RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/711223 / JE RK 26-1496
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling en verlening van machtigingen tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum uit Den Haag.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2026;
het aangepaste verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 26 augustus 2026;
de namens de moeder nagezonden stukken, ontvangen op 27 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
de moeder met haar advocaat;
[naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.
2. De feiten
[de minderjarige 1] is erkend door [naam 3] .
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
[de minderjarige 1] verblijft op een groep bij D3 in [plaats 1] .
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven bij [woongroep] , een woongroep van het Leger des Heils.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juni 2026 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] met ingang van 19 juni 2026 voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 september 2026. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige 1] met ingang van 19 juni 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] met ingang van 19 juni 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 18 juli 2026, en de behandeling het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] (en dat strekte tot uithuisplaatsing voor drie maanden) voor het overige aangehouden tot de zitting van 15 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2026 een machtiging verleend om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] met ingang van 17 juli 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2026.
3. Het verzoek
De Raad heeft verzocht om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook heeft de Raad verzocht om machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden.De Raad heeft tot slot verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt ernstig bedreigd. Bij de moeder groeiden de kinderen op in een opvoedsituatie waarin sprake was van oplopende conflicten, verbaal en fysiek geweld en onvoldoende begrenzing. De kinderen zijn langdurig blootgesteld aan de spanningen tussen de moeder en haar oudste kinderen ( [de minderjarige 1] en [naam 4] ). De kinderen reageerden en reageren ieder op een andere manier op wat er in de thuissituatie gebeurde. [de minderjarige 1] vertoont moeilijk stuurbaar en risicovol gedrag. Dit gedrag past niet bij haar leeftijd. [de minderjarige 1] drinkt alcohol, heeft contact met oudere personen en is zelfbepalend. Er is ook sprake van veel schoolverzuim en inmiddels is duidelijk geworden dat zij niet terug kan naar haar oude school. [de minderjarige 2] lijkt zich sterk aan te passen aan de situatie en een zorgende rol op zich te nemen, wat het risico op parentificatie met zich meebrengt. [de minderjarige 3] lijkt nog redelijk goed te functioneren, maar het risico bestaat dat haar behoeften en ervaringen onvoldoende worden gezien of dat zij die onvoldoende durft te uiten. Wat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] betreft, is ook zorgelijk dat zij weinig terughoudend zijn als het gaat om het aangaan van contact met anderen. Hoewel de Raad positieve ontwikkelingen bij de moeder ziet (in haar stabiliteit en motivatie), zijn deze ontwikkelingen nog pril. De moeder heeft nog moeite met het innemen van een duidelijke ouderrol, het stellen van passende grenzen en het reguleren van haar emoties wanneer zij wordt overvraagd. In het verleden heeft dit geleid tot verbaal en fysiek geweld. Er bestaat ook nog onvoldoende duidelijkheid over de psychische en cognitieve problematiek van de moeder. De moeder laat verder een wisselend patroon zien in het aangaan en volhouden van hulpverlening als haar belastbaarheid toeneemt. Het is noodzakelijk dat systeemgerichte hulpverlening, diagnostisch onderzoek, begeleiding en behandeling van de moeder ingezet gaat worden. Daarnaast is er voor [de minderjarige 1] individuele behandeling noodzakelijk, mogelijk met als ingang beeldende therapie of dans.
Volgens de Raad blijft uithuisplaatsing voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] nodig. Hun ontwikkeling en veiligheid kan nu nog onvoldoende gewaarborgd worden in de thuissituatie. Voor [de minderjarige 1] bestaan forse veiligheidsrisico’s en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn kwetsbaar door hun jonge leeftijd en door wat zij hebben meegemaakt. Het verblijf van de kinderen in de accommodaties van een jeugdhulpaanbieder geeft de noodzakelijke bescherming en rust voor de kinderen. Ook geeft dit de ruimte om de
opvoedvaardigheden van de moeder verder te onderzoeken en versterken, zonder dat de kinderen opnieuw worden blootgesteld aan onveiligheid. Gezien de complexiteit van de problematiek van [de minderjarige 1] , verzoekt de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden. Voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verzoekt de Raad om een dergelijke machtiging voor de duur van drie maanden. Een periode van drie maanden geeft de jeugdbeschermer volgens de Raad voldoende gelegenheid om zich te richten op de opvoedvaardigheden van de moeder (door de contactmomenten met de kinderen te laten begeleiden) en om te bezien of de moeder de noodzakelijke veranderingen daadwerkelijk kan realiseren en vasthouden. Wat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] betreft, is het doel dat binnen de drie maanden wordt toegewerkt naar terugplaatsing bij de moeder.
4. De standpunten
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling en verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] . De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het verblijf van [de minderjarige 1] bij D3 in [plaats 1] niet goed is verlopen en dat zij op 2 september 2026 wordt overgeplaatst naar OptaCare in [plaats 2] , waar zij intensieve zorg zal krijgen. De moeder hoopt dat [de minderjarige 1] met ingang van die datum ook kan starten op een bovenschoolse voorziening ( OPDC). Zij vindt dat [de minderjarige 1] eerst moet stabiliseren voordat terugkeer naar huis mogelijk is. Dat [de minderjarige 1] dichterbij de moeder komt wonen, vindt de moeder prettig, maar dit roept bij haar ook zorgen op. De moeder is het niet eens met uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , in ieder geval niet voor de verzochte duur. De uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is vanuit een crisissituatie rondom [de minderjarige 1] ontstaan. De situatie van de moeder is inmiddels stabiel. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] willen terug naar de moeder. De moeder komt haar afspraken na en zet zich actief in voor de kinderen. .
De gecertificeerde instelling heeft de zorgen en het verzoek van de Raad onderschreven. Het doel wat betreft [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is om binnen drie maanden terug te werken naar huis. De (door het HIT-team) begeleide bezoeken zijn in de afgelopen periode stabiel verlopen. De omgang vindt nu nog plaats op de groep waar [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven en zal stapsgewijs worden uitgebreid van begeleide naar onbegeleide bezoekmomenten thuis, ook met overnachtingen. De moeder zal nog ondersteund moeten worden als het gaat om de schoolgang van de kinderen. Een terugplaatsing nu vindt de gecertificeerde instelling niet verantwoord omdat de benodigde hulpverlening nog onvoldoende is ingericht, waardoor het risico op terugval in oude patronen bestaat.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt in de opvoedsituatie bij de moeder. In die situatie zijn zij langdurig blootgesteld aan fysieke en verbale conflicten. Het lukte de moeder niet, althans onvoldoende, om de escalerende situatie te begrenzen en om de kinderen een veilige, voorspelbare en duurzame opvoedsituatie te bieden. Wat [de minderjarige 1] betreft, zijn er forse zorgen over haar gedrag. Zij is zelfbepalend, accepteert geen gezag van volwassenen, verzuimt school en laat gedrag zien dat niet past bij haar leeftijd. Ook over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn er zorgen. [de minderjarige 2] neemt een zorgende rol op zich, waardoor het risico bestaat op parentificatie, en [de minderjarige 3] lijkt zich af te sluiten. Beide kinderen lijken moeite te hebben om veilige van onveilige personen te onderscheiden. De zorgen over [de minderjarige 1] zijn dusdanig ernstig dat de kinderrechter de indruk krijgt dat de behoeften van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar de achtergrond verdwenen, wat ook een ernstige bedreiging vormt voor hun ontwikkeling. Positief is dat de moeder de zorgen die de Raad noemt, erkent, maar ook inziet dat zij, vanwege haar belaste verleden en (risico van) overbelasting, nog onvoldoende over vaardigheden beschikt om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig weg te nemen en in ieder geval te verminderen. De kinderrechter onderschrijft het standpunt van de Raad dat er zo snel mogelijk, in het gedwongen kader, passende hulpverlening, zoals diagnostiek voor de moeder en systemische hulpverlening, ingezet moet worden. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer, die (in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) al bij het gezin betrokken is betrokken blijft, zodat er nog meer zicht komt op de opvoedsituatie. De jeugdbeschermer kan toezicht blijven houden op de ontwikkeling van de kinderen en ervoor zorgen dat passende hulpverlening voor de kinderen én de moeder wordt ingezet. De moeder heeft benadrukt voor (verdere) hulpverlening open te staan, wat ook positief is. Gelet op de aard en ernst van de zorgen, is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden is. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen als verzocht.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.
De zorgen over de forse problematiek van [de minderjarige 1] , haar zelfbepalende gedrag en haar gestagneerde schoolgang, in combinatie met de omstandigheid dat de moeder niet voldoende draagkracht heeft om haar bij te sturen, maken de uithuisplaatsing (nog steeds) noodzakelijk. De moeder erkent dit ook. Ter zitting is naar voren gekomen dat [de minderjarige 1] , omdat zij niet bij D3 kan blijven, zal worden overgeplaatst naar een driemilieuvoorziening, waar zij intensieve zorg en behandeling zal ontvangen. De kinderrechter acht het, evenals de overige betrokkenen, noodzakelijk dat [de minderjarige 1] dat deze plek daadwerkelijk voor [de minderjarige 1] beschikbaar komt, dat zij daar stabiliseert en dat wordt bezien wat nodig is om dit te kunnen bewerkstelligen. De de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] zal daarom worden toegewezen voor de verzochte duur.
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn naar aanleiding van zorgen over de belastbaarheid van de moeder en de opvoedsituatie uit huis geplaatst. De kinderrechter ziet dat de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet en dat de bezoekmomenten met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] goed verlopen. Niettemin vindt de kinderrechter het van essentieel belang om in stappen toe te werken naar de terugplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en terugplaatsing niet nu al mogelijk te maken door het verzoek van de Raad af te wijzen. Op dit moment hebben de kinderen slechts enkele uren begeleid contact met hun moeder. Daarbij komt dat de aanstaande verhuizing van [de minderjarige 1] naar een plek in de buurt van de woning van het gezin spanning bij de moeder oproept en het risico meebrengt van vermindering van haar draagkracht. Van belang is ook dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] binnenkort weer naar school zullen gaan. Dit alles maakt dat als nu tot terugplaatsing zou worden besloten, moeder ineens weer veel ballen in de lucht zal moeten houden, een situatie die in het verleden maakte dat zij overspoeld kon raken. . De kinderrechter vindt het van groot belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend (verder) aan de slag gaat met een terugplaatsingsplan, door de begeleide bezoeken uit te breiden, deze ook bij de moeder thuis te laten plaatsvinden, als dat kan, de begeleiding van de bezoeken af te halen, de kinderen uiteindelijk ook (steeds vaker en langer) bij de moeder te laten overnachten en tegelijkertijd oog blijft houden voor de opvoedvaardigheden van de moeder.De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de moeder de positieve lijn die zij heeft ingezet, zal kunnen voortzetten en gaat er, met de Raad, van uit dat over uiterlijk drie maanden volledige terugplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] mogelijk zal zijn.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 augustus 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 februari 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 november 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 9 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.