Beschikking op het op 25 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
Procedure
Bij beschikking van 4 november 2025 van deze rechtbank is bepaald dat de moeder vervangende toestemming krijgt om [minderjarige] in te schrijven in de Basisregistratie Personen op het adres van haar oom en tante en is iedere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling met de moeder en de benoeming van een bijzondere curator aangehouden. Tevens is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag wat ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en qua zorgregeling met haar moeder en haar vader, het meest in het belang van [minderjarige] is.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de raad) van 30 april 2026, kenmerk KZ-1-68X4ZMN.
Op 2 juli 2026 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met mr. I.G.M. van Gorkum als vervanger van zijn advocaat en de advocaat van de moeder.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2026 is [minderjarige] – verkort weergegeven – voorlopig onder toezicht gesteld en is ze uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin, te weten bij haar oom en tante. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2026 is [minderjarige] – verkort weergegeven – onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming West voor een duur van twaalf maanden en uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg tot en met november 2026. Feitelijk woont [minderjarige] bij haar oom en tante.
De Raad heeft in haar rapport de rechtbank het volgende geadviseerd. Met betrekking tot de hoofdverblijfplaats adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet te wijzigen in die zin dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat wordt bepaald dat zij bij haar vader zal wonen en daar haar hoofdverblijf heeft. De Raad heeft erop gewezen dat de vader dit verzoek niet heeft gedaan met het doel te bewerkstelligen dat [minderjarige] daadwerkelijk bij hem komt wonen maar vanuit het idee dat het makkelijker was om hulpverlening en/of een woonplek binnen de jeugdzorg te kunnen organiseren in [plaats]. Hij heeft zelf geen geschikte woning waar [minderjarige] kan verblijven. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te laten, omdat terugwerken naar wonen bij moeder vanuit het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing een grotere kans van slagen heeft dan een verblijf bij de vader.
Met betrekking tot de zorgregeling adviseert de Raad het volgende. De Raad is van mening dat het in beginsel in belang van kinderen is dat zij contact hebben met hun ouders. [minderjarige] heeft echter ernstige bezwaren geuit tegen contact met beide ouders. De Raad acht een zorgregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. Volgens de Raad dient eerst gestart te worden met individuele hulpverlening voor [minderjarige]. Daarna kan mogelijk contactherstel plaatsvinden. De Raad adviseert de rechtbank dat de aard, duur en frequentie van de contactmomenten tussen ouders en [minderjarige] wordt bepaald door en uitgevoerd conform de aanwijzingen van de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling.
De vader heeft op de zitting toegelicht dat hij inziet dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen nu zijn woonsituatie dat niet toe laat. Bovendien maakt de machtiging uithuisplaatsing en de feitelijke woonsituatie van [minderjarige] dat wijziging van het hoofdverblijf op dit moment niet in haar belang is. De vader heeft verder aangegeven dat hij graag contact met zijn dochter wil, maar dat hij het nu vooral van belang vindt dat zij eerst de hulp krijgt die ze nodig heeft.
Namens de moeder is aangevoerd dat zij zich grote zorgen maakt om [minderjarige] en over het wonen bij oom en tante. Er is momenteel geen enkel contact tussen [minderjarige] en haar moeder, ook niet via de jeugdbescherming. Het feit dat er inmiddels een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn maakt dat de verzoeken in het kader van deze procedure achterhaald zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt. Sinds de ouders de verzoeken hebben ingediend is er veel veranderd rond [minderjarige]. Inmiddels woont zij alweer enige tijd bij haar oom en tante en wordt met behulp van een jeugdbeschermer hulpverlening voor [minderjarige] ingezet. Gezien de recente ontwikkelingen is de rechtbank, met de ouders en overeenkomstig het advies van de Raad, van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om haar hoofdverblijf bij vader te bepalen. Ook is de rechtbank het met de vader eens dat een zorgregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Ook de rechtbank is van oordeel dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij eerst de hulp krijgt die zij nodig heeft voordat gestart kan worden met eventueel contactherstel. In het kader van de ondertoezichtstelling zal worden gekeken naar de mogelijkheden van contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen toegevoegde waarde in het benoemen van een bijzondere curator.
De rechtbank zal de verzoeken van de ouders dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst de verzoeken van de vader en de moeder af.