ECLI:NL:RBDHA:2026:28432

ECLI:NL:RBDHA:2026:28432

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer C/09/691178 / FA RK 25-6742
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Partneralimentatie. Nihilstelling omdat de alimentatiegerechtigde volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Terugbetalingsverplichting. Geen proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Wijziging partneralimentatie

Beschikking op het op 4 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.E. Oud te Krommenie.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

 het verzoekschrift;

 het verweerschrift;

 het bericht van de man op 7 juli 2026 met bijlagen;

 het bericht van de vrouw op 13 juli 2026 met bijlagen;

 het bericht van de man op 14 juli 2026 met bijlagen.

Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn beide partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

 Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1992 tot [datum 2] 2019.

 Zij zijn de ouders van het volgende kind:

 [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats 1] .

 Bij beschikking van 4 september 2019 van de rechtbank Amsterdam is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op € 1.500,00 bruto per maand. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. De partneralimentatie bedraagt ingevolge de wettelijke indexering in 2025 € 1.887,- bruto per maand en in 2026

€ 1.974,-.

 Bij beschikking van deze rechtbank van 22 september 2025 is het verzoek van de man

om een voorlopige voorziening afgewezen bij gebrek aan belang.

 De man is op [datum 3] 2021 hertrouwd met [naam] en zij zijn de ouders van:

 [minderjarige] geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] .

Verzoek en verweer

De man verzoekt de rechtbank om – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2019 – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 op nihil te stellen, althans op een lager bedrag dan de man thans verschuldigd is en met ingang van een datum die de rechtbank geraden acht;

 de vrouw te veroordelen om het teveel betaalde van € 37.034,90 terug te betalen aan de man;

 de vrouw te veroordelen in de door de man gemaakte proceskosten van € 4.296,27.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

7 x € 1.974 = € 13.818 +

Ontvankelijkheid

De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat hij per 1 januari 2025 ontslagen is zonder dat hem een verwijt kan worden gemaakt. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.

Inhoudelijke beoordeling

Bij de wijziging van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Behoefte

In de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2019 is vastgesteld dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2019 € 2.350,- netto per maand bedraagt. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. De rechtbank gaat daarom van dit bedrag uit. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 2.957,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 3.093,-.

Van behoeftigheid (of aanvullende behoefte) is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.

De man stelt dat de vrouw niet langer behoeftig is. Hij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de vrouw na de echtscheiding meer is gaan verdienen en in ieder geval sinds 1 januari 2025 volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.

De vrouw betwist dat zij met haar inkomen uit arbeid volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw voert daartoe aan dat partijen in onderling overleg zijn overeengekomen dat de vrouw – samen met de dochter van partijen – langer in de echtelijke woning zou blijven wonen. De vrouw werd daardoor geconfronteerd met hogere woonlasten. Ook voert de vrouw aan dat zij afbetaalt op huwelijkse schulden en op schulden die zij heeft moeten maken om in haar levensonderhoud te voorzien, mede omdat de man de verschuldigde partneralimentatie niet altijd op tijd betaalde. Het inkomen van de vrouw is ontoereikend om zowel in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien als om maandelijkse aflossingen te voldoen. Daarom is zij nog altijd behoeftig, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen twee loonstroken overgelegd, beide uit 2026. Op basis van het in deze loonstroken vermelde inkomen van € 4.070,- bruto per maand, vermeerderd met € 339,- vakantiegeld per maand en eenzelfde maandbedrag aan eindejaarsuitkering, en rekening houdend met een pensioenpremie van € 449,- per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2026 op € 3.160,- per maand. Daarmee kan de vrouw volledig voorzien in de door de rechtbank Amsterdam vastgestelde behoefte van (geïndexeerd naar 2026) € 3.093,-.

Dat de vrouw tot december 2025 een lager inkomen genereerde, heeft zij niet onderbouwd. Gelet op het partijdebat en de wettelijke maatstaven had dat wel van haar mogen worden verwacht. De rechtbank gaat daarom aan die stelling voorbij. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw ook in 2025 een inkomen van € 3.160,- netto per maand genereerde, en aldus volledig in de door de rechtbank Amsterdam vastgestelde behoefte van (geïndexeerd naar 2025) € 2.957,- kon voorzien.

De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat haar behoefte hoger is dan de behoefte die door de rechtbank Amsterdam is vastgesteld. Behoefte is, volgens vaste rechtspraak, het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Na het huwelijk gemaakte keuzes van partijen – zoals bijvoorbeeld het aangaan van schulden of het gebruik van een woning met in verhouding tot de behoefte onevenredig hoge woonlasten – hebben in beginsel geen invloed op de hoogte van de behoefte. Bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken (zoals bijvoorbeeld partijafspraken waaruit volgt dat zij het erover eens zijn dat hogere woonlasten verdisconteerd moeten worden in de behoefte) zijn in onderhavige zaak niet gebleken.

Ten aanzien van de aflossing op de huwelijkse schulden overweegt de rechtbank als volgt. De behoefte van de vrouw is vastgesteld aan de hand van de zogenaamde “hofnorm”, waarin aansluiting wordt gezocht bij de mate van welstand van partijen tijdens het huwelijk. De stelling van de vrouw ten aanzien van de aflossing op de huwelijkse schulden komt in feite neer op de stelling dat de behoefte door de rechtbank destijds onjuist is vastgesteld. Dat had de vrouw destijds bij de rechtbank of in hoger beroep moeten aanvoeren. Dat heeft zij nagelaten, als gevolg waarvan de door de rechtbank Amsterdam vastgestelde behoefte in rechte vast staat, zodat de rechtbank daar in deze procedure vanuit zal gaan.

Omdat de vrouw met haar inkomen volledig kan voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte, zal de rechtbank de partneralimentatie op nihil stellen. Gelet hierop hoeven de stellingen van partijen met betrekking tot de draagkracht van de man niet te worden beoordeeld.

Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Als een onderhoudsverplichting wordt verlaagd met ingang van een voor de uitspraak gelegen datum, moet de rechter – aan de hand van wat tijdens de procedure is gebleken – beoordelen in hoeverre redelijkerwijs een terugbetalingsverplichting kan worden opgelegd.

De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op 1 januari 2025. Daarbij is het volgende van belang. Partneralimentatie kan, op grond van artikel 1:156 lid 1 BW, worden toegekend aan een ex-echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en die ook in redelijkheid niet voldoende inkomsten kan verwerven. Het ligt op grond van deze bepaling op de weg van de alimentatiegerechtigde om de alimentatieplichtige van een (significante) stijging van het inkomen op de hoogte te stellen, omdat een dergelijke stijging van invloed kan zijn op de omvang van de alimentatieverplichting. De vrouw heeft ervoor gekozen die informatie over haar inkomensstijging niet met de man te delen. Dat komt voor haar rekening en risico.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de vrouw het door de man te veel aan haar betaalde dient terug te betalen. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vrouw heeft niet onderbouwd dat een eventuele terugbetalingsverplichting zal leiden tot onoverkomelijke problemen. Daarbij is allereerst van belang dat de reden voor de nihilstelling van de partneralimentatie is dat de vrouw volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. De door de man betaalde bijdrage was dus niet in overeenstemming met haar behoefte. Uit de door de man overgelegde stukken volgt bovendien dat de vrouw recent een bedrag van circa € 300.000,- heeft ontvangen uit de verkoop van de echtelijke woning. De vrouw stelt dat zij dat bedrag heeft moeten aanwenden voor de aankoop van een nieuwe woning, maar uit de overgelegde stukken volgt niet dat zij het volledige bedrag heeft geïnvesteerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw een bedrag van circa € 241.000,- heeft aangewend ter aflossing van haar overbruggingshypotheek, maar niet dat het door haar ontvangen bedrag voor het overige is opgesoupeerd of is aangewend ter aflossing van (al dan niet met het huwelijk verbonden) schulden.

De man heeft de rechtbank verzocht om de terugbetalingsverplichting van de vrouw vast te stellen op een bedrag van € 37.034,90. Dit bedrag komt, zoals ook ter zitting met partijen besproken, niet overeen met het door de man sinds 1 januari 2025 aan partneralimentatie verschuldigde bedrag. De man heeft ter zitting verklaard dat hij vermoedt dat het verschil is veroorzaakt door incassokosten. De vrouw heeft dat betwist en verklaard dat het verschil ziet op bedragen die de man reeds voorafgaand aan 1 januari 2025 verschuldigd was en die via het LBIO zijn geïncasseerd. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de man de hoogte van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en zal volstaan met de bepaling dat de vrouw gehouden is de door haar sinds 1 januari 2025 ten titel van partneralimentatie ontvangen bedragen terug te betalen. Nu ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de man op het moment van de zitting alle verschuldigde partneralimentatie daadwerkelijk voldaan had, zal de rechtbank de hoogte van het terugbetaalde bedrag vaststellen op hetgeen de man sinds 1 januari 2025 tot aan de zitting verschuldigd is geweest, te weten:

12 x € 1.887 = € 22.644

totaal: € 36.462.

Proceskosten

De rechtbank kan ingevolge artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bezien in samenhang met de artikelen 237 en verder Rv, een proceskostenveroordeling uitspreken. In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt echter terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten doorgaans worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken.

De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van zo’n uitzonderlijk geval. De man heeft niet alleen verzocht om nihilstelling van de alimentatie, maar ook om een ingangsdatum met terugwerkende kracht en oplegging van een terugbetalingsverplichting. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zich daartegen in redelijkheid mocht verweren. De rechtbank zal de proceskosten dan ook compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking de rechtbank Amsterdam van 4 september 2019 – :

bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2025 te betalen partneralimentatie op nihil;

bepaalt dat de vrouw de door de man aan haar te veel betaalde partneralimentatie ter hoogte van € 36.462,- aan de man dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.S. Matthijssen

Griffier

  • mr. R. Warmerdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand