 2025 aan [gedaagden sub 1] , de overeenkomst ontbonden en hebben zij [gedaagden sub 1] gesommeerd om binnen 15 dagen het bedrag van € 58.258,20 terug te betalen.

Bij een brief van (eveneens) 4 november 2025 hebben [eisers] [gedaagden sub 2] nogmaals gesommeerd om het bedrag van € 58.258,20 binnen 7 dagen terug te betalen.

Er zijn geen werkzaamheden aan de woning uitgevoerd en [gedaagden sub 2] en [gedaagden sub 1] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eisers] om het bedrag van € 58.258,20 terug te storten.

4. Het geschil

[eisers] vorderen, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

de verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden en gedaagden hoofdelijk te veroordelen om het aanbetaalde bedrag van € 58.258,20 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025;

Subsidiair

de overeenkomst per direct te ontbinden en gedaagden hoofdelijk te veroordelen om het aanbetaalde bedrag van € 58.258,20 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2025;

Zowel primair als subsidiair

gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van

€ 1.357,58, en te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

[eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij met (de eenmanszaak van) [gedaagden sub 1] een overeenkomst hebben gesloten tot het uitvoeren van werkzaamheden aan hun woning, maar dat er geen werkzaamheden zijn verricht. Daarmee is sprake van een tekortkoming in de nakoming, zodat [eisers] op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht hebben op schadevergoeding.

Volgens [eisers] verkeert [gedaagden sub 1] vanaf 1 september 2025 – een toegezegde startdatum van de werkzaamheden – in verzuim volgens artikel 6:83 sub a jo. 6:81 BW door het verstrijken van een fatale termijn. Daarnaast is [gedaagden sub 1] door middel van de ingebrekestelling van 8 oktober 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld om na te komen, zodat zij op grond van artikel 6:82 lid 1 BW in elk geval vanaf 22 oktober 2025 in verzuim verkeert. Aangezien [gedaagden sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en in verzuim verkeert, hebben [eisers] op grond van artikel 6:265 lid 1 BW de overeenkomst op 4 november 2025 rechtmatig buitengerechtelijk ontbonden, en hebben zij ingevolge artikel 6:271 lid 1 BW recht op terugbetaling van de aanbetaling van € 58.258,20 op de aanneemsom. Verder stellen [eisers] dat [gedaagden sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door een overeenkomst aan te gaan terwijl zij nooit de intentie had om deze na te komen.

[gedaagden sub 2] is volgens [eisers] met [gedaagden sub 1] hoofdelijk voor hun schade aansprakelijk. [gedaagden sub 2] heeft onrechtmatig jegens hen gehandeld doordat hij niet bevoegd was om namens [bedrijfsnaam 1] rechtshandelingen te verrichten. Deze gedragingen zijn [gedaagden sub 2] toe te rekenen, nu hij bewust de indruk wekte vertegenwoordigingsbevoegd te zijn waardoor [eisers] niet wisten met wie zij zaken deden. Verder moet [gedaagden sub 2] op grond van de Kribbebijter-maatstaf mede als contractspartij worden gezien. [gedaagden sub 2] heeft zich schuldig gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken en misleiding volgens artikel 6:193b jo. 6:194 BW, hetgeen onrechtmatig is jegens [eisers] Hierdoor hebben [eisers] schade geleden in de vorm van het reeds betaalde bedrag van € 58.258,20.

[gedaagden sub 2] voert verweer. [gedaagden sub 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank heeft tegen de niet verschenen [gedaagden sub 1] verstek verleend. Ingevolge artikel 140 lid 3 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat indien in een zaak sprake is van meerdere gedaagden, van wie tenminste één in het geding is verschenen, tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen verbouwing van de woning niet is uitgevoerd, zodat vaststaat dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten. Evenmin is in geschil dat [eisers] daardoor schade hebben geleden van € 58.258,20 aangezien deze aanbetaling op de aanneemsom niet is gerestitueerd. Het is wel in geschil – en dit is de kern van de zaak – met wie [eisers] de overeenkomst hebben gesloten, [gedaagden sub 1] en/of [gedaagden sub 2] en wie van hen aansprakelijk is/zijn voor de geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat door de gedragingen van [gedaagden sub 2] , bij [eisers] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [gedaagden sub 2] contractspartij is bij de overeenkomsten, zodat [gedaagden sub 2] aansprakelijk is voor terugbetaling van de betaalde € 58.258,20. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.

[gedaagden sub 2] dient te worden aangemerkt als contractspartij

[eisers] stellen voorop dat zij zaken hebben gedaan met [bedrijfsnaam 1] . Zij verkeerden bij het sluiten van de overeenkomst echter in de veronderstelling dat [gedaagden sub 2] eigenaar was van de onderneming.

Bij de mondelinge behandeling is – met verwijzing naar twee arresten van de Hoge Raad over de zogenaamde Kribbebijter-maatstaf – namens [eisers] de grondslag van de vorderingen uitgebreid met de stelling dat [gedaagden sub 2] tot de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagden sub 1] is toegetreden.

[eisers] wijzen er op dat alle contacten met [bedrijfsnaam 1] – via Whatsapp, telefonisch of in persona – uitsluitend met [gedaagden sub 2] zijn verlopen. [gedaagden sub 2] heeft de woning bezocht, [gedaagden sub 2] heeft de offerte opgesteld, [gedaagden sub 2] voerde de onderhandelingen over de prijs, [gedaagden sub 2] heeft de overeenkomst ondertekend, [gedaagden sub 2] stuurde aan op snelle betaling van de facturen, [gedaagden sub 2] besprak de uitvoering en [gedaagden sub 2] deed toezeggingen over startdata van de werkzaamheden en verschafte uitleg bij vertraging. Onder die omstandigheden mochten [eisers] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagden sub 2] feitelijk verantwoordelijk was voor het commerciële traject en de uitvoering van de werkzaamheden. Gelet hierop is [gedaagden sub 2] volgens [eisers] geen willekeurige vertegenwoordiger zonder eigen verantwoordelijkheid, maar is hij medecontractspartij en medeaansprakelijk voor de door [eisers] geleden schade.

[gedaagden sub 2] betwist dat hij partij is bij de overeenkomst(en). De overeenkomst(en) zijn immers gesloten tussen [eisers] en [bedrijfsnaam 1] . [gedaagden sub 2] wijst erop dat de offertes en facturen op naam en briefpapier stonden van [bedrijfsnaam 1] en de twee betalingen door [eisers] zijn verricht aan de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] . Aangezien deze onderneming in het handelsregister op naam stond van [gedaagden sub 1] , is uitsluitend [gedaagden sub 1] aansprakelijk voor de schade, zo stelt [gedaagden sub 2] . De omstandigheid dat in het handelsregister is geregistreerd dat [bedrijfsnaam 1] vanaf 18 april 2025 werd voortgezet door [bedrijfsnaam 2] – een eenmanszaak die op naam stond van [gedaagden sub 2] – maakt volgens hem niet dat hij opvolgend contractspartij is geworden. Volgens [gedaagden sub 2] is evenmin voldaan aan de vereisten voor contractsoverneming volgens artikel 6:159 BW. Bovendien zijn géén van de betalingen door [eisers] verricht aan [bedrijfsnaam 2] of aan [gedaagden sub 2] persoonlijk. Ten slotte ontbreekt iedere grondslag voor persoonlijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad of misleiding.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de hiervoor genoemde arresten blijkt dat de beantwoording van de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij heeft opgetreden of als vertegenwoordiger van een ander, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, afhangt van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Niet uitgesloten is dat op enig moment na het sluiten van de overeenkomst een ander dan een van de oorspronkelijke contractspartijen in plaats van die oorspronkelijke contractspartij dient te worden aangemerkt als contractspartij. De beantwoording van de vraag of op enig moment na het aangaan van de overeenkomst sprake is van een wijziging van een van de contractspartijen als hiervoor bedoeld, hangt eveneens af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden.

De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen tussen [eisers] en [gedaagden sub 2] . Gelet op de in 5.5 benoemde verklaringen en gedragingen van [gedaagden sub 2] , bestond er voor [eisers] geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagden sub 2] niet de eigenaar was van [bedrijfsnaam 1] en daarmee dat [gedaagden sub 2] geen contractspartij zou zijn. Dat op de offertes en facturen de naam en het KvK-nummers van [bedrijfsnaam 1] is vermeld, maakt dat niet anders. In de perceptie van [eisers] was [gedaagden sub 2] immers de eigenaar van [bedrijfsnaam 1] .

[gedaagden sub 2] heeft niet betwist of ter zitting weersproken dat hij zich in zijn contacten met [eisers] heeft voorgedaan als eigenaar van [bedrijfsnaam 1] . Ook uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie blijkt dat er voor [eisers] geen onderscheid bestond tussen de onderneming [bedrijfsnaam 1] en [gedaagden sub 2] . Zo hebben [eisers] in het Whatsapp-bericht van 10 juni 2024 specifiek benoemd dat ze “met hem” ( [gedaagden sub 2] ) verder willen gaan, en in het Whatsapp-bericht van 14 april 2025 vraagt [gedaagden sub 2] of hij er vanuit kan gaan dat de betaling “aan mij” (aan [gedaagden sub 2] ) wordt uitgevoerd.

Voor het oordeel is verder van belang dat op de mondelinge behandeling namens [eisers] onweersproken is aangevoerd dat [eisers] niet wisten wie [gedaagden sub 1] was, nooit enig contact hebben gehad met [gedaagden sub 1] en dat [gedaagden sub 2] op geen enkel moment aan [eisers] heeft duidelijk gemaakt welke positie hij innam binnen de onderneming en op welke grondslag hij namens [gedaagden sub 1] optrad. Totdat [eisers] zich in oktober 2025 gedwongen zagen om juridische stappen te zetten tegen [bedrijfsnaam 1] , hadden zij nog nooit van [gedaagden sub 1] gehoord.

Ten slotte is van belang dat, nadat [bedrijfsnaam 1] op naam van [gedaagden sub 1] per 18 april 2025 is uitgeschreven uit het handelsregister, [gedaagden sub 2] ongewijzigd contact heeft gehouden met [eisers] over de beoogde uitvoering van de verbouwing van de woning. In mei, juni en juli 2025 heeft [gedaagden sub 2] nieuwe startdata voor de verbouwing aan [eisers] doorgegeven. Aangezien [gedaagden sub 2] na 18 april 2025 niet kan hebben gehandeld namens een uitgeschreven onderneming, moet hij in elk geval na die datum in eigen naam zijn opgetreden.

Het standpunt van [gedaagden sub 2] dat [eisers] in het handelsregister hadden kunnen vaststellen dat [gedaagden sub 1] (en niet hij) eigenaar was van [bedrijfsnaam 1] , wordt gepasseerd. Van [eisers] als consumenten kan niet worden verwacht dat zij voor het sluiten van de overeenkomst het handelsregister moeten raadplegen om te controleren met wie zij daadwerkelijk zaken doen.

[gedaagden sub 2] voert verder als verweer dat hij namens [bedrijfsnaam 1] handelde krachtens een door [gedaagden sub 1] verleende volmacht. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagden sub 2] verklaard dat [gedaagden sub 1] een volmacht had ondertekend, zodat [gedaagden sub 2] namens [bedrijfsnaam 1] kon handelen en dat hij die machtiging “op zijn computer had staan en op verzoek kan printen en toesturen”. Voor het indienen van die machtiging kreeg [gedaagden sub 2] een termijn van twee weken. Nadat [gedaagden sub 2] om uitstel van nog eens twee weken heeft verzocht en gekregen, heeft hij de volgende volmacht overgelegd:

“Hierbij zoals reeds besproken, de machtiging voor de heer [gedaagden sub 2] om al mijn zaken te behartigen voor de eenmanszaak.

Daar ik zelf bij regelmaat in het buitenland vertoef geeft deze situatie duidelijkheid in de samenwerking.

Hierbij kan de heer [gedaagden sub 2] nu alles regelen voor mijn eenmanszaak.

Zelf blijk ik natuurlijk volledig verantwoordelijk.”

Volgens [eisers] blijkt daaruit niet dat [gedaagden sub 2] namens [gedaagden sub 1] gemachtigd was om namens haar met hen de overeenkomsten aan te gaan. De rechtbank volgt [eisers] in hun standpunt dat de door [gedaagden sub 2] overgelegde volmacht vragen oproept over de authenticiteit daarvan. Allereerst is de volmacht niet voorzien van een datum, zodat niet duidelijk is wanneer deze is opgesteld. De woorden “zoals reeds besproken” en “nu” geven de indruk dat de volmacht is opgesteld ná de mondelinge behandeling. Verder komen de spelling van de naam van [gedaagden sub 1] en de handtekening op de volmacht niet overeen met de (bijgesloten) kopie van het paspoort van [gedaagden sub 1] . Ten slotte is onverklaarbaar waarom [gedaagden sub 2] vier weken nodig had om een verklaring te overleggen die hij naar eigen zeggen op zijn computer heeft staan.

Nog daargelaten of een geldige volmacht uitsluit dat [gedaagden sub 2] (mede) aansprakelijk is gelet op zijn verklaringen en gedragingen richting [eisers] , is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagden sub 2] over de door hem gestelde volmacht beschikte. Nu evenmin is komen vast te staan dat [gedaagden sub 1] op enigerlei andere wijze betrokken was bij de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomsten met [eisers] , is de eindconclusie dat uitsluitend [gedaagden sub 2] aansprakelijk is voor de schade van [eisers]

Het verweer van [gedaagden sub 2] dat geen sprake is van contractsoverneming door [bedrijfsnaam 2] kan worden gepasseerd, aangezien dit aspect geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling dat de overeenkomsten direct met [gedaagden sub 2] tot stand zijn gekomen.

De slotsom is dat [eisers] uit de gedragingen van [gedaagden sub 2] mochten afleiden dat [gedaagden sub 2] hun contractspartij was – en niet de voor hen onbekende [gedaagden sub 1] – en is bij [eisers] het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat [gedaagden sub 2] verantwoordelijk was voor de uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden. Daarmee is [gedaagden sub 2] , en niet (ook) [gedaagden sub 1] de contractspartij van [eisers] , en is uitsluitend [gedaagden sub 2] aansprakelijk voor de door [eisers] geleden schade als gevolg van de wanprestatie van [bedrijfsnaam 1] .

[gedaagden sub 2] verkeert in verzuim

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden sub 2] vanaf 11 november 2025 op grond van artikel 6:81 jo. 6:82 lid 1 BW in verzuim verkeert ten aanzien van de terugbetaling van € 58.258,20. Zij overweegt daarover het volgende.

Nadat de prestatie minimaal vanaf 1 september 2025 opeisbaar was – de startdatum van de verbouwing was verschoven van half november 2024 naar april 2025, vervolgens naar 1 juni 2025, 16 juni 2025, augustus 2025 en ten slotte naar 1 september 2025 – hebben [eisers] bij brief van 8 oktober 2025 [bedrijfsnaam 1] gesommeerd om de werkzaamheden aan de woning binnen 14 dagen uit te voeren conform de overeenkomst. Aangezien [bedrijfsnaam 1] aan deze sommatie geen gehoor heeft gegeven, verkeerde de onderneming vanaf 22 oktober 2025 in verzuim ten aanzien van de verbouwing van de woning.

Vervolgens hebben [eisers] bij brief van 4 november 2025 [gedaagden sub 2] gesommeerd om het bedrag van € 58.258,20 binnen 7 dagen terug te betalen. Aangezien [gedaagden sub 2] aan deze sommatie (evenmin) gehoor heeft gegeven, verkeert hij vanaf 11 november in verzuim ten aanzien van de terugbetaling van de som van € 58.258,20. Dat [gedaagden sub 2] in de brief van 4 november 2025 aansprakelijk werd gesteld voor onrechtmatig handelen, en [gedaagden sub 2] gelet op het oordeel in 5.18 (in elk geval) aansprakelijk is op grond van wanprestatie, doet niets af aan het intreden van het verzuim aangezien dit voorkomt uit de feitelijke tekortkoming en niet afhangt van de juridische kwalificatie daarvan.

Het standpunt van [gedaagden sub 2] dat de ingebrekestelling en ontbinding in de brief van 8 oktober 2025 gericht was aan mevrouw [gedaagden sub 1] en niet aan [gedaagden sub 2] , wordt gepasseerd. Uit de inhoud van de brief blijkt immers dat deze is gericht aan de contractspartij bij de overeenkomsten, maar aangezien [eisers] op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat dit [gedaagden sub 1] was, hebben zij de brief aan haar gestuurd. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagden sub 2] destijds kennis heeft genomen van deze brief, aangezien hij – gelet op het videofragment en de foto’s die [eisers] hebben overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagden sub 2] op 11 september 2025 aanwezig was in het appartementsgebouw waar [gedaagden sub 1] woonde – onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij in die periode contact had met [gedaagden sub 1] .

Dat [gedaagden sub 2] via [gedaagden sub 1] inzage bleef houden in correspondentie met betrekking tot [bedrijfsnaam 1] , is ook aannemelijk in het licht van de constatering dat [gedaagden sub 2] een vonnis van deze rechtbank van 28 januari 2026 heeft overgelegd waarin [gedaagden sub 1] bij verstek wordt veroordeeld wegens verplichtingen die zij is aangegaan onder de handelsnaam [bedrijfsnaam 1] . Ter zitting kon [gedaagden sub 2] niet uitleggen hoe hij dat vonnis heeft verkregen, terwijl hij naar eigen zeggen vanaf augustus 2025 weg was bij [bedrijfsnaam 1] en geen inzage meer had in de stukken van de onderneming.

Uit de vaststelling dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming en het oordeel in 5.21 dat [bedrijfsnaam 1] vanaf 22 oktober 2025 in verzuim verkeert ten aanzien van de verbouwing van de woning, volgt dat [eisers] op 4 november 2025 krachtens artikel 6:265 BW de overeenkomsten rechtmatig buitengerechtelijk hebben ontbonden. Dit brengt mee dat [eisers] op grond van artikel 6:271 BW recht hebben op terugbetaling van de gedane aanbetaling van € 58.258,20.

Het handelen van [gedaagden sub 2]

Nu de vordering jegens [gedaagden sub 2] op grond van wanprestatie slaagt, behoeven de overige door [eisers] aangevoerde grondslagen waaronder onrechtmatige daad door [gedaagden sub 2] , geen bespreking meer. Dit geldt zeker voor het standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, nu deze grondslag ter zitting is ingetrokken.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. [gedaagden sub 2] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het na de Corona-periode steeds slechter ging met [bedrijfsnaam 1] . Volgens [gedaagden sub 2] zijn op een zeker moment 24 zzp-ers opgestapt en is het bedrijf vastgelopen door forse prijsstijgingen in de bouw in 2022. [gedaagden sub 2] probeerde naar eigen zeggen enerzijds klanten te behouden, maar wist anderzijds dat hij de projecten die hij verkocht niet meer kon volbrengen.

Gelet op deze kennis bij [gedaagden sub 2] over de problemen bij [bedrijfsnaam 1] , kan het hem zwaar worden aangerekend dat hij [eisers] ruim anderhalf jaar aan het lijntje heeft gehouden. Door er in december 2023 en april 2025 bij [eisers] op aan te dringen om snel de facturen te betalen – met de toezegging dat dan de prijzen komen vast te staan en het werk snel kan worden uitgevoerd – terwijl [gedaagden sub 2] toen al wist dat er in het geheel geen werkzaamheden in de woning uitgevoerd zouden gaan worden, heeft [gedaagden sub 2] zich laakbaar gedragen jegens [eisers]

De vorderingen van [eisers] worden toegewezen

De slotsom is dat door de gedragingen van [gedaagden sub 2] bij [eisers] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [gedaagden sub 2] verantwoordelijk was voor de uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden en contractspartij was bij de overeenkomsten. Daarmee is [gedaagden sub 2] aansprakelijk voor de door [eisers] geleden schade. Dit betekent dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 58.258,20 door [gedaagden sub 2] wordt toegewezen.

Gelet op het oordeel in 5.24 dat [eisers] de overeenkomsten rechtmatig buitengerechtelijk hebben ontbonden, wordt de gevorderde verklaring voor recht eveneens toegewezen.

Omdat de overeenkomsten niet tot stand zijn gekomen met [gedaagden sub 1] , is zij niet aansprakelijk voor de schade van [eisers] zodat de vordering jegens [gedaagden sub 1] wordt afgewezen.

[gedaagden sub 2] moet de proceskosten betalen

[gedaagden sub 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding: € 128,59

- griffierecht: € 1.414,00

- salaris advocaat: € 2.580,00 (2 punten x € 1.290,00 tarief V)

- nakosten: € 189,00 (plus € 98,00 als het vonnis wordt betekend)

Totaal: € 4.311,59

De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Het is voldoende gesteld en onderbouwd dat [eisers] tot verhaal van hun vordering buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben verricht, die meer omvatten dan de verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, die onder de proceskostenveroordeling vallen. [eisers] hebben op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW recht op een redelijke vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De kosten worden met toepassing van de wettelijke staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (uitgaande van een vordering van € 58.258,20) begroot op € 996,65.

6. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de overeenkomsten zijn ontbonden,

veroordeelt [gedaagden sub 2] tot betaling van € 58.258,20 aan [eisers] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025,

veroordeelt [gedaagden sub 2] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 996,65 aan buitengerechtelijke incassokosten,

veroordeelt [gedaagden sub 2] in de proceskosten van € 4.311,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

Type: 3593

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand