ECLI:NL:RBDHA:2026:28501

ECLI:NL:RBDHA:2026:28501

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 09.070066.26, 05.313479.24 (tul) en 10.020101.24 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot doodslag. Oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/070066-26, 05/313479-24 (tul) en 10/020101-24 (tul)

Datum uitspraak: 25 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteland] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 juni 2026 (pro forma) en

11 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.S.J. Hoogstraten en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw

mr. C.M. Peeperkorn naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van

11 september 2026 – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2026 te ‘s-Gravenhage, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van

het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van de arm en/of het bovenlichaam, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 maart 2026 te ‘s-Gravenhage, aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door in de arm van die [slachtoffer]

te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 maart 2026 te ‘s-Gravenhage, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van de arm en/of het bovenlichaam, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, in het geval dat de rechtbank er van uitgaat dat de verdachte heeft gestoken, er sprake was van een poging tot zware mishandeling, zoals meer subsidiair is tenlastegelegd.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek NEWYORK26 / DH1R026015, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 165).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 6 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 19):

Plaats delict: Ter hoogte van Om-en-Bij 1-50 te 's-Gravenhage

Pleegdatum: 5 maart 2026

We gingen naar buiten en hier kwamen we [verdachte] tegen. Hier ontstond een schermutseling. [verdachte] pakte mij bij mijn keel vast. Ik wilde mijzelf toen losrukken en toen sneed [verdachte] mij in mijn arm.

2. Een geschrift, te weten het verzoek medische informatie, opgemaakt op

17 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 107):

Medische informatie betreffende: Voornamen: [voornaam slachtoffer]Achternaam: [achternaam slachtoffer]Geboortedatum: [geboortedatum 2] 1989

Omschrijving van het letsel A. Uitwendig waargenomen letsel:

- Snijverwonding bovenarm (R) van +- 12CM- Ernstig uitwendig bloedverlies

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 05-03-2026.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op

6 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 33-35):

[slachtoffer] is het slachtoffer. De verdachte, heet [verdachte] . Ik noem hem [bijnaam verdachte] .

Vandaag, 5 maart 2026 rond 23.15 uur zijn ik en [slachtoffer] naar buiten gegaan. Toen we naar buiten liepen zag ik [bijnaam verdachte] een paar meter verder staan.

Ik zag dat [bijnaam verdachte] [slachtoffer] vast greep aan zijn jas en [slachtoffer] naar hem toe trok. Ik zag dat [bijnaam verdachte] zijn hand op de keel van [slachtoffer] had. Ik hoorde [slachtoffer] roepen “help mij, hij steekt mij, ik word gestoken”. Tijdens het rennen zag ik dat [slachtoffer] bloedde.

Ik weet dat [bijnaam verdachte] een paar dagen geleden een legerkleurig klapmes/zakmes heeft gekocht.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 112, 114-117):

De camerabeelden waren aangeleverd naar aanleiding van een steekincident die had plaatsgevonden bij het Om-en-Bij 1 te Den Haag op 5 maart 2026 omstreeks 23:15 uur. Ik zag dat de camerabeelden begonnen op 5 maart 2026 om 22:45 uur. Ik zag tijdens het afspelen de daadwerkelijke dag, datum en tijd werd weergegeven.

Ik zag om 23:20:23 uur dat er een schermutseling ontstond tussen [slachtoffer] en [verdachte] onder de overkapping en voor de in- en uitgang van het Leger des Heils. Ik zag dat [slachtoffer] wegrende de openbare weg op en dat [verdachte] achter [slachtoffer] aanliep. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] achteruit liep en [verdachte] tegen [slachtoffer] aanliep.

Ik zag om 23:20:54 uur dat [verdachte] kennelijk iets uit zijn rechterjaszak pakte en aansluitend een stekende beweging maakte in de richting van de rechterzijde van het bovenlichaam van [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] probeerde te ontkomen. Ik zag dat [slachtoffer] wegrende over het Om-en-Bij in de richting van het Buitenom en dat [verdachte] achter [slachtoffer] aanrende.

Ik zag om 23:21:01 uur dat [slachtoffer] probeerde terug de rennen in de richting van de in- en uitgang van het Leger des Heils. Ik zag dat [verdachte] een stekende beweging maakte in de richting van de rechterzijde van het bovenlichaam van [slachtoffer] .

Ik zag om 23:23:06 uur dat [verdachte] een voorwerp met kracht weggooide in de richting van de gracht gelegen aan de Zuidwal te Den Haag

5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt op 13 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 124-126, bijlagen p. 127-131): Op 12 maart 2026 kwamen wij, naar aanleiding melding van het aantreffen van een steekwapen, voor forensisch onderzoek aan op de locatie Om-En-Bij ter hoogte van [adres 1] .

Omschrijving onderzoekslocatie

Het steekwapen werd aangetroffen in het water van de gracht, gelegen tussen de Om-en Bij en de Zuidwal(land) te Den Haag.

Bevindingen

Na overhandiging van de zoekmagneet werden gedurende het forensisch onderzoek de navolgende bevindingen gedaan. Wij zagen dat er verschillende goederen aan de magneet vastgekleefd zaten. Tussen de goederen zagen wij een vouwmes. Ik heb dit vouwmes van de magneet gehaald. Wij zagen dat het heft aan beide zijden een camouflage print had en de metalen delen zwart van kleur waren. Vervolgens heb ik het vouwmes uitgeklapt. Tevens zagen wij dat lemmet circa 8 centimeter lang was en de totale lengte circa 17 centimeter betrof.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 142-143):

Op 12 maart 2026 om 12:58 uur werd in het water een mes aangetroffen. Dit mes betrof een klapmes, met zwart lemmet. Het mes had een handvat met groen, bruine camouflagetinten.

Op 5 maart 2026 werd getuige [getuige] gehoord in zake NEWYORK26. In zijn verhoor verklaarde hij het volgende: "Ik weet dat [bijnaam verdachte] een paar dagen geleden op de [adres 2] een legerkleurig klapmes/zakmes heeft gekocht."

Ik zocht op Google.nl met de zoektermen: " [adres 2] mes kopen". Ik zag dat de eerste twee resultaten de winkel [winkel] betroffen, gelegen op de [adres 2] . Op 18 maart 2026 bevond ik mij in de [winkel] gelegen aan de [adres 2] . Ik legitimeerde mij als politieambtenaar aan de medewerker achter de balie. Ik vroeg hem of hij naar een foto van een mes wilde kijken, om vast te stellen of deze verkocht werd in de winkel. Ik toonde hem de foto van het mes. Ik hoorde dat de medewerker direct verklaarde dat hij dit mes verkocht in de winkel.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat op 5 maart 2026 in Den Haag een gevecht heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte. Volgens de aangever heeft de verdachte hem toen gesneden in zijn arm. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij dit heeft gedaan en dat hij een mes of ander scherp voorwerp bij zich had.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte twee keer een stekende beweging heeft gemaakt richting het bovenlichaam van de aangever en dat de aangever vervolgens een snijverwonding had op zijn rechterarm. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat de verdachte na het incident een voorwerp weggooide richting de gracht, vlakbij de plaats delict. In de betreffende gracht is een mes aangetroffen dat voldoet aan de omschrijving van getuige [getuige] , die heeft verklaard dat hij wist dat de verdachte enkele dagen eerder een legerkleurig klapmes had gekocht. Een medewerker van de door de getuige genoemde winkel bevestigt dat men het aangetroffen mes verkoopt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in de arm van de aangever heeft gestoken dan wel gesneden.

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.

Poging tot doodslag

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Van ‘vol opzet’ is sprake in het geval van willens en wetens handelen.

Voor een bewezenverklaring van vol opzet gericht op de dood van de aangever ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte vol opzet had op de dood van de aangever, is de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarvoor is vereist dat de verdachte moet hebben geweten dat door zijn handelen de aanmerkelijke kans bestond dat de aangever dodelijk letsel zou oplopen en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte twee keer een stekende beweging heeft gemaakt richting het bovenlichaam en de arm van de aangever, waar zich vitale organen en slagaders bevinden. Bovendien was sprake van een dynamische situatie waarbij de verdachte tijdens het steken achter de aangever aanrende, waardoor hij weinig controle had over waar het mes terecht zou komen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de kans aanmerkelijk was dat de aangever dodelijk letsel zou oplopen als gevolg van het handelen van de verdachte. Dit handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat hij de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van de aangever.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 5 maart 2026 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermaals, met een mes, in en/of in de richting van de arm en het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, in het geval van strafoplegging, een lagere straf op te leggen dan is gevorderd door de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes te steken. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer een aanzienlijke verwonding aan zijn arm opgelopen. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat geen sprake was van dodelijk letsel is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. De verdachte heeft namelijk in een dynamische situatie, terwijl het slachtoffer van hem probeerde weg te rennen, twee keer met een mes gestoken richting het bovenlichaam van het slachtoffer waarbij hij in zijn arm is geraakt.

Afgezien voor de gevolgen van het slachtoffer, brengt een dergelijk feit ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. Daarbij is in dit geval van belang dat het incident plaatsvond op straat en dat meerdere mensen hiervan getuige zijn geweest.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in twee proeftijden liep ten tijde van het plegen van dit feit en dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van het Leger des Heils over de verdachte van 27 augustus 2026. Daaruit volgt dat de verdachte onder reclasseringstoezicht stond ten tijde van het plegen van dit feit. Het incident heeft plaatsgevonden bij een woonvoorziening van het Leger des Heils, waar hij verbleef in het kader van zijn bijzondere voorwaarden. Als gevolg daarvan kan hij daar niet meer verblijven en zal het lastiger zijn om een alternatieve woonvoorziening voor de verdachte te vinden. Het destijds lopende toezicht beschouwt de reclassering als mislukt. De doelen van het toezicht, die onder andere waren gericht op gedragsverandering en het voorkomen van een nieuw geweldsdelict, zijn onvoldoende behaald. Dat kwam onder andere door de wisselende motivatie van de verdachte. Volgens de reclassering is diagnostiek nodig om in te kunnen schatten welke interventies kunnen leiden tot gedragsverandering. Er is sprake van een hoog risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden. De reclassering adviseert bij veroordeling aan de verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen als een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan een jaar wordt opgelegd. In dat geval kan in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling worden getoetst of de verdachte zich ontvankelijk opstelt ten opzichte van diagnostiek en behandeling.

De straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, passend en geboden is.

De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, als bijlage aan dit vonnis gehecht) onder 1 en 2 genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen.

8. De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 05/313479-24 door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland op

21 februari 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 10/020101-24 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op

10 april 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht tot afwijzing van beide vorderingen tot tenuitvoerlegging en subsidiair tot verlenging van de proeftijden met een jaar.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht gronden aanwezig voor toewijzing van de bovengenoemde vorderingen van de officier van justitie van 19 mei 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraffen waartoe verdachte werd veroordeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijden die bij voormelde vonnissen waren opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de inbeslaggenomen goederen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten: 1 STK Telefoonautomaat en 1 STK Telefoonautomaat;

de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland d.d. 21 februari 2025, gewezen onder parketnummer 05/313479-24, te weten gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 10 april 2024, gewezen onder parketnummer 10/020101-24, te weten gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.C.J. Vriend, voorzitter,

mr. F.C. Berg, rechter,

mr. M.M. Koers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. F.C. Berg
  • mr. M.M. Koers

Griffier

  • mr. R. Claessens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand