RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710182 / JE RK 26-1373
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte uit Rotterdan.
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de moeder met haar advocaat;
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont deels bij de moeder en deels bij de oudtante.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 september 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is op zeer jonge leeftijd blootgesteld aan een onveilige en instabiele opvoedomgeving, vanwege de emotieregulatieproblematiek van de moeder, de instabiele relatie met de vader en het lachgasgebruik van de moeder. Zij heeft fibromyalgie en HG en ervaart hierdoor veel stress en pijn, waardoor zij nog niet de volledige zorg kan dragen over [minderjarige] en de twee broertjes. Doordat de moeder een terugval heeft gehad in haar lachgasgebruik, is [minderjarige] sinds 5 juni 2026 uithuisgeplaatst bij de oudtante moederszijde. Positief is dat de moeder, sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] , positieve stappen heeft gezet, er geen zorg-of politiemeldingen zijn gedaan en geen signalen zijn dat de moeder een terugval heeft (gehad). Vanaf 1 juli 2026 zijn de contactmomenten opgestart en [minderjarige] verblijft nu voor het grootste gedeelte bij de moeder. Het is gebleken dat de moeder goed kan aansluiten bij [minderjarige] en zij over voldoende pedagogische vaardigheden en inzicht beschikt. Vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin worden ook geen directe zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waargenomen. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , is hij gebaat bij rust, veiligheid en stabiliteit en dit krijgt hij geboden bij de moeder en de oudtante. Om een (volledige) thuisplaatsing te realiseren, is hulpverlening in de thuissituatie noodzakelijk. De moeder staat op de wachtlijst voor Infant Mental Health-behandeling (hierna: IMH) en het is belangrijk dat de verdere benodigde hulpverlening wordt ingezet en voortgezet. De verwachting is dat de moeder, met passende hulpverlening, in staat is om weer voor [minderjarige] te zorgen en hem een veilig en stabiele thuissituatie te bieden. Het lukt de moeder op dit moment nog onvoldoende om zelfstandig de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De moeder is op dit moment nog gebaat bij eenduidige en heldere aansturing omtrent de hulpverlening. De jeugdbeschermer dient de moeder te begeleiden/ondersteunen in de huidige contactregeling en te bezien of de moeder voldoende haar inzet toont ten aanzien van de noodzakelijke geachte hulpverlening om een thuisplaatsing te realiseren.
4. De standpunten
Door en namens is verweer gevoerd tegen de termijn van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en de moeder ervaart meer rust met zichzelf en de situatie. De moeder heeft het traject bij Brijder afgesloten en dat heeft de moeder meer ruimte gegeven om aan zichzelf te werken. De moeder erkent de bestaande zorgen en bagatelliseert deze niet. Zij is ook niet ambivalent richting de hulpverlening. De moeder gaat het MDF-traject van [hulpverlener] aan, IMH gaat starten en zij is aangemeld voor een hulpverleningstraject voor haar fibromyalgie. De moeder is ook bezig om een eigen woning te vinden. Tijdens de zoektocht kan zij nog een jaar blijven in haar woning van [instelling] . Voor de moeder is het van belang dat de hulpverlening overzichtelijk blijft en ervoor wordt gezorgd dat zij niet overbelast raakt door de hoeveelheid hulpverlening. De komende tijd wil de moeder toewerken naar een overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillig kader. Gezien de goede stappen die de moeder zet, vindt zij een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar niet noodzakelijk. Zij wenst daarom dat de ondertoezichtstelling gelijk wordt getrokken met de ondertoezichtstelling van haar andere kinderen, welke maximaal nog met zes maanden kan worden verlengd, en dat het verzoek voor het overige wordt afgewezen. Subsidiair verzoekt de moeder de ondertoezichtstelling te verlenen voor zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden,
De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat het beter gaat met de moeder. De samenwerking met de moeder verloopt goed en het contact tussen de moeder en de vader van [minderjarige] verloopt ook beter. De omgang met de vader vindt plaats als [minderjarige] bij de opvang is zodat zij niet met elkaar worden geconfronteerd. [minderjarige] en de moeder zijn aangemeld voor IMH, waarbij ook systemische hulpverlening wordt ingezet. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] , kan IMH binnen vier weken van start gaan. Tijdens dit traject zal worden gekeken naar de gehele situatie en wat de moeder en [minderjarige] nog (verder) nodig hebben. De komende tijd wenst de gecertificeerde instelling zicht te (blijven) houden op het opstarten van de hulpverlening en te kijken of de hulpverlening vervolgens kan worden overgedragen aan het vrijwillig kader. De gecertificeerde instelling staat erachter dat de ondertoezichtstelling gelijk wordt getrokken met de ondertoezichtstelling van de broers van [minderjarige] .
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] is een zeer jonge baby die volledig afhankelijk is van zijn opvoeder(s). [minderjarige] is in het begin van zijn leeftijd blootgesteld aan onveiligheid en instabiliteit in de opvoedsituatie bij de moeder vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder. De moeder kampt met emotieregulatieproblematiek, zij heeft een instabiele relatie met de vader van [minderjarige] en zij gebruikte lachgas. [minderjarige] verblijft op dit moment het grootste gedeelte bij de moeder. Het gaat goed hier met [minderjarige] en hij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. De moeder heeft de afgelopen periode ook een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij werkt mee aan de (benodigde) hulpverlening, de samenwerking met de gecertificeerde instelling verloopt positief en er zijn de afgelopen periode geen (zorg)meldingen geweest. Ook worden er op dit moment geen zorgen gezien in de opvoedvaardigheden van de moeder en lukt het haar om op een passende manier aan te sluiten bij [minderjarige] . Tijdens de zitting is ook gebleken dat er veel hulpverlening voor de moeder in de startblokken staat. Zo zal op korte termijn IMH van start gaan, is het gezin aangemeld voor VUHP en gaat de moeder hulpverlening ontvangen voor haar fibromyalgie, waarbij ook aandacht zal worden besteed aan haar emotieregulatieproblematiek. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder achter deze hulpverlening staat en hard haar best doet voor [minderjarige] . Dit neemt niet weg dat er nog zorgen bestaan over de opvoedsituatie van [minderjarige] . De zorgen hebben betrekking op de belastbaarheid en draagkracht van de moeder en de onduidelijkheid die er bestaat voor [minderjarige] , nu [minderjarige] nog steeds deels bij de moeder en deels bij de oudtante verblijft.
Hoewel duidelijk is dat er inmiddels sprake is van een positieve ontwikkeling bij de moeder, zijn de zorgen over [minderjarige] nog onvoldoende weggenomen. Gezien de nog bestaande zorgen en het feit dat verscheidene hulpverlening op het punt staat van starten, acht de kinderrechter de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling nog noodzakelijk. De jeugdbeschermer dient de komende tijd zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] en regie te voeren over de hulpverlening. De komende tijd moet gewerkt worden aan stabiliteit en duidelijkheid voor [minderjarige] en om dat te realiseren is het van belang dat wordt gekeken of een (volledige) thuisplaatsing in het belang van [minderjarige] en de andere kinderen is en dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De komende periode is het ook van belang dat wordt onderzocht of een warme overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillig kader in het belang [minderjarige] is. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling verlenen. Gezien de positieve ontwikkeling van de moeder en het feit dat zal worden gekeken naar een overdracht naar het vrijwillig kader, ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling voor kortere tijd te verlenen dan verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de andere twee kinderen verlengd tot 12 maart 2027. Uit het oogpunt van duidelijkheid en overzichtelijkheid zal de kinderrechter de duur van alle maatregelen gelijktrekken. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verleend tot 12 maart 2027. Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 28 augustus 2026 tot 12 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 7 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.