RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/711307 / JE RK 26-1503
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 3],
hierna te noemen: [minderjarige 3],
hierna ook tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. T. Kocabas uit Zoetermeer.
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026;
het rapport van de Raad van 25 augustus 2026, met bijlage.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de vader met zijn advocaat;
de moeder;
H. Rida, een tolk in de Arabische taal, ter ondersteuning van de vader en de moeder;
- [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover, apart van elkaar, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de vader en de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 juni 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 1 september 2026, en een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juni 2026 [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 10 september 2026, en een machtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 september 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie, de vaardigheden en het handelen van de ouders. [minderjarige 2] is eind april 2026 naar [land] met de moeder en nadien daar achtergelaten door de moeder. Er bestonden zorgen dat [minderjarige 2] (mogelijk) zou worden uitgehuwelijkt aan haar neef. In samenwerking met verschillende instanties is zij in juni 2026 gerepatrieerd naar Nederland. De ouders zijn uiteindelijk aangehouden op verdenking van huwelijksdwang en achterlating, hebben een aantal weken in detentie gezeten en zijn 10 juli 2026 geschorst met bijzondere voorwaarden. Sindsdien wonen de kinderen weer bij de ouders. De Raad heeft, mede gelet op deze situatie, zorgen over de kinderen. De Raad acht het hoe dan ook zorgelijk dat [minderjarige 2] in [land] alleen is achtergelaten. Ook waren voor de achterlating zorgen over geuit over [minderjarige 2]. Zo droeg zij veelal de zorg over [minderjarige 3] op zich, was zij gefrustreerd en boos, had zij buik- en hoofdpijn en was er sprake van schoolverzuim. Vanwege de aanhouding van de ouders zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 3] met spoed uithuisgeplaatst op een crisisgroep van [zorginstantie 1]. [minderjarige 3] ging gedurende deze periode ander gedrag vertonen en er wordt gezien dat wat hij heeft meegemaakt een grote indruk op hem heeft gemaakt. [minderjarige 1] geeft geen openheid over hoe het met hem gaat. [minderjarige 1] is een niveau afgezakt op school, waarbij het onduidelijk is of dit komt door zijn capaciteiten of door de afgelopen onrustige periode. De Raad heeft verder grote zorgen over de beschikbaarheid van de ouders en de gevolgen die dat heeft op de kinderen. De ouders lijken geen openheid te geven en niet transparant te zijn. Ook bestaat er onduidelijkheid over hun relatie en over het (gevolg van het) strafproces. De ouders ontkennen de aantijgingen en geven aan dat de situatie anders in elkaar steekt. De hoop is dat hier de komende periode meer duidelijkheid over komt, zodat er mogelijk ook gerichte hulpverlening voor de kinderen en dan met name voor [minderjarige 2] ingezet kan worden en [minderjarige 2] niet opnieuw wordt achtergelaten in [land]. De Raad acht de inzet van een jeugdbeschermer nodig om voor langere tijd zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen en kan ingrijpen, waar nodig. Daarvoor is het wel van belang dat de ouders de samenwerking aangaan en openheid van zaken geven.
4. De standpunten
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De ouders en de kinderen hebben veel meegemaakt de afgelopen periode en zij verkeerden in een kwetsbare positie. Sinds de thuisplaatsing van de kinderen, is er echter volgens de vader sprake van een rustige, veilige en stabiele gezinssituatie. Op dit moment zijn er geen actuele zorgen die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. De ouders wonen als echtpaar samen en de onderlinge verstandhouding is goed. De vader betwist nadrukkelijk de verdenkingen van huwelijksdwang en mensenroof en daarbij zijn de ouders geschorst met gebakende schorsende voorwaarden. Om een ondertoezichtstelling uit te spreken, omdat er onduidelijkheid is over de strafzaak, vindt de vader te prematuur. Verder gaat het goed met de kinderen. [minderjarige 2] is ingeschreven bij een middelbare school en gaat hier binnenkort starten. Ten aanzien van [minderjarige 3] is er geen acuut schoolprobleem. Voor [minderjarige 1] geldt dat hij niet afgezakt is vanwege de gebeurtenissen binnen het gezin. De ouders erkennen dat de afgelopen periode zwaar is geweest en professionele begeleiding nodig is, waar zij ook voor open staan. Het gedwongen kader werkt echter contraproductief voor zowel de ouders als de kinderen. Extra bemoeienis vanuit instanties geeft extra druk en weerstand en zal averechts werken. De ouders werken mee aan de benodigde hulpverlening en op dit moment is er geen meerwaarde om een ondertoezichtstelling uit te spreken. De advocaat verzoekt primair om het verzoek af te wijzen. Als een ondertoezichtstelling toch noodzakelijk wordt geacht, verzoekt de advocaat om de ondertoezichtstelling te beperken tot een maximale duur van drie maanden.
De moeder heeft daaraan toegevoegd dat het rapport van de Raad veel onjuistheden bevat. Volgens de moeder is het verhaal eenzijdig opgesteld en is niet geluisterd naar de ouders. De moeder hoopt dat de hulpverlening kan worden voortgezet in het vrijwillig kader. Zij vindt het gedwongen kader niet nodig.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en staat achter het verzoek van de Raad. De verhalen van de gezinsleden en hulpinstanties lopen uiteen en er is veel onduidelijkheid. De gecertificeerde instelling heeft hoe dan ook zorgen over wat [minderjarige 2] heeft meegemaakt en het ouderschap van de ouders. Daarbij is gebleken dat het vertrouwen van de kinderen is beschadigd. De gecertificeerde instelling vindt het van belang dat er zicht is op de kinderen. De komende tijd zal Voorkoming Uithuisplaatsing (VUHP) vanuit [zorginstantie 2] worden ingezet om zicht te krijgen op de thuissituatie en te onderzoeken wat de ouders en de kinderen nodig hebben. Ook zal er één-op-één begeleiding voor [minderjarige 1] worden ingezet, aangezien hij daar behoefte aan heeft.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt ernstig bedreigd. Deze zorgen zien (onder meer) op de heftige gebeurtenissen die [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de afgelopen periode hebben meegemaakt en de invloed die dit heeft (gehad) op hun ontwikkeling. [minderjarige 2] is in april 2026 meegenomen naar [land], waarna zij aldaar, zonder de ouders, is achtergelaten. Hoewel de ouders betwisten dat sprake is geweest van mensenroof en uithuwelijking, acht de kinderrechter het hoe dan ook zorgelijk dat [minderjarige 2] alleen in [land] is achtergebleven, terwijl haar hele leven zich in Nederland afspeelt. Daarbij heeft dit tot gevolg gehad dat de ouders in detentie hebben gezeten en de kinderen met spoed uit huis zijn geplaatst. Dit heeft begrijpelijkerwijs een grote impact (gehad) op de kinderen. Vanuit de scholen van de kinderen zijn ook zorgen geuit over de ontwikkeling en het (emotioneel) welzijn van de kinderen. Naar het oordeel van de kinderrechter hebben de kinderen hulp nodig bij de verwerking van de gebeurtenissen die zij de afgelopen periode hebben meegemaakt en is het noodzakelijk dat er (blijvend) zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van de kinderen, zodat hun veiligheid blijvend kan worden gewaarborgd en kan worden onderzocht welke hulpverlening nog moet worden ingezet. De kinderrechter is er onvoldoende van overtuigd dat het de ouders gaat lukken om zelf de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen en de hulpverlening te organiseren, nu de ouders onvoldoende openheid lijken te geven en wantrouwend zijn richting de hulpverlening. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft bij het gezin. De gecertificeerde instelling dient zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen en regie te voeren over de (benodigde) hulpverlening. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat op korte termijn VUHP vanuit [zorginstantie 2] zal worden ingezet in de thuissituatie en dat voor [minderjarige 1] één-op-één begeleiding zal worden ingezet. De kinderrechter drukt daarbij de ouders op het hart dat het in het belang van de kinderen is dat zij de samenwerking met de gecertificeerde instelling aangaan. Van de gecertificeerde instelling wordt verwacht dat zij voorzichtig omgaan met de kinderen en zich inzetten om een vertrouwensband met de kinderen op te bouwen, zodat de kinderen open kunnen zijn over wat zij hebben meegemaakt. Gelet op de zorgen en de stappen die de komende tijd moeten worden gezet, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 augustus 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 7 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.