RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/705461 / JE RK 26-858
II. C/09/708004 / JE RK 26-1130
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak C/09/705461 / JE RK 26-858 van
Stichting Jeugdbescherming West Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam.
in de zaak C/09/708004 / JE RK 26-1130 van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats],
De rechtbank merkt als belanghebbenden in deze zaak aan:
Stichting Jeugdbescherming West Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2026 (C/09/705461 / JE RK 26-858) een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 september 2026. De kinderrechter heeft het de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. De behandeling van het resterende gedeelte van dit verzoek wordt thans gecombineerd behandeld met het verzoek van de ouders tot beëindiging van de uithuisplaatsing (C/09/708004 / JE RK 26-1130).
Op de zitting van 25 augustus 2026 hebben partijen ermee ingestemd dat alle stukken in bovengenoemde twee procedures over en weer geacht moeten worden te zijn ingediend in beide procedures. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 3 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;
de schriftelijke update van 17 augustus 2026, met bijlagen;
de aanvullende stukken van de ouders, ontvangen op 19, 20 en 21 augustus 2026;
het verzoekschrift in zaak II met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026;
de aanvullende reactie van de ouders, met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2026.
Op de zitting van 25 augustus 2026 heeft de kinderrechter bovengenoemde twee verzoeken met gesloten deuren behandeld. Daarbij is gelijktijdig het verzoek van [minderjarige] tot beëindiging van de uithuisplaatsing behandeld (C/09/708101 / JE RK 26-1135). Op dit laatste verzoek is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
de ouders met hun advocaat.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [zorginstelling 1] in [plaats 1].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 april 2027.
3. De verzoeken
Verzoek I – verlening machtiging tot uithuisplaatsing
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Verzoek II – beëindiging uithuisplaatsing
De ouders verzoeken om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen.
4. De standpunten
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Bij [zorginstelling 1] wordt de ontwikkeling van [minderjarige] gemonitord en wordt zij gestimuleerd tot het ondernemen van activiteiten. [minderjarige] laat sinds de uithuisplaatsing groei zien. [minderjarige] staat op momenten open voor het ondernemen van activiteiten en zij is al een aantal malen mee geweest met uitjes met de groep. Ze heeft ook twee keer open gestaan voor het aangaan van dagbesteding, maar dit is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [minderjarige] niet meer wilde. Contact met de ouders lijkt hierin een negatieve rol te hebben gespeeld. [minderjarige] lijkt het contact met leeftijdsgenoten ingewikkeld te vinden. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij gepest wordt door groepsgenoten. Dit is besproken in de groep. Daarnaast zijn er zorgen over het gedrag dat [minderjarige] laat zien. Ze heeft meerdere malen haar ontlasting op haar kamer verstopt en er hangt soms een urinegeur om haar heen. Er vinden wekelijks begeleide omgangsmomenten met de ouders plaats. [minderjarige] lijkt (ook nu nog) te worden beïnvloed door de mening van de ouders. De zorgen van de gecertificeerde instelling over de ernstige bedreigde ontwikkeling en verwaarlozing van [minderjarige] zijn gelegen in het feit dat [minderjarige] in de thuissituatie niet tot ontwikkeling komt. Zij gaat sinds zij vijf jaar is niet meer naar school, zij leeft geïsoleerd, heeft geen buitenschoolse activiteiten en komt niet in contact andere personen dan familieleden. Er lijkt sprake van systemische problematiek waarin de ouders veel voor [minderjarige] bepalen en overnemen. De ouders willen [minderjarige] hiermee beschermen tegen teleurstelling of overprikkeling, maar vanuit deze intentie beperken de ouders haar leefwereld, krijgt [minderjarige] weinig ruimte om zelfstandig keuzes te maken, buitenshuis activiteiten te ondernemen, of contacten op te bouwen met leeftijdsgenoten. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) heeft in haar eerdere onderzoek de zorgen over systemische problematiek benoemd. De gecertificeerde instelling acht het noodzakelijk dat systemische hulpverlening wordt ingezet om de patronen binnen het gezin te kunnen doorbreken. Het is de jeugdbeschermer de afgelopen maanden niet gelukt om fysiek een gesprek te voeren met de ouders wat de uitvoering van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing moeilijk maakt. De ouders hebben aangegeven enkel in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon met de jeugdbeschermer in gesprek te willen gaan. Pas kort voor de zitting hebben de ouders bij [zorginstantie 3] een vertrouwenspersoon gevonden. Zij hebben een klachtbrief geschreven naar de gecertificeerde instelling met een verzoek tot een gesprek. Op dit moment is het secretariaat van de gecertificeerde instelling bezig een gesprek in te plannen. De afgelopen periode is beschrijvende diagnostiek afgenomen bij [minderjarige]. [minderjarige] is voor verdere diagnostiek aangemeld bij Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie, maar de ouders hebben hier niet onvoorwaardelijk mee ingestemd en deze hulpverlening is uiteindelijk niet doorgegaan. De gedragswetenschapper van [zorginstelling 1] heeft geadviseerd om te kijken naar klinische diagnostiek en observatie, omdat dit beter zou aansluiten bij [minderjarige]. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling verklaard dat [minderjarige] mogelijk terecht kan bij [zorginstelling 2] van [zorginstantie 1] of bij [zorginstantie 2]. [zorginstelling 2] is een klinische opname van zes tot negen maanden waar [minderjarige] doordeweeks verblijft en in de weekenden naar [zorginstelling 1] zal gaan. De gecertificeerde instelling gaat de komende weken in gesprek met de gemeente om de financiering rond te krijgen voor deze plaatsing. De gecertificeerde instelling is van mening dat een breed (persoonlijkheids- en intelligentie)onderzoek nodig is. De gecertificeerde instelling acht een langere uithuisplaatsing noodzakelijk. Er dient zicht te komen op de persoonlijke problematiek van [minderjarige] alsook de gezinsdynamiek en daarvoor dient de benodigde hulpverlening te worden ingezet.
De ouders stemmen niet in met het verzoek tot uithuisplaatsing en zij verzoeken zelfstandig om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen. [minderjarige] raakt overprikkeld door lawaai op de groep. Er is sprake van onrust en incidenten en [minderjarige] wordt gepest. [zorginstelling 1] bevindt zich in [wijknaam] in [plaats 1] aan een drukke weg zonder buitenruimte. Verder biedt [zorginstelling 1] onvoldoende structuur, orde en regelmaat. De ouders zien dat [minderjarige] zich verder terugtrekt. De thuissituatie biedt [minderjarige] rust, ruimte, stabiliteit en nabijheid van familie. In rapportages wordt gesproken over een onveilige thuissituatie. De ouders herkennen dit niet. Daarnaast is onterecht geschreven dat de ouders de inzet van FACT zouden hebben geweigerd, terwijl zij hebben gezocht naar alternatieven toen bleek dat FACT niet de benodigde hulp kon bieden. Hetzelfde geldt voor de aanmelding bij Karakter. Ook is het onterecht dat de gecertificeerde instelling spreekt over verwaarlozing van [minderjarige]. De huisarts heeft verklaard dat er geen aanwijzingen zijn tot het vermoeden daarvan. Ook hebben de ouders geen contact met [minderjarige] gehad over de dagbesteding bij [zorginstelling 1]; de moeder heeft verklaard alleen contact te hebben gehad met de begeleiders bij [zorginstelling 1] over stress waar [minderjarige] last van heeft. Doordat de verstandhouding met de gecertificeerde instelling ernstig is verstoord wensen de ouders enkel nog in contact te treden met de gecertificeerde instelling in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon. Zij hebben sinds kort een vertrouwenspersoon van [zorginstantie 3] en zij hebben de gecertificeerde instelling verzocht om op korte termijn in gesprek te gaan. Zij willen dat de onjuistheden in de rapportages worden gerectificeerd. De ouders maken zich grote zorgen om [minderjarige] en vinden het verontrustend dat nog altijd geen diagnose is gesteld. Zij zien graag dat dat een breed, multidisciplinair diagnostisch onderzoek plaatsvindt. De ouders zien aanwijzingen voor hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit en vinden het belangrijk dat dit nader wordt onderzocht. Het is juist dat GGZ Rivierduinen jaren geleden (rond 2013) als diagnose dacht aan een angststoornis of een vorm van autisme. Omdat de diagnose autisme de ouders op dat moment rauw op hun dak viel hebben zij ‘gekozen’ voor de diagnose ‘angststoornis’. De ouders hebben recentelijk contact gelegd met expertisecentrum [centrum] in [plaats 2]. [centrum] heeft expertise op het gebied van hoogbegaafdheid waardoor de ouders dit een passende organisatie vinden voor diagnostiek en behandeling. Hoogbegaafdheid wordt namelijk in reguliere diagnostiek vaak niet opgemerkt. [centrum] kan ook een breed onderzoek inzetten en dagbesteding bieden. Onderzoek naar de problematiek van [minderjarige] is daarnaast van belang om te kunnen starten met onderwijs. Zowel [minderjarige] als de ouders dienen handvatten krijgen om te leren omgaan met haar problematiek.
5. De beoordeling
Verzoek I - verlening machtiging tot uithuisplaatsing
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Sinds de uithuisplaatsing is meer zicht gekomen op haar ontwikkeling waarna de zorgen zijn toegenomen. [minderjarige] komt in de thuissituatie niet tot ontwikkeling. Zij gaat sinds zij vijf jaar is niet meer naar school, zij leeft geïsoleerd, heeft geen buitenschoolse activiteiten en komt niet in contact met leeftijdsgenoten en andere personen dan haar familieleden. De afgelopen jaren is een patroon zichtbaar geworden waarbij de ouders hulpverlening, om hen moverende redenen, vroegtijdig stoppen of niet aangaan. Zij houden daarbij het contact met de gecertificeerde instelling af. Zoals de gecertificeerde instelling en eerder ook de Raad heeft benoemd, lijkt sprake van systemische problematiek waarin de ouders in de overtuiging [minderjarige] te beschermen veel voor haar bepalen en overnemen waarbij zij haar leefruimte beperken. De beperkende invloed van de ouders lijkt ook thans nog aanwezig. [minderjarige] leek aanvankelijk tweemaal open te staan voor dagbesteding, maar besloot uiteindelijk om toch niet mee te gaan. De begeleiding van [minderjarige] heeft daarbij de sterke indruk dat de moeder daarin een negatieve rol heeft gespeeld. De moeder zou aan de begeleiding hebben aangegeven niet open te staan voor dagbesteding en [minderjarige] wilde na contact met de moeder niet meer gaan. De moeder heeft op de zitting ontkend over dagbesteding te hebben gesproken met [minderjarige]. Zij heeft wel bevestigd dat zij met de begeleiding over de stress van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] heeft gesproken.
De systemische problematiek en de daarbij komende patronen dienen te worden doorbroken opdat [minderjarige] optimaal tot ontwikkeling kan komen. Nu de ouders ook de afgelopen maanden het contact met de gecertificeerde instelling om hen moverende redenen hebben afgehouden, ziet de kinderrechter een groot risico dat [minderjarige] bij het beëindigen van de uithuisplaatsing weer uit het zicht raakt van de gecertificeerde instelling en andere hulpverleningsinstanties, hetgeen de kinderrechter voor de voortgang van diagnostiek en behandeling niet in het belang van [minderjarige] acht. Dit maakt, naar het oordeel van de kinderrechter, dat een thuisplaatsing op dit moment niet in de rede ligt. Ook in de zorgen van de ouders en [minderjarige] zelf over de plaatsing bij [zorginstelling 1] ziet de kinderrechter op dit moment geen aanleiding om anders te oordelen. [minderjarige] heeft weliswaar verklaard dat de plek niet fijn is voor haar en dat zij vanwege stress op die plek niet tot behandeling en dagbesteding kan komen, maar de kinderrechter stelt vast dat dit in de afgelopen jaren in de thuissituatie ook niet is gelukt. Verder heeft de kinderrechter, die [minderjarige] zowel in april 2026 (kort na de uithuisplaatsing) als voor de huidige zitting heeft gesproken, in het laatste gesprek een krachtiger meisje gezien. Daar waar [minderjarige] in het eerste gesprek geheel in elkaar gebogen zat en alleen spaarzaam fluisterde, zat [minderjarige] in het meest recente gesprek meer rechtop en was haar stem hoorbaar. Ook de kinderrechter heeft op basis van deze eigen waarnemingen de overtuiging dat bij [minderjarige] een groei in de ontwikkeling zichtbaar is.
Tot op heden heeft geen diagnostisch onderzoek plaatsgevonden bij [minderjarige] waardoor geen diagnose is gesteld noch passende behandeling is opgestart. Op dit moment is nog altijd geen overeenstemming tussen de ouders en de gecertificeerde instelling over welke instantie passend is om diagnostiek en behandeling uit te voeren. Dit terwijl zowel de gecertificeerde instelling als de ouders het erover eens zijn dat diagnostiek en behandeling van het grootste belang is, mede omdat scholen die overwegen [minderjarige] weer op te nemen in hun schoolsysteem dit als voorwaarde stellen.
De kinderrechter acht het positief dat de ouders recentelijk bij [zorginstantie 3] een vertrouwenspersoon hebben gevonden die bij gezamenlijke gesprekken met de gecertificeerde instelling aanwezig kan zijn en dat een gezamenlijk gesprek op korte termijn wordt ingepland. De kinderrechter drukt een ieder op het hart om in het belang van [minderjarige] een constructieve insteek voor de gesprekken te kiezen en de gesprekken te richten op de toekomst en meer in het bijzondere op de inzet van diagnostiek en behandeling. Het is aan de gecertificeerde instelling om in beginsel in onderling overleg met de ouders tot een passende instantie voor diagnostiek en hulpverlening te komen. Indien zij niet overeenkomen op dit punt kan de gecertificeerde instelling de passende vervolgstappen zetten ten einde verdere stagnatie te voor diagnostiek en behandeling te voorkomen.
De kinderrechter ziet aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden te verlengen, te weten tot 3 december 2026. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden. De kinderrechter vindt het belangrijk om een vinger aan de pols te houden ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] (onder meer haar welbevinden, diagnostiek, behandeling, dagbesteding en scholing), alsook de samenwerking tussen de ouders en de gecertificeerde instelling. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nog nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de overige belanghebbenden een schriftelijke update te sturen waarbij in ieder geval wordt ingegaan op bovengenoemde punten.
Verzoek II – beëindiging uithuisplaatsing
Ontvankelijkheid
De kinderrechter stelt vast dat de ouders een verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing hebben gedaan bij de gecertificeerde instelling, dat sindsdien twee weken zijn verstreken en dat de gecertificeerde instelling ten tijde van de zitting nog niet hierop heeft beslist. De ouders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] passend en geboden is zoals hierboven reeds is overwogen. Dit betekent dat het verzoek van de ouders wordt afgewezen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In zaak met zaaknummer C/09/705461 / JE RK 26-858:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 september 2026 tot 3 december 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting van mr.drs. W.G. de Boer, gelegen vóór 3 december 2026;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de vader;
- de moeder;
- de advocaat van de ouders;
- [minderjarige], voor een kindgesprek;
In zaak met zaaknummer C/09/708004 / JE RK 26-1130:
wijst het verzoek van de ouders af.
Deze beschikking is gegeven door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier en op schrift gesteld op 10 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.