RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708101 / JE RK 26-1135
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
Stichting Jeugdbescherming West Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2026.
Op de zitting van 25 augustus 2026 heeft de kinderrechter het onderhavige verzoek (C/09/708101 / JE RK 26-1135) gelijktijdig behandeld met het verzoek van de gecertificeerde instelling tot uithuisplaatsing (C/09/705461 / JE RK 26-858) en het verzoek van de ouders tot beëindiging van de uithuisplaatsing (C/09/708004 / JE RK 26-1130). Op deze laatste twee verzoeken is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
de ouders met hun advocaat.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft met [minderjarige] besproken dat [minderjarige] niet voor de zitting zelf zal worden uitgenodigd omdat hier ook volwassenzaken worden besproken, die – mede vanwege haar problematiek – belastend kunnen zijn voor haar. [minderjarige] heeft hierop verklaard zelf ook niet bij de zitting aanwezig te willen zijn. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [zorginstelling] in [plaats].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 april 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 3 september 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
3. Het verzoek
[minderjarige] verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen. Kort gezegd vertelt [minderjarige] het volgende. [minderjarige] voelt zich niet op haar gemak bij [zorginstelling]. Er is geen tuin, ze kan weinig naar buiten en er zijn veel incidenten op de groep. Ze wordt gepest op de groep, is angstig en ervaart veel stress. Thuis voelt [minderjarige] zich fijn en veilig en ervaart zij geen spanning. Zij mist haar ouders, broer, dieren en haar thuis. Thuis kan zij de dingen doen die zij graag doet (tekenen, schilderen, in de tuin bezig zijn). [minderjarige] wil graag vanuit de thuissituatie werken aan behandeling en dagbesteding. Zij verklaart dat zij vanwege stress bij [zorginstelling] niet tot behandeling en dagbesteding kan komen.
De ouders stemmen in met het verzoek. Zij hebben zelf ook een verzoek gedaan tot beëindiging van de uithuisplaatsing. Op dit verzoek is in een andere beschikking beslist.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd. De gecertificeerde instelling verzoekt zelf om de uitplaatsing te verlenen tot het einde van de ondertoezichtstelling (27 april 2027). Op dit verzoek is in een andere beschikking beslist.
4. De beoordeling
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] een verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing heeft gedaan bij de gecertificeerde instelling, dat sindsdien twee weken zijn verstreken en dat de gecertificeerde instelling ten tijde van de zitting hierop nog niet heeft beslist. [minderjarige] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] passend en geboden is. Dit betekent dat het verzoek van [minderjarige] wordt afgewezen. Omdat het verzoek van [minderjarige] zelf is (eigen rechtsingang), heeft de kinderrechter ervoor gekozen in een persoonlijke brief aan haar toe te lichten waarom de kinderrechter de beslissing heeft genomen. Hieronder is de brief opgenomen.
Beste [minderjarige],
Jij hebt bij de kinderrechter een verzoek gedaan om je uithuisplaatsing te beëindigen. Ik ga je verzoek afwijzen. In deze brief vertel ik je waarom.
Je houdt heel veel van je ouders en je ouders houden heel veel van jou. Daar twijfel ik niet aan. Ook twijfel ik er niet aan dat je ouders het beste voor je willen en hard voor je knokken. Toch zie ik dat je sinds je 5 jaar oud bent niet naar school gaat en ook geen andere activiteiten buiten de deur hebt, zoals sportclubjes of hobbyclubjes met leeftijdsgenoten. Je leeft geïsoleerd met je ouders en je broer en bent ook thuis veel in je eigen kamer. Dit is niet goed voor je ontwikkeling. Net als de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdbeschermer maak ik me hier zorgen over.
Het is de afgelopen jaren in de thuissituatie niet gelukt om je situatie te veranderen en erachter te komen waarom je niet tot ontwikkeling komt. Diagnostisch onderzoek, behandeling, dagbesteding en school zijn niet van de grond gekomen. Ik vind het belangrijk dat mensen, die meer verstand hebben van dit soort zaken, samen met jou en je ouders kijken naar oplossingen. Inmiddels is een jeugdbeschermer betrokken om met jullie mee te denken. Het is de jeugdbeschermer maar ook andere instanties de afgelopen periode in de thuissituatie niet gelukt om goed zicht te krijgen op wat er bij je speelt, hoe jij dingen ervaart en ziet en waar je mogelijk belemmeringen hebt. Dit lukt in de huidige situatie met een uithuisplaatsing beter. Dit maakt dat ik het belangrijk vind dat de uithuisplaatsing nog niet wordt beëindigd.
Je hebt verteld dat je het niet naar je zin hebt bij [zorginstelling], dat je stress ervaart en wordt gepest. Ik vind het ontzettend naar om dit te horen. De jeugdbeschermer en je begeleiders bij [zorginstelling] weten hiervan en willen met je meedenken hoe ze dit kunnen verbeteren. Op jouw groep zijn hierover al gesprekken geweest. In ons gesprek heb je verteld dat de jongen die voor veel incidenten en een onveilig gevoel zorgde inmiddels niet meer op je groep zit en dat het meisje dat nu naast je woont een leuk meisje is. Dat is al fijn om te horen. Ook heb je verteld dat je goed contact hebt met je mentor bij [zorginstelling]. Ik wil je meegeven om je zorgen en problemen met haar en met je jeugdbeschermer te bespreken. Zij kunnen het beste ervoor zorgen dat je het meer naar je zin zult hebben bij [zorginstelling].
Verder heb ik gelezen dat de begeleiders bij [zorginstelling] een voorzichtig positieve ontwikkeling bij je zien. Je bent meer in contact met de andere kinderen, je spreekt meer, je gaat mee met uitjes met de groep, je denkt na over mogelijkheden voor dagbesteding en hebt daar ook voor opengestaan. Zelf heb ik twee keer een gesprek met je gehad. De eerste keer in april van dit jaar, kort na je uithuisplaatsing, en de tweede keer eind augustus. De laatste keer heb ik een krachtiger meisje gezien dan de eerste keer. De eerste keer zat je helemaal in elkaar en fluisterde je alleen. De tweede keer zat je rechtop en kon ik je stem horen. Dit vind ik een positieve ontwikkeling. Ik zie in jou een meisje dat veel meer kan dan er nu uitkomt. Je vertelde me dat je openstaat voor diagnostiek en behandeling, dat je graag weer naar school wil en denkt dat dit ook snel weer zou kunnen. Om weer naar school te kunnen is het nodig dat duidelijk wordt waar mogelijke belemmeringen bij jou vandaan komen en dat jij en je ouders handvatten krijgen om hiermee om te gaan. Ik gun het je dat deze duidelijkheid gauw komt en dat je spoedig kunt starten met dagbesteding en in de toekomst ook school.
[minderjarige], ik begrijp dat deze beslissing niet de beslissing is die jij wenst. Toch neem ik deze beslissing omdat ik – net als de jeugdbeschermer – denk dat dit de beste beslissing is voor jou en je ontwikkeling. Ik wens je toe dat je je verder zult ontwikkelen tot een krachtig meisje, dat lekker in haar vel zit, dat om kan gaan met haar belemmeringen en dat haar talenten optimaal kan inzetten voor de dingen die ze leuk vindt en die bij haar passen.
Met vriendelijk groet,
de kinderrechter
5. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier en op schrift gesteld op 10 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.