Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Celikkal in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Feiten
Verzoek
Het verzoek van de man strekt – na wijziging – tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- dan wel andere door de rechtbank in goede justitie vast te stellen beslissingen te nemen ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert geen verweer tegen de verzoeken en verzoekt de rechtbank overeenkomstig te beslissen.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen.
Aangezien de huwelijksdatum van partijen na 29 januari 2019 ligt, namelijk op [datum] 2023, is op het huwelijksvermogensregime de Huwelijksvermogensrechtverordening van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt. Daarnaast is er geen sprake van een gemeenschappelijk huwelijksdomicilie en hadden partijen tijdens de huwelijkssluiting ook geen gemeenschappelijke nationaliteit. De rechtbank moet daarom beoordelen met welk land partijen het nauwst verbonden waren ten tijde van de huwelijkssluiting. Volgens de man is dat Nederland, omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft en de vrouw sinds medio 2024 net als de man haar gewone verblijfsplaats in Nederland heeft. De rechtbank maakt hieruit op dat het tijdens de huwelijkssluiting de bedoeling van partijen was om zich gezamenlijk in Nederland te vestigen. Daarmee is de rechtbank met de man van oordeel dat partijen tijdens de huwelijkssluiting het nauwst verbonden waren met Nederland, waardoor het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Partijen zijn gehuwd na 1 januari 2018, waardoor er tussen partijen een wettelijk beperkte gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat alleen hetgeen de echtgenoten tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd, net als de goederen die vóór het huwelijk aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoort. Het vermogen dat ieder van partijen voor het huwelijk had, net als schenkingen en erfenissen, blijft privévermogen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
Volgens de man behoren de volgende zaken tot de huwelijksgemeenschap:
De man heeft een verdeling van deze zaken verzocht. De vrouw heeft via een referteverklaring aangegeven in te stemmen met het verzoek van de man. De rechtbank zal daarom de verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststellen conform het verzoek van de man.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De echtelijke woning van de man en de vrouw ligt in Nederland. Gelet op artikel 4 lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van de woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt om het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te delen. De vrouw heeft via een referteverklaring aangegeven in te stemmen met het verzoek van de man. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 in [plaats], [land];
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan [adres];
*
verklaart deze beschikking– met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad.